ECLI:NL:RBROE:2004:AP8662

Rechtbank Roermond

Datum uitspraak
5 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04 / 325 BESLU V1
Instantie
Rechtbank Roermond
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:85 AwbArt. 19 WROArtikel 1, eerste protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen gedogen illegale woonwagens zonder vergunning

Verzoekers, bewoners nabij het woonwagencentrum Bosrand, verzochten de rechtbank om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de gemeente Haelen om tien woonwagens, waaronder twee zonder vergunning, te gedogen tot 1 januari 2005 of langer.

De rechtbank overwoog dat voor de meeste woonwagens rechtsgeldige vergunningen bestonden, behalve voor de woonwagens op standplaatsen X en Y, waarvoor geen vergunning was verleend en bewoning in strijd was met het bestemmingsplan. De gemeente baseerde het gedogen op een toekomstig legalisatietraject, maar had dit traject verlaten en wilde nu via een vrijstelling ex artikel 19 WRO Pro legaliseren.

De rechter vond dat verzoekers niet zonder nadeel de hoofdzaak konden afwachten en dat het gedogen slechts toegestaan is als legalisatie aannemelijk is. Gezien het ontbreken van concrete stappen tot legalisatie, legde de rechtbank een last op aan de gemeente om uiterlijk 1 januari 2005 handhavend op te treden, tenzij voor 15 december 2004 een passende vrijstelling met ruimtelijke onderbouwing en verklaring van geen bezwaar was genomen.

Bij niet-naleving verbeurt de gemeente een dwangsom van €500 per week, met een maximum van €5.000. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan verzoekers toegekend. De uitspraak is in het openbaar gedaan en staat niet open voor hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank schorst het gedoogbesluit en gelast handhaving tegen de illegale woonwagens met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Procedurenr. : 04/325 BESLU V1
Inzake : A en mevr. B, wonende te C, verzoekers,
tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haelen, verweerder.
Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:
het besluit van verweerder d.d. 1 december 2003,
kenmerk: III/JS-.
Datum van behandeling ter zitting: 29 juni 2004
I. PROCESVERLOOP
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 1 december 2003 heeft verweerder besloten het woonwagencentrum “Bosrand” en de tien daarop geplaatste woonwagens te gedogen tot 1 januari 2005 of zoveel langer als nodig is voor het verkrijgen van goedkeuring van de herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied”.
Tegen dit besluit is namens verzoekers bij schrijven van 8 januari 2004 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens hebben verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van Pro de Awb.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van Pro de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekersgezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 juni 2004, waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, mr. T.A. van Kampen, advocaat te Amsterdam, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.C.D. Stoop en T.C.M. Alofs, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.
II. OVERWEGINGEN
Verzoekers zijn woonachtig aan de […]weg 49 te C in de directe nabijheid van het aan die weg gelegen, sedert 2000 in gebruik genomen, woonwagencentrum “Bosrand”.
Naar aanleiding van een door verzoekers op 19 februari 2003 ingediend verzoek tot het treffen van handhavingsmaatregelen ter voorkoming van illegale activiteiten op het perceel X, heeft verweerder bij brief van 19 februari 2003 geweigerd handhavend op te treden tegen illegale sloop- en andere activiteiten op de standplaats X te Haelen.
Het tegen dit besluit namens verzoekers ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 23 juni 2003 ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder besloten de zonder vergunning verbouwde woonwagen op het adres X te C te gedogen tot 1 december 2003.
Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 2004 is - voor zover hier van belang - het beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen het gedogen van de zonder vergunning opgerichte woonwagen op het perceel X te C tot 1 december 2003 en is het besluit van verweerder van 30 juni 2003 in zoverre vernietigd.
In de hiervoor vermelde uitspraak van 20 januari 2004, waartegen partijen geen hoger beroep hebben ingesteld, heeft de rechtbank onder meer als volgt overwogen: ”De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval evenwel onvoldoende is gebleken dat er een concreet vooruitzicht op legalisering bestaat. Het plan om te komen tot herziening van de bestemming ter plaatse verkeert immers nog in een beginstadium - er is zelfs nog geen conceptplan – en het is voorts de vraag of dit plan – mede gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2001 (E01.98.0521/1), waarbij de wijziging van de bestemming in de beoogde bestemming “Woonwagencentrum” werd vernietigd, haalbaar is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake is van een bijzonder geval”.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit van 1 december 2003 heeft verweerder besloten het (gehele) woonwagencentrum “Bosrand” en de 10 daarop geplaatste woonwagens te gedogen tot 1 januari 2005 of zoveel langer als nodig is voor het verkrijgen van goedkeuring van de herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied”. Ook tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. In het bezwaarschrift is aangevoerd dat er aan het bestreden besluit niet een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt en dat het bestreden besluit een toereikende, kenbare motivering ontbeert. Ten slotte is in het bezwaarschrift gesteld dat het bestreden besluit in strijd komt met de waarborgen van artikel 1, eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en in strijd met artikel 8 EVRM Pro. Tevens hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank gewend met het verzoek het besluit van 1 december 2003 te schorsen en verweerder op te dragen binnen twee weken over te gaan tot daadwerkelijke handhavende acties, zonodig versterkt met een dwangsom.
In artikel 8:81 van Pro de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb niet toe.
Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.
De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van Pro de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekers een bezwaarschrift hebben ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.
Gehoord de door verzoekers bij de behandeling ter zitting geschetste, zich al jaren voortslepende problemen met de bewoners van met name X en Y, welke problemen in het verleden al eens zeer ernstig zijn geëscaleerd, is de rechter van oordeel dat niet reeds op voorhand gezegd kan worden dat verzoekers zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kunnen afwachten. De rechter komt dan ook vervolgens toe aan een voorlopig oordeel in de hoofdzaak.
Vooropgesteld moet worden dat het ingediende verzoek (slechts) betrekking heeft op het in het bestreden besluit vervatte standpunt de woonwagens op de standplaatsen Bosrand 4 en 8 te gedogen. Ten aanzien van de overige woonwagens en de op het woonwagenkamp aangebrachte sanitaire units en bergingen moet met verweerder, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 21 december 1999 (LJN: AA4296) en 18 januari 2000 (LJN: AN6276), geoordeeld worden dat sprake is van rechtsgeldig verleende bouwvergunningen. De verleende bouwvergunningen en het gebruik zijn derhalve rechtsgeldig. Anders ligt dit ten aanzien van de standplaatsen X en Y. Op beide standplaatsen zijn woonwagens geplaatst na de uitspraak van de AbRS van 8 februari 2001. Voor X is nooit vergunning verleend en de voor Y verleende bouwvergunning is door verweerder bij besluit van 12 mei 2003 herroepen. Vast