ECLI:NL:RBROE:2012:BX5370
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter wijst vorderingen af wegens onbevoegdheid in ongeoorloofde achterhouding kind
In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd is om te oordelen over de voorlopige hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind dat door de moeder zonder toestemming van de vader uit België is meegenomen en in Nederland wordt achtergehouden. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, waarbij het kind zijn gewone verblijfplaats in België had.
De moeder vordert onder meer dat het kind zijn voorlopige hoofdverblijfplaats bij haar krijgt, dat de vader wordt bevolen persoonlijke bezittingen van het kind af te geven en dat de vader een voorlopige bijdrage in de kosten van opvoeding betaalt. De vader betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en vordert de onmiddellijke overhandiging van het kind aan hem en dat het kind naar school gaat in België.
De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van ongeoorloofde achterhouding van het kind in Nederland door de moeder, omdat zij het kind zonder toestemming van de vader heeft meegenomen terwijl het gezagsrecht in België berust. Op grond van de Verordening Brussel II-bis is de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd, tenzij beschermingsmaatregelen aan de orde zijn, wat niet het geval is. De vorderingen worden daarom afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door mr. F. Oelmeijer en op 22 augustus 2012 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens onbevoegdheid om kennis te nemen van de zaak.