ECLI:NL:RBROT:2000:AF0499

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/148 R
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 FaillissementswetArt. 361 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procureurstelling in schuldsaneringszaak

X. was betrokken bij een procedure in het kader van de schuldsaneringsregeling waarbij de rechter-commissaris een beschikking had genomen tot beëindiging van de regeling. X. stelde zich op het standpunt dat hij uitstel moest krijgen om schriftelijk te antwoorden op een door de bewindvoerder opgestelde vragenlijst. Nadat dit verzoek door de rechter-commissaris was afgewezen, stelde X. hoger beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank stelde vast dat het hoger beroep niet was ingediend door een bij de rechtbank ingeschreven procureur, zoals vereist is op grond van artikel 361, eerste lid, van de Faillissementswet. Omdat geen uitzondering van toepassing was en het verzuim niet was hersteld, werd X. niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

De rechtbank kwam daardoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, mede omdat de vragen inmiddels door X. waren beantwoord en het belang bij verdere behandeling daardoor was komen te vervallen.

De beschikking werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 24 maart 2000.

Uitkomst: X. wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken van procureurstelling.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam
Beschikking van de meervoudige kamer voor de berechting van burgerlijke zaken in de schuldsaneringsregeling van:
X.,
wonende te P.,
raadsman mr. H.F.C. Kuijpers, advocaat en procureur te Leiden.
Het procesverloop
In het kader van de behandeling van de voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de toepassing van schuldsaneringsregeling ten aanzien van X. voornoemd heeft de rechtbank ter terechtzitting van 13 januari 2000 X. opgedragen om de door de bewindvoerder vóór een bepaalde datum op te stellen en aan X. toe te zenden lijst met vragen binnen een termijn van drie weken schriftelijk te beantwoorden en overigens de behandeling van de voordracht aangehouden tot 23 maart 2000 te 10:00 uur.
Bij verzoekschrift van 17 februari 2000 heeft Harteveld via zijn raadsman voornoemd aan de rechter-commissaris verzocht om de bewindvoerder te bevelen X. tot 1 maart 2000 uitstel te verlenen schriftelijk te antwoorden op de vragenlijst met bijlagen van de bewindvoerder van 27 januari 2000.
De rechter-commissaris heeft, nadat de bewindvoerder zijn standpunt omtrent het verzochte bij faxbericht d.d. 29 februari 2000 had kenbaar gemaakt, bij brief van 1 maart 2000 het verzoek van X. afgewezen.
Bij op 6 maart 2000 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, is ingevolge artikel 315, eerste lid, van de Faillissementswet in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van de rechter-commissaris en heeft, onder aanvoering van negen grieven, de rechtbank verzocht die beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan X. uitstel te verlenen tot 1 maart 2000 voor beantwoording van de door de bewindvoerder op 27 januari 2000 bij X. ingediende vragenlijst.
De zaak is ter terechtzitting van 17 maart 2000 mondeling behandeld. Aldaar heeft de raadsman mr. H.F.C. Kuijpers het verzoekschrift en de daarin ontwikkelde grieven nader toegelicht en heeft de bewindvoerder mr. M.W. Huijzer zijn standpunt uiteengezet en tot afwijzing van het verzoek van X. geconcludeerd.
De beoordeling
Het verzoekschrift waarbij - tijdig - hoger beroep is ingesteld, is niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 361, eerste lid, van de Faillissementswet door een bij deze rechtbank ingeschreven procureur ingediend en ondertekend.
De in voormeld artikel lid voorziene uitzonderingen doen zich in dit geval niet voor en evenmin is het verzuim hersteld. X. dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard zijn verzoek.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift, waarbij X. overigens gezien het tijdsverloop en de omstandigheid dat de vragen inmiddels door hem zijn beantwoord, geen belang meer lijkt te hebben.
de beslissing
Verklaart X. niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Buchner, Schmitz en W.J. van Boven, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2000, in tegenwoordigheid van mr Westendorp, griffier.