ECLI:NL:RBROT:2000:AA6371
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over berekening fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering
Eiser was als logistiek manager in dienst bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd door de kantonrechter ontbonden per 25 juni 1999 met een vergoeding van 50.000 gulden. Verweerder kende eiser een WW-uitkering toe met ingang van 1 juli 1999 en vorderde terugbetaling van voorschotten over 25 tot en met 30 juni 1999. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de fictieve opzegtermijn eindigde op 25 juni 1999, zodat hij recht had op WW-uitkering vanaf 26 juni 1999.
De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van artikel 16, derde lid, van de WW en artikel 7:672 BW Pro. De rechtbank oordeelde dat het genoemde artikel van de WW alleen ziet op de rechtens geldende termijn van opzegging en niet op de dag waartegen opzegging dient te geschieden, welke een aanzegtermijn betreft. Hierdoor eindigt de fictieve opzegtermijn op 25 juni 1999, en heeft eiser recht op WW-uitkering vanaf 26 juni 1999.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van verweerder wegens onjuiste toepassing van de wet, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de schade die eiser heeft geleden. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd een procedure voor nadere vaststelling van de schadevergoeding ingesteld.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat eiser recht heeft op WW-uitkering vanaf 26 juni 1999.