ECLI:NL:RBROE:2006:AX3741

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
3 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
70802 / HA ZA 05 - 814
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.M.L.M. Magnée
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 Overgangswet Nieuw Burgerlijk WetboekArt. 68a Overgangswet Nieuw Burgerlijk WetboekBoek 4 Burgerlijk Wetboek
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen inbrengverplichting voor gebruik woning en nutsvoorzieningen zonder bevoordelingsbedoeling

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een erfgenaam verplicht was tot inbreng van een vermeende gift in de nalatenschap. De erfgenamen zijn kinderen van overleden ouders die een woning verkochten aan één van de erfgenamen. Deze erfgenaam betaalde maandelijks een bijdrage voor nutsvoorzieningen, maar er was discussie over de vraag of zij een inbrengverplichting had voor het gebruik van de woning en nutsvoorzieningen.

De rechtbank stelde vast dat het nieuwe erfrecht sinds 1 januari 2003 geldt, maar dat overgangsrecht bepaalt dat een inbrengverplichting uit het oude erfrecht blijft gelden indien de erflater deze niet heeft ontheven. De kernvraag was of sprake was van een gift, waarvoor vereist is dat de gever met bevoordelingsbedoeling handelde en de begiftigde daarvan bewust was.

De rechtbank concludeerde dat de maandelijkse bijdrage van ƒ 200,00 door de erfgenaam aan de moeder niet als gift kon worden aangemerkt, omdat de kosten van nutsvoorzieningen van de bankrekening van de moeder werden betaald en louter passiviteit geen bevoordelingsbedoeling impliceert. Er was geen bewijs dat de moeder een bevoordelingsbedoeling had of dat de erfgenaam zich daarvan bewust was.

Daarom rustte er geen inbrengverplichting op de erfgenaam. De vordering om een inbrengverplichting vast te stellen werd afgewezen. Gezien de familierelatie werden de proceskosten gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en stelt dat geen inbrengverplichting rust op de erfgenaam.

Uitspraak

uitspraak: 3 mei 2006
V O N N I S
van de rechtbank Roermond
in de zaak van:
eiser:
[eiser],
wonende te [woonplaats], [adres],
procureur: mr. T.J.J. Dierichs;
tegen:
gedaagden:
1. [gedaagde sub 1],
wonende te [woonplaats], [adres],
procureur: mr. Y.G.M.J. Breuker;
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats], [adres],
3. [gedaagde sub 3],
wonende te [woonplaats], [adres],
procureur: mr. Y.G.M.J. Breukers;
4. [woonplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
5. [gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats], [adres],
6. [gedaagde sub 6],
wonende te [woonplaats], [adres],
7. [gedaagde sub 7],
wonende te [woonplaats], [adres].
Partijen worden als volgt aangeduid:
eiser;
gedaagde sub 1.
1. Inhoud van het procesdossier
Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:
- de dagvaardingen van 23 en 24 november 2005 met negen bijlagen;
- de conclusie van antwoord met één bijlage;
- de akte depot van een aantal bankrekeningafschriften;
- het vonnis van deze rechtbank van 1 februari 2006;
- het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2006.
2. Vaststaande feiten
De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:
Partijen zijn de kinderen van de echtelieden [vader] en [moeder].
Op 17 december 1993 hebben [vader] en [moeder] de woning aan de [adres] te [woonplaats] verkocht aan hun dochter [gedaagde sub 1] en haar echtgenoot.
[vader] is op 5 oktober 1994 overleden. Hij had bij een zogenaamd langstlevendentestament beschikt over zijn nalatenschap. Op grond van dit testament erfde [moeder] zijn gehele vermogen.
[moeder] is op 12 december 2003 overleden. Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.
Vanaf het moment dat [gedaagde sub 1] en haar echtgenoot op het adres [adres] te [woonplaats] zijn gaan wonen totdat moeder in augustus 1999 werd opgenomen in het verpleeghuis [naam], heeft [gedaagde sub 1] aan vader en/of moeder maandelijks contant ƒ 200,00 betaald als bijdrage in de kosten van de nutsvoorzieningen.
In de hiervoor genoemde periode zijn alle vaste lasten van het woonhuis, die van de nutsvoorzieningen daaronder begrepen, van de bankrekening van vader en/of moeder voldaan.
3. Beoordeling van het geschil
Tijdens de comparitie van partijen op 11 april 2006 hebben partijen hun geschil gedeeltelijk door een minnelijke regeling beëindigd. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de vraag of er voor [gedaagde sub 1] al dan niet een zogenaamde inbrengverplichting bestaat. Over dit onderdeel van het geschil hebben partijen de rechtbank gevraagd een uitspraak te doen.
Ten aanzien van die inbrengverplichting heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde sub 1] geen enkele vergoeding heeft betaald voor de inwoning bij haar ouders in het woonhuis aan de [adres] te [woonplaats] en voor het gebruik van water, energie, etc., dat zij daardoor materieel is bevoordeeld ten opzichte van de andere erfgenamen en daarom verplicht is de ongerechtvaardigde bevoordeling in de nalatenschap in te brengen nu zij daarvan niet is vrijgesteld.
[gedaagde sub 1] is van mening – zo er al sprake is van een materiële schenking – dat in het nieuwe erfrecht, dat sinds 1 januari 2003 geldt, is bepaald dat erfgenamen verplicht zijn ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun door de erflater gedane giften in te brengen, voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven. Nu moeder een dergelijk voorschrift niet heeft gegeven, rust op [gedaagde sub 1] geen inbrengverplichting.
Over de inbrengverplichting door [gedaagde sub 1] oordeelt de rechtbank als volgt. Moeder is op 12 december 2003 overleden. Op 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. Het erfrecht behoort tot het vermogensrecht en daarom gelden een aantal algemene bepalingen van overgangsrecht die van kracht werden bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht op 1 januari 1992 ook voor het nieuwe erfrecht. Artikel 68a van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow) bepaalt - kort gezegd - dat het nieuwe erfrecht vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing is, tenzij uit een bijzondere bepaling van de Ow iets anders voortvloeit.
Artikel 139 van Pro de Ow bepaalt het volgende: In geval voor het in werking treden van de wet - in dit geval de bepalingen van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, Erfrecht, toevoeging rechtbank - een door de wet geroepen erfgenaam in de nederdalende lijn bij een gift of in een uiterste wil niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng van de gedane gift, blijft deze, behoudens indien de erflater nadien anders mocht hebben beslist, ook na dat tijdstip daartoe verplicht. De achterliggende gedachte bij dit artikel blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis, die aan de totstandkoming van artikel 139 van Pro de Ow is vooraf gegaan: Indien onder het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht geen ontheffing van de verplichting tot inbreng is verleend, is het kennelijk de wil van de erflater geweest, dat inbreng wel plaats vindt, mede gelet op het belang van de broers en zusters van de begiftigde, die er op mochten vertrouwen dat door de gift de gelijkheid van de erfgenamen niet zou worden aangetast. Met andere woorden: het zwijgen van de erflater is hier nu juist wel als een keuze voor inbreng te beschouwen.
De inbreng van giften, onder het oude erfrecht schenkingen in materiële zin genaamd, blijft onder het nieuwe erfrecht dus in beginsel gehandhaafd. De vraag die eerst beantwoord moet worden is wat er verstaan dient te worden onder een gift. Wil er van een gift sprake zijn dan is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank vereist dat er onder meer sprake is van een rechtshandeling of een feitelijke handeling, dat de gever met een bevoordelingsbedoeling (overeenkomend met de vrijgevigheids-gedachte onder het vóór 1 januari 2003 geldende erfrecht) moet hebben gehandeld, terwijl de begiftigde zich daarvan bewust was op het moment dat de gever met een bevoordelingsbedoeling handelde.
In de onderhavige zaak is de feitelijke gang van zaken als volgt geweest. Vanaf het moment dat [gedaagde sub 1] en haar echtgenoot in de woning aan de [adres] te [woonplaats] zijn gaan wonen tot het moment dat moeder in een verpleegtehuis werd opgenomen, heeft [gedaagde sub 1] maandelijks een bedrag van ƒ 200,00 in contanten aan moeder betaald als bijdrage in de kosten van de nutsvoorzieningen. Die kosten werden van de bankrekening van moeder aan de nutsleveranciers betaald. Zo er al sprake is van een gift dan kan daarvoor telkens alleen maar in aanmerking komen het bedrag dat boven die ƒ 200,00 uitgaat. Van dat bedrag kan echter niet worden gezegd dat het een verstrekte gift is. Wie immers door een feitelijk niet-handelen, zoals in dit geval, een ander bevoordeelt, verstrekt geen gift. Los van het feit dat louter passiviteit een bevoordelingsbedoeling niet aannemelijk maakt, heeft [eiser] niet gesteld en is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat moeder een bevoordeling van [gedaagde sub 1] heeft bedoeld en evenmin is gesteld noch gebleken dat [gedaagde sub 1] zich van die bedoeling bewust is geweest; dit geldt ook ten aanzien van de door [eiser] gestelde inwoning. Een en ander leidt tot de conclusie dat op [gedaagde sub 1] geen inbrengverplichting rust, nu er geen sprake is van giften die door moeder aan [gedaagde sub 1] zijn gedaan.
De resterende vordering om te bepalen dat [gedaagde sub 1] een inbrengverplichting heeft, dient te worden afgewezen. Aangezien partijen broers en zusters van elkaar zijn, dienen de proceskosten te worden gecompenseerd, zoals hierna in het dictum is bepaald.
B E S L I S S I N G
De rechtbank:
wijst af de vordering te bepalen dat [gedaagde sub 1] een inbrengverplichting heeft;
compenseert de proceskosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.L.M. Magnée en op de openbare civiele terechtzitting van 3 mei 2006 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
lghc