Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROE:2007:BB9664

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
31 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
183165 \ PZ VERZ 06-5
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Pw oudArt. 38a Pw oudArt. 39 Pw oudArt. 40 Pw oudArt. 41 Pw oud
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing overgangsrecht en billijkheidsregel bij pachtverlenging perceel tussen 0,25 en 1 hectare

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van een pachtovereenkomst voor een perceel tuinland van 31 are 50 centiare, dat sinds 1983 wordt gepacht. De pachter verzoekt verlenging omdat het perceel essentieel is voor zijn paardenuitloop en graswinning, terwijl de verpachter de verlenging weigert vanwege persoonlijk gebruiksbelang en vermeende slechte staat van het perceel.

De pachtkamer stelt vast dat overgangsrecht van toepassing is, waarbij het oude pachtrecht (Pachtwet oud) geldt omdat het verzoek en procedure voor 1 september 2007 zijn gestart. Dit betekent dat de verlengingsprocedure van de oude Pachtwet geldt, ondanks dat het perceel kleiner is dan 1 hectare maar groter dan 0,25 hectare.

De pachtkamer weegt de belangen van pachter en verpachter volgens de billijkheidsregel van art. 38 Pw Pro oud, waarbij onder meer het belang van de pachter bij behoud van zijn maatschappelijke bestaan en de belangen van de verpachter worden meegewogen. Omdat de pachter geen exploitatiecijfers heeft overgelegd, kan de pachtkamer het belang van de pachter niet goed beoordelen.

Daarom wordt de pachter opgedragen om binnen een gestelde termijn de exploitatiecijfers van de afgelopen drie jaar te overleggen, waarna verdere beslissing zal volgen. De pachtkamer houdt de beslissing aan totdat deze gegevens zijn ontvangen.

Uitkomst: De pachtkamer draagt op tot overlegging exploitatiecijfers en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Sector kanton
Zaaknummer: 183165 \ PZ VERZ 06-5
Beschikking van de pachtkamer te Venlo d.d. 31 oktober 2007
in de zaak van:
[verzoeker], wonende te [adres],
verzoeker,
gemachtigde: A.A.T. Stoffels,
tegen:
1. [verweerder], wonende te [adres],
2. [verweerder], wonende te [adres],
verweerders,
1. Het verloop van de procedure
De pachtkamer doet recht op:
• het verzoek pachtverlenging van [verzoeker] d.d. 13 december 2006;
• het verweerschrift van [verweerder] d.d. 15 juni 2006;
• de pleitnota van [verzoeker] d.d. 23 augustus 2007;
• de pleitnota van [verweerder] d.d. 23 augustus 2007;
• de mondelinge behandeling van 23 augustus 2007;
• de door partijen overgelegde producties.
De zaak is daarna op beschikking gesteld, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.
2. De vaststaande feiten:
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet betwiste inhoud van de overlegde bescheiden staat – voor zover thans van belang – het navolgende vast:
2.1. [verzoeker] heeft met ingang van 1 juli 1983 van [verweerder] c.s. (de rechtsvoorganger) schriftelijk gepacht het perceel tuinland groot 31 a 50 ca, kadastraal bekend [kadastrale gegevens] tegen (toen: fl. 100 per jaar. Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor zes jaren en vijf maanden, ingaande 1 juli 1983 en eindigende 30 november 1989. Deze pachtovereenkomst is op 24 augustus 1983 door de Grondkamer goedgekeurd onder nr. 89191. De pachtovereenkomst eindigt, na verlengingen, per 30 november 2007.
2.2. [verweerder] c.s. ([verweerder sub 1] als [HJ]) heeft bij aangetekende brief d.d. 15 november 2006 kenbaar gemaakt dat zij de verlenging van de pachtovereenkomst niet wil.
2.3. [verzoeker] heeft hiertegen geprotesteerd en bij de pachtkamer te Venlo een verzoek om verlenging ingediend.
3. Het verzoek van [verzoeker]:
[verzoeker] verzoekt verlenging van de pachtovereenkomst. Daartoe voert [verzoeker] zakelijk samengevat het volgende aan.
3.1. Het gepachte dient voor de uitloop van paarden van zijn paardenstalling en voor de winning van gras; voor een wezenlijk deel van zijn exploitatie is [verzoeker] op het pachtperceel aangewezen.
3.2. [verweerder] c.s. geeft op geen enkele wijze aan wat zij met het perceel wil. [verweerder] c.s. heeft geen agrarisch belang.
3.3. Het perceel “tuinland” is al decennia lang in gebruik als weiland; tegen dit gebruik is nimmer bezwaar gemaakt.
3.4. Het perceel is niet verontreinigd.
4. Het verweer van de [verweerder] c.s.:
[verweerder] c.s. voert tegen het verlengingsverzoek het volgende aan.
4.1. [verweerder] c.s. ([verweerder sub 2]) wil als VUT-gerechtigde het perceel in gebruik nemen en daardoor inkomsten verwerven.
4.2. Het gebruik van het perceel als paardenuitloop in plaats van tuinland is zeer slecht voor de grond.
4.3. De tuinbouwkas wordt voor caravanstalling gebruikt.
4.4. In 2003 zijn er verbrandingsresten aangetroffen.
4.5. De toegang tot het perceel is afgesloten.
4.6. Het perceel is niet nodig voor de bedrijfsvoering van [verzoeker].
5. De beoordeling van het verzoek
5.1. Ambtshalve stelt de pachtkamer vast dat er twee overgangsrechtelijke problemen zijn: de wetswijziging van 2007 en die van 1995. Kortweg gezegd gaat het hier om de vraag of onder de oude Pachtwet (geldig tot 1 september 2007) de oude verlengingsprocedure van toepassing is omdat het pachtperceel kleiner is dan 1 ha, maar de pachtovereenkomst dateert van voor 1995 (rov. 5.2 – 5.7). De tweede te beantwoorden overgangsvraag is of de nieuwe Pachtbepalingen (1 september 2007) processuele en / of materiële consequenties hebben voor deze zaak (rov. 5.8 – 5.10).
5.2. Artikel 58 lid 1 Pachtwet Pro oud (vervallen op 1 september 1 augustus 2007) bepaalde dat de bepalingen van de artikelen 2-15, 16, 19 (de vorm van de pachtovereenkomst, haar toetsing, de niet schriftelijk vastgelegde en niet ter goedkeuring ingezonden pachtovereenkomsten, de duur van de pachtovereenkomst, de pachtprijs), 30, 31, derde lid, 31, 33 (overige rechten en plichten uit de pachtovereenkomst), 36-49a (de verlenging van de pachtovereenkomst), 54, tweede t/m twaalfde lid (einde van de pachtovereenkomst), en 56a-56i (het voorkeursrecht van de pachter) niet van toepassing zijn op pachtovereenkomsten betreffende los land, hetwelk niet groter is dan één hectare.
5.3. Het pachtperceel is 31 a 50 ca groot. De pachtovereenkomst dateert van 1 juli 1983.
5.4. Vóór de wetswijziging van 31 oktober 1995 was de oppervlaktegrens 0,25 ha. Na die datum was de oppervlakte 1 ha. De overgangsregeling luidt: 'Pachtovereenkomsten, die lopen op het tijdstip van inwerking¬treding van deze wet en na dit tijdstip vallen onder de termen van artikel 58 zoals Pro dit dan luidt, blijven beheerst worden door de Pachtwet zoals deze luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van de artikelen 19 en 56i.'
5.5. Art. 58 lid 1 Pw Pro oud luidde van 01-11-1984 tot 30-10-1995: De bepalingen van de artikelen …. 36-49 (pachtkamer: de verlenging van de pachtovereenkomst) ….. zijn niet van toepassing op pachtovereenkomsten betreffende los land, hetwelk niet groter is dan 25 are”.
5.6. De pachtkamer overweegt dat gelet op art. 58 lid Pro Pachtwet oud van 1 november 1984 tot 1 november 1995 de verlengingsprocedure op de onderhavige pachtovereenkomst van toepassing was.
5.7. Gelet op de overgangswetgeving (rov. 5.4) is art. 58 lid 1 Pachtwet Pro oud van kracht gebleven, zodat de verlengingsprocedure na 1 november 1995 nog steeds gold ook al was het perceel kleiner dan 1 ha maar groter dan 25 ca..
5.8. Bij Wet van 26 april 2007, Stb. 163 is de titel 7.5 (pacht) met ingang van 1 september 2007 in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd. De Pachtwet is afgeschaft. De nieuwe pachttitel kent geen eigen overgangsrecht. Daarom zijn de algemene bepalingen Overgangswet nieuw BW van toepassing. De vraag is of het nieuwe (huidige) recht zonder verlengingsprocedure of het oude recht met verlengingsprocedure geldt.
5.9. Art. 74 lid Pro Overgangswet luidt: “Het van toepassing worden van de wet heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van de rechter voor wie voordien een geding is aangevangen, noch voor de aard van het geding en voor de rechtsmiddelen tegen de uitspraak.” Art. 74 Overgangswet Pro bevat zowel procesrecht als materieel recht. De “aard van het geding” verwijst zowel naar het procesrecht (de verlengingsprocedure) als de materiële rechten (de pacht, de opzegging, de verlenging) die daaraan ten grondslag liggen. De pachtkamer sluit zich aan bij de inhoud van de brief d.d. 2 april 2007 van regeringscommissaris mr. P. Neleman aan de Minister van Justitie naar aanleiding van dit overgangsrechtelijke probleem (Handelingen EK).
5.10. Het onderhavige verzoekschrift is ingediend voor 1 september 2007. Het verweerschrift is ingediend voor 1 september 2007. De procedure liep nog op 1 september 2007. Gelet op rov. 5.9. is het oude recht (de Pachtwet oud zoals die luidde van 1995 tot 1 september 2007) van toepassing op deze zaak.
5.11. Onder dit oude pachtrecht zijn voor beslechting van deze zaak de artikelen 38, 39 en 41 Pw van belang.
5.12. Art. 38 Pw Pro oud:” De pachtkamer beslist op een verzoek om verlenging naar billijkheid, met inachtneming evenwel van de bepalingen van deze paragraaf. “
5.13. Beslissen naar billijkheid betekent in de praktijk dat de belangen van pachter en verpachter tegen elkaar worden afgewogen. Daarbij gaat het zwaarstwegende voor. Daarbij vallen onder meer af te wegen:
• of het verlies van het gepachte pachters maatschappelijke bestaan bedreigt;
• zijn positieve bij de beoordeling naar billijkheid af te wegen belang bij het genot
van de opbrengst;
• of dit belang opweegt tegen dat van de verpachter bij het pachtvrij worden;
• het belang van de pachter om de (geringe) inkomsten uit zijn bedrijf te behouden;
• het concrete en duidelijke belang van de pachter: een zeer aanmerkelijke
vermindering van zijn bedrijfsopbrengst;
• of de pachter bij verlies van het gepachte de grondslag van zijn
maatschappelijke bestaan in feite geheel ontnomen worden;
• het economische te verwaarlozen belangen van de pachter;
• het onzekere belang van de verpachter om door het voorgenomen gebruik een
oudedagsvoorziening te krijgen, waarvan de nood¬zaak bovendien niet is vastgesteld;
• economisch aanmerkelijke belangen aan de kant van de verpachter.
5.14. Op de billijkheidsregel van art. 38 Pw Pro oud bestaan een aantal principiële uitzonderingen: art. 38a Pw oud (bereiken 65-jarige leeftijd; niet gehandhaafd na 1 september 2007), art. 39 Pw Pro oud (onbetamelijke bedrijfsvoering), 40 Pw oud (bestemming niet-agrarisch) en 41 Pw oud (persoonlijk gebruik door verpachter).
Art. 41 Pw Pro oud: “De pachtkamer wijst, behoudens het in het volgende lid bepaalde, het verzoek af, indien de verpachter of de echtgenoot of geregistreerde partner, een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een pleegkind van de verpachter het verpachte persoonlijk voor een tot de landbouw betrekkelijk doel in gebruik wil nemen.
2. Nochtans beslist de pachtkamer naar billijkheid, indien:
(…..)
b. door het verlies van het gepachte de grondslag van het maatschappelijk bestaan van de pachter ernstig zou worden aangetast en het persoonlijk gebruik voor de verpachter, voor zijn echtgenoot of geregistreerde partner, voor zijn bloed- of aanverwant of voor zijn pleegkind niet van overwegende betekenis is.”
Art. 39 Pw Pro oud: “De pachtkamer wijst het verzoek af, indien de bedrijfsvoering van de pachter niet geweest is, zoals het een goed pachter betaamt of het optreden van de pachter jegens de verpachter in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten.”
5.15. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat hij voor een wezenlijk deel van zijn exploitatie op het pachtperceel aangewezen. Deze stelling wordt door [verweerder] c.s. bestreden. De pachtkamer stelt vast dat [verzoeker] geen exploitatiecijfers waaruit zijn stelling kan worden afgeleid, heeft overgelegd. Bijgevolg kan de pachtkamer ook moeilijk beoordelen aan wiens kant het gelijk ligt.
5.16. De pachtkamer zal [verzoeker] dan ook opdragen zijn exploitatiecijfers van de laatste drie jaren over te leggen. [verzoeker] zal daarbij voldoende duidelijk moeten aangeven welk deel van de exploitatie het onderhavige gepachte bijdraagt.
5.17. In afwachting van de over te leggen cijfers houdt de pachtkamer iedere verdere beslissing aan.
BESCHIKKENDE:
De pachtkamer:
Draagt [verzoeker] op de exploitatiecijfers als vermeld in rov. 5.16 in tweevoud over te leggen uiterlijk op 28 november 2007;
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gegeven op 31 oktober 2007 door de pachtkamer voornoemd, bestaande uit de heren mr. O.M. de Lange, kantonrechter-voorzitter, H.W.M. Suilen en R. Verhoeven, leden, in tegenwoordigheid van de griffier.