RECHTBANK ROERMOND
Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer
Procedurenummer: AWB 08 / 328
Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
[eiser] te [plaats], eiser,
gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.
1.1. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een weigering hem bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.
1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.
1.3. Het beroep is, gevoegd met de zaken onder registratienummers 2007/1216 en 1859, 2008/330, 620, 682, 693, 698, 993, 994 en 1330, behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 december 2008, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, bijgestaan door budgetbeheerders [budgetbeheerder A] en [budgetbeheerder B] Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Bovee voornoemd en C.W.M.G. Volleberg. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegd behandelde zaken weer gesplitst en doet de rechtbank in alle zaken afzonderlijk uitspraak.
2.1. Op 27 juni 2007 heeft eiser bijzondere bijstand verzocht voor de kosten van budgetbeheer ten bedrage van EUR 75,00 voor intake en maandelijks EUR 60,00 ingaande 1 juli 2007. Daarbij is aangegeven dat eiser (thans) niet in staat is zijn eigen financiën te beheren als gevolg van zijn verslavingsverleden en klachten samenhangend met ADHD en longemfyseem. Verder is verklaard dat eiser nog steeds wordt begeleid door het CAD en door het CAD is doorgestuurd voor begeleiding van zijn financiële huishouding en het in kaart brengen van zijn schuldenproblematiek.
2.2. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen omdat de kosten van vrijwillig budgetbeheer die zijn gerelateerd aan een vrijwillige aanvraag, geen noodzakelijke kosten zijn, niet bijzonder zijn en niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
2.3. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op eigen verzoek van eiser (bij beschikking van 30 december 2005) het beschermingsbewind waarvoor wel bijzondere bijstand werd toegekend, is opgeheven en dat het voor eisers eigen rekening en risico komt dat hij op vrijwillige basis opnieuw voor een bewindvoerder kiest. Bij verweerschrift heeft verweerder gesteld dat voor zover bijzondere bijstand wordt gevraagd voor ondersteuning bij schuldaflossing, het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (Wwb) aan bijstandverlening in de weg staat. Voorts is verweerder van mening dat eiser gebruik had kunnen maken van een kostenloze, passende en toereikende, voorliggende voorziening van budgetbeheer door een beroep te doen op de gemeentelijke afdeling schuldhulpverlening. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor de onderhavige aanvraag niet het gemeentelijke beleid met betrekking tot kosten van beschermingsbewind van toepassing is. Voorts is verweerder van mening dat de bijstandsnorm voldoende is om in het levensonderhoud te voorzien, zodat het maken van schulden kan worden voorkomen. Betrokkene is het budgetbeheer vrijwillig aangegaan en verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij dan ook de kosten daarvoor zelf dient te dragen nu er ook geen sprake is van zeer dringende redenen die nopen tot bijstandsverlening.
2.4. In reactie op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 augustus 2008 (LJN BD9635) heeft verweerder bij brief van 13 augustus 2008 aangegeven dat moet worden onderzocht of de kosten van vrijwillig budgetbeheer noodzakelijk zijn alsmede of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Vervolgens heeft verweerder zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de in geding zijnde kosten niet noodzakelijk zijn omdat een inkomen ter hoogte van (of boven) de bijstandsnorm voldoende is om in het levensonderhoud te voorzien en schulden te voorkomen, terwijl voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de kosten van vrijwillig budgetbeheer noodzakelijk maken.
Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat het beeld dat van de omstandigheden van eiseres naar voren komt uit de rapporten die in verweerders eigen ambtelijke organisatie voorhanden zijn, geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat er een noodzaak voor vrijwillig budgetbeheer aanwezig is.
2.5. In bezwaar, herhaald in beroep, is van de zijde van eiser -kort samengevat- aangevoerd dat mensen die (tijdelijk) hulp nodig hebben bij het opnieuw structureren en in balans brengen van hun financiën, oneigenlijk beroep gaan doen op door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind omdat de (hogere) kosten daarvan wel worden vergoed in het kader van bijzondere bijstand. Beschermingsbewind is echter een te zware, voor die gevallen oneigenlijke, maatregel en bovendien is het geen maatregel die is gericht op ontwikkeling van financiële zelfstandigheid. Aanvullend is nog aangevoerd dat als verweerder de eis stelt dat cliënten uit de zogenoemde categorie verborgen armoede, die jarenlang de problematiek binnenshuis hebben gehouden en hierover niet durven te praten met hulpverleners, eerst nog een advies moeten halen bij een hulpverlenersorganisatie alvorens met budgetbeheer te kunnen starten, dit betekent dat deze mensen geen gebruik maken van het budgetbeheer.
2.6. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.
2.7. Vooropgesteld daarbij zij dat voor zover in de besluitvorming het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, aanhef en onder f, en 15, eerste lid, van de Wwb aan de orde is geweest, verweerder ter zitting op 10 december 2008 heeft verklaard het standpunt dat het bepaalde in die artikelen aan verlening van bijzondere bijstand in de weg staat, niet te handhaven. Dat betekent dat nog slechts aan de orde is beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden bijzondere bijstand heeft geweigerd op de grond dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 35 van de Wwb.
2.8. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Voor de vaststelling van de middelen en van het vermogen zijn artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden (1) of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens (2) of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna (3) of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord (4) of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt verweerder ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
2.9. Op 5 augustus 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak die is gepubliceerd onder ljn BD9635 het volgende overwogen:
In het kader van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wwb dient het College immers aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van deze bepaling. Weliswaar vormt de aanstelling van een bewindvoerder, bij voorbeeld in het kader van een schuldsanering, een stevige aanwijzing dat daaraan verbonden, nog voor eigen rekening van de betrokkene blijvende kosten als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wwb kunnen worden bestempeld, maar dat betekent niet dat voor iemand die vrijwillig en op eigen initiatief hulp zoekt voor een oplossing van zijn (dreigende) financiële problemen de weg naar bijzondere bijstandsverlening zonder meer is afgesloten. Ook in dat geval zal het College zich na gedegen onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden (waaronder in het onderhavige geval de voorgeschiedenis, de mate van urgentie van hulpverlening via BIB, eventuele wachttijden bij andere instanties e.d.) een oordeel dienen te vormen over de noodzaak van de kosten en –in dit geval in samenhang daarmee- over de vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
2.10. Het bestreden besluit van 12 februari 2008 is tot stand gekomen zonder gedegen en volledig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de noodzaak van de kosten van vrijwillig budgetbeheer als aangeduid in voormelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Hierin ziet de rechtbank reeds voldoende reden om het beroep van eiser gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Verweerders nadere standpuntbepaling en onderzoek in de respectieve zaken naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 augustus 2008 is echter voor de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of er aanleiding is met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde dan wel vierde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien.
2.11. Verweerder heeft in dat kader onderzocht of de kosten van vrijwillig budgetbeheer en –begeleiding noodzakelijk zijn, alsmede of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In opdracht van verweerder zijn in een ambtelijke notitie criteria beschreven die daarbij worden gehanteerd. Verweerder heeft kennelijk ingestemd met het in die notitie opgenomen voorstel over te gaan tot het verstrekken van bijzondere bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer/begeleiding in die situaties waarin wordt voldaan aan de genoemde criteria, zodat ervan uitgegaan mag worden dat daarin het beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wwb bij aanvragen om bijzondere bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer is neergelegd.
In bedoelde notitie, van 27 augustus 2008, zijn de volgende criteria vermeld:
- onafhankelijk onderbouwd advies waarmee de noodzaak wordt aangetoond;
- bewindvoerder moet zijn aangesloten bij branchevereniging;
- periode van het verlenen van bijzondere bijstand wordt vastgesteld op maximaal één jaar;
- bij verlenging na een jaar zal de bewindvoerder schriftelijk verantwoording moeten afleggen en aangeven waarom belanghebbende na een jaar nog niet in staat is om zelfstandig zijn financiën te beheren.
2.12. De rechtbank stelt vast dat met deze criteria ten dele invulling is gegeven aan de uit artikel 35, eerste lid, van de Wwb voortvloeiende onderzoeksplicht ter beoordeling van de noodzaak van kosten van vrijwillig budgetbeheer en beantwoording van de met het vorenstaande samenhangende vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Alleen van het eerste criterium in de notitie van 27 augustus 2008 kan worden gezegd dat dit ziet op de noodzakelijkheid van de kosten. De andere drie criteria zijn daarvoor niet onderscheidend, en ook niet onderscheidend gebruikt, en hebben, wat daar overigens ook van zij, betrekking op te stellen voorwaarden nadat is komen vaststaan dat de vragen naar noodzaak en bijzondere omstandigheden bevestigend moeten worden beantwoord.
Voor zover verweerders beleid –alsnog- een onafhankelijk onderbouwd advies verlangt als basis voor het aannemen van de noodzakelijkheid van kosten van vrijwillig budgetbeheer, wordt daarbij terecht gezocht naar enige vorm van objectivering voor de beantwoording van de thans relevante vragen. De rechtbank is echter ten aanzien van het in de notitie van 27 augustus 2008 genoemde eerste criterium van oordeel dat die noodzaak ook kan blijken uit andere feiten of omstandigheden en dat bovendien de duiding van het gevraagde advies als “onafhankelijk” niet adequaat is, nu bijvoorbeeld ook een interne doorverwijzing door de eigen gemeentelijke afdeling schuldhulpverlening naar een budgetbeheerder die noodzaak kan aantonen.
