ECLI:NL:RBROT:1999:AA3947
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Th.G.M. Simons
- Rechtspraak.nl
Verzoek om opheffing schorsing vergunning Monumentenwet afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende een vergunning aan architecten voor het wijzigen en gedeeltelijk slopen van een pand. Tegen dit besluit maakten huurster C en Westersingel Holding B.V. bezwaar. Het college verzocht de president van de rechtbank om de schorsing van de vergunning op te heffen, maar dit verzoek werd afgewezen omdat het college het verzoek in de verkeerde hoedanigheid had ingediend.
Na het nemen van besluiten op de bezwaren van C en Westersingel verzocht het college opnieuw om opheffing van de schorsing. De president stelde vast dat tegen deze besluiten nog geen beroep was ingesteld, waardoor niet was voldaan aan het vereiste van connexiteit zoals bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat het niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden. De president kon daarom zonder zitting uitspraak doen en verklaarde het verzoek om opheffing van de schorsing niet-ontvankelijk.
De uitspraak bevestigt dat een verzoek om opheffing van schorsing pas ontvankelijk is indien tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, en dat de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht strikt moeten worden nageleefd.
Uitkomst: Het verzoek om opheffing van de schorsing van de vergunning werd niet-ontvankelijk verklaard omdat nog geen beroep was ingesteld.