ECLI:NL:RBROT:1999:AF0413

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/290 EA
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Buchner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens eerdere faillissement en voortzetting verliesgevende onderneming

Verzoeker diende op 7 juni 1999 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uit de stukken en de zitting bleek dat verzoeker op 17 januari 1995 failliet was verklaard, met opheffing van het faillissement op 9 januari 1996 wegens gebrek aan baten. De schulden uit dat faillissement zijn niet meegenomen in de huidige schuldenlast.

Na het faillissement startte verzoeker in maart 1996 een nieuwe onderneming, waarbij opnieuw aanzienlijke schulden werden opgebouwd, circa 300.000 gulden. Ondanks deze schulden verklaarde verzoeker de onderneming te willen voortzetten, ook gedurende de schuldsaneringsregeling en ongeacht toestemming van de bewindvoerder.

De rechtbank oordeelde dat gezien het faillissement binnen tien jaar en de weigering de verliesgevende onderneming te staken, er gegronde vrees bestaat dat verzoeker zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zal nakomen. Daarom werd het verzoek tot definitieve toepassing van de regeling afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens eerdere faillissementsstatus en voortzetting van verliesgevende onderneming.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam,
Enkelvoudige kamer
X.
wonende te P.
h.o.d.n.
heeft op 7 juni 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoeker is gehoord ter zitting van 9 juni 1999.
Uit de stukken, alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de verklaring van verzoeker zelf, is het volgende gebleken.
Verzoeker is op 17 januari 1995 failliet verklaard, welk faillissement op 9 januari 1996 is opgeheven bij gebrek aan baten. Verzoeker stelt enkel dat het ontstaan van het faillissement niet aan hem lag. Gebleken is dat de ten tijde van dit faillissement bestaande schulden niet op de verklaring ex artikel 285 van Pro de Faillissementswet voorkomen en derhalve nog aan de huidige schuldenlast moeten worden toegevoegd.
Verzoeker is in maart 1996, derhalve kort na beëindiging van eerdergenoemd faillissement, een nieuwe onderneming begonnen. Verzoeker heeft in het kader van deze onderneming wederom een aanzienlijke schuldenlast opgebouwd, thans van in totaal f. 300.000,00. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij deze onderneming, ondanks de sedert begin 1996 gemaakte nieuwe hoge schulden, wil voortzetten, zelfs gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling en ongeacht het feit of de bewindvoerder hem dit al dan niet zal toestaan.
Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker binnen tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, in staat van faillissement heeft verkeerd. Verzoeker heeft na opheffing van dit faillissement in relatief korte tijd opnieuw grote schulden gemaakt. Verzoeker heeft verder uitdrukkelijk geweigerd zijn verliesgevende onderneming te (zullen) staken. Gelet hierop bestaat er dan ook de gegronde vrees dat verzoeker zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
Reeds op grond hiervan dient het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Aldus gewezen door mr Buchner, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.