ECLI:NL:RBROE:2009:BK6511

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
16 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
84188 / FA RK 08-62
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 251a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging eenhoofdig gezag en afwijzing omgangsregeling na veroordeling vader voor zedendelict

De rechtbank Roermond behandelde een zaak over het gezag en de omgangsregeling na echtscheiding, waarbij de vader was veroordeeld voor ernstig seksueel misbruik van de dochter van zijn vriendin en bezit van kinderporno. De man kreeg een gevangenisstraf van zeven en een half jaar en tbs met dwangverpleging opgelegd. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag over de twee minderjarige kinderen en wees omgang met de vader af vanwege het vertrouwen dat door de aard van de misdrijven was geschaad.

De rechtbank overwoog dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen was, mede omdat de man langdurig gedetineerd zou zijn en geen bijdrage aan verzorging en opvoeding kon leveren. De rechtbank vond dat het gezag aan de moeder moest worden toegekend. Wat betreft omgang oordeelde de rechtbank dat dit in strijd was met de zwaarwegende belangen van de kinderen en dat een gedwongen omgang de moeder emotioneel te zwaar zou belasten, wat ook de relatie met de kinderen zou schaden.

De rechtbank wees het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af en verklaarde de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. De man had hoger beroep aangetekend tegen zijn strafvonnis, maar dit had geen invloed op de beslissing over het gezag en de omgang.

Uitkomst: Het gezag over de minderjarige kinderen wordt aan de moeder toegekend en het verzoek tot omgang met de vader wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Sector civielrecht
Zaaknummer : 84188 / FA RK 08-62
Beschikking van 16 december 2009 betreffende echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. C.J.Th. Smeets;
tegen:
[de man],
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,
hierna ook te noemen partijen.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit het volgende:
- de beschikking van 28 oktober 2008, waarbij deze zaak naar de meervoudige
familiekamer van deze rechtbank is verwezen;
- het telefaxbericht met bijlage zijdens de man van 2 december 2009;
- de nadere mondelinge behandeling welke heeft plaatsgevonden op 3 december 2009,
waarvan de griffier aantekening heeft gehouden, en waarbij zijn verschenen:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond.
2. De vaststellingen en overwegingen
2.1. Bij haar beschikking van 03 september 2008 heeft de rechtbank de beslissing over de verzoeken omtrent het eenhoofdige gezag over de minderjarigen en de omgangsregeling aangehouden in afwachting van de uitkomst van de strafzaak. Bij beschikking van 28 oktober 2008 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige familiekamer.
De man is bij vonnis van deze rechtbank van 8 september 2009, waarvan onderhavige familiekamer ambtshalve kennis heeft genomen, veroordeeld voor het - samen met zijn vriendin - ernstig seksueel misbruiken van de aanvankelijk zes- en daarna zevenjarige dochter van zijn vriendin en het maken van filmopnames daarvan, alsmede voor het bezit van kinderporno. De man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven en een half jaar en tbs met dwangverpleging. De man heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.
2.2. Het gezag
2.2.1. De vrouw wenst het eenhoofdig gezag over de twee kinderen. Zij heeft kennis genomen van het strafvonnis tegen de man en haar vertrouwen in de man is door de aard van de misdrijven die hij heeft gepleegd, zodanig geschonden dat zij niet bereid is met hem te overleggen over de kinderen en tot voortzetting van het gezamenlijk gezag; Zeker niet gelet op de uit het vonnis blijkende persoonlijkheidsstoornis van de man en de grote kans op recidive. De man wenst handhaving van het gezamenlijk gezag. Hij wil aan alles meewerken en zal het gezag van de vrouw op geen enkele manier frustreren.
2.2.2. De rechtbank kan op grond van artikel 251a van het Burgerlijk Wetboek bepalen dat het gezag over een kind na echtscheiding aan één van de ouders toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.2.3. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de vrouw, gelet op de aard van de misdrijven die de man heeft bekend en waarvoor hij is veroordeeld, het vertrouwen in hem, ook als vader van zijn eigen kinderen, kwijt is en niet (langer) wil dat hij medezeggenschap heeft over de kinderen. Het feit dat de man, zoals hij stelt, altijd een goede vader voor zijn kinderen is geweest, doet daaraan niet af. De rechtbank acht het in de gegeven omstandigheden in strijd met de belangen van de kinderen om het gezamenlijk gezag te handhaven. Dat is te belastend voor de vrouw en daarmee ook voor de kinderen. Daarbij komt dat de man feitelijk geen bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen zal kunnen leveren, omdat hij langdurig gedetineerd zal zijn.
Om vorenstaande redenen acht de rechtbank een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk. De rechtbank zal de vrouw dan ook alleen met het gezag belasten.
2.3. De omgang.
2.3.1. De vrouw heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat zij door het gebeurde, op dit moment niet in staat is enige vorm van omgang te ondersteunen. Zij acht bezoeken aan de gevangenis sowieso erg belastend voor zulke jonge kinderen, in het bijzonder voor [minderjarige 1] die lijdt aan het syndroom van Asperger. Zij sluit omgang in de toekomst niet op voorhand uit.
2.3.2. De man wil graag een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming om te onderzoeken of er enige vorm van contact tussen hem en de kinderen mogelijk is en zo ja, hoe zodanig contact vorm gegeven zou kunnen worden. Hij is zich er van bewust is dat een en ander lange(re) tijd kan gaan duren. Volgens hem is omgang in het belang van de kinderen. De kinderen waren dol op hem en hebben hem al twee jaar niet gezien.
2.3.3. De rechtbank acht omgang gelet op het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek in de gegeven omstandigheden evident in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen.
De weerstand van de vrouw tegen omgang tussen de kinderen en de man is, vanwege de aard van de door hem gepleegde delicten, zodanig groot en begrijpelijk, dat een gedwongen omgangsregeling de vrouw emotioneel nog zwaarder zal belasten dan zij, door toedoen van de man, thans al is. Dat brengt risico’s met zich mee voor de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de kinderen, in die zin dat daaraan schade kan worden toegebracht. Zeker nu de kinderen, vanwege de detentie van de man, volledig afhankelijk zijn van de vrouw, dient een ongestoorde verhouding tussen de vrouw en de kinderen zoveel mogelijk te worden gewaarborgd.
2.3.4. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming, zoals door de man verzocht, niet opportuun.
2.3.5. De rechtbank zal het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dan ook afwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1. bepaalt dat aan de vrouw voortaan alleen het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005;
3.2. wijst af het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling;
3.3. verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, mr. M.M.T. Coenegracht en mr. N.J.J. Derks-Voncken, en ter openbare civiele terechtzitting van 16 december 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
tn
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door de echtgenoten hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Een in eerste aanleg niet verschenen echtgenoot kan hoger beroep instellen binnen drie maanden ná de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon danwel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt.