ECLI:NL:RBROE:2008:BD9758
Rechtbank Roermond
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende onderbouwing en perspectief
De stichting verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, omdat de thuisplaatsing bij moeder niet het gewenste resultaat had opgeleverd en er sprake zou zijn van een ontwikkelingsbedreiging. De stichting baseerde haar verzoek onder meer op een incident met een impulsdoorbraak van stiefvader en vermoedens van seksueel misbruik, alsmede het afbreken van dagbehandeling.
De kinderrechter oordeelde dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd. Het incident was op zichzelf staand en er waren maatregelen getroffen binnen het gezin. De vermoedens van seksueel misbruik bleken vaag en niet aannemelijk, mede omdat medische diagnose en verklaringen van de minderjarige zelf dit niet ondersteunden. Tevens was onvoldoende onderzocht of plaatsing bij vader een haalbare en veilige optie was.
Moeder en vader voerden verweer tegen het verzoek. Moeder wees op de negatieve gevolgen van een nieuwe uithuisplaatsing en het ontbreken van bevestiging van seksueel misbruik. Vader gaf aan een veilige en rustige omgeving te kunnen bieden en betwistte de vermoedens van misbruik. De kinderrechter benadrukte het perspectiefbiedende karakter van de maatregel en concludeerde dat een uithuisplaatsing niet verantwoord was.
De kinderrechter wees het verzoek van de stichting tot machtiging uithuisplaatsing af en benadrukte dat een dergelijke ingrijpende maatregel alleen verantwoord is indien strikt noodzakelijk en met een nuttig effect voor het herstel van de gezinsband of bescherming van het kind.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onvoldoende onderzoek naar plaatsing bij vader.