2.13. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, en zoals de gemachtigde van eiser ook heeft betoogd, zijn er situaties waarin budgetbeheer en begeleiding naar financiële zelfstandigheid al dan niet gecombineerd met schuldsanering, als tijdelijke hulpverleningsvoorziening anders dan beschermingsbewind en wettelijke schuldsanering, noodzakelijk is. Die noodzaak kan onder meer blijken uit een gemotiveerde verwijzing of advies van een deskundige instantie of hulpverlener, maar kan ook anderszins blijken uit de voorgeschiedenis en de feitelijke situatie en de mate van urgentie daarbij, van de betrokkene. Verweerder moet daartoe zicht krijgen op de (on)mogelijkheid van de betrokkene om voor hem/haar beschikbare budgetadviezen toe te passen op zijn eigen financiële huishouding en dient derhalve daarop, alsmede op beantwoording van de vraag of er anderszins adequate (kostenloze) alternatieven zijn, ook het onderzoek vanaf de aanvraag te richten. Verdere beleidsontwikkeling is voor volledige en zorgvuldige beoordeling van aanvragen gericht op bijzondere bijstand voor kosten van vrijwillig budgetbeheer nodig. De rechtbank denkt dan ook aan een aanpassing van het aanvraagformulier met gerichte vragen, eventueel afspraken (procedureel en inhoudelijk) met de budgetbeheerders die actief zijn in de gemeente en met degenen die verwijzen naar budgetbeheerders. Voor zover verweerder de eigen dienstverlening bij de afdeling schuldhulpverlening wenst uit te breiden en daarmee een beroep op commerciële budgetbeheerders wil verminderen, is dat een factor die in de beoordeling dient te worden betrokken, maar betekent dat niet dat er geen enkele ruimte meer is voor het honoreren van aanvragen gericht op bijzondere bijstand voor kosten van vrijwillig budgetbeheer.
2.14. Als is vastgesteld dat kosten van budgetbeheer voor een betrokkene noodzakelijk zijn, is de rechtbank vervolgens van oordeel dat deze kosten normaliter niet geacht kunnen worden in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd, zodat er geen aanleiding is voor de conclusie dat die kosten uit de norm kunnen worden voldaan. Veeleer is er aanleiding voor de conclusie dat kosten van vrijwillig budgetbeheer, mits noodzakelijk, op één lijn zijn te stellen met kosten van beschermingsbewind.
2.15. De rechtbank is in onderhavige zaak, mede op basis van hetgeen ter zitting is verklaard, tot de conclusie gekomen dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van de noodzaak tot budgetbeheer en begeleiding voor eiser. Uit de stukken in het dossier komt naar voren dat eiser niet geholpen was met beschermingsbewind waarbij hem elke beslissing met betrekking tot zijn financiële huishouding uit handen werd genomen, en hij, daarin kenbaar gesteund door hulpverleners, juist behoefte had aan begeleiding naar financiële zelfstandigheid al dan niet gecombineerd met schuldsanering, als (tijdelijke) hulpverleningsvoorziening. Reeds bij de aanvraag is aangegeven dat er verwijzing heeft plaatsgevonden door wat thans heet GGD Verslavingszorg. Ter zitting is een afschrift overgelegd van een bericht van die instantie, waarin de rechtbank bewijs ziet voor de door die instantie geadviseerde noodzaak tot budgetbegeleiding met betrekking tot eiser. In verband met de onduidelijkheid over aan te leggen criteria en het voortschrijdend inzicht bij de beoordeling door verweerder, ziet de rechtbank aanleiding om dit bericht nog zo laat in de procedure bij de beoordeling te betrekken en om eiser dienaangaande het voordeel van de twijfel te geven.
2.16. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bezwaar gegrond dient te worden verklaard, dat aan eiser bijzondere bijstand dient te worden toegekend zoals bij de aanvraag verzocht en dat daarin grond is gelegen om het verzoek op vergoeding van proceskosten te honoreren. De rechtbank ziet dan ook aanleiding met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
2.17. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 3 punten toegekend (voor het bezwaarschrift 1 punt, voor het beroepschrift 1 punt en voor het verschijnen ter zitting 1 punt). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.
gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat aan eiser bijzondere bijstand wordt toegekend in overeenstemming met de aanvraag van 27 juli 2007;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 966,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;
bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door of namens deze gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mr. T.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
verzonden op: 23 januari 2009
Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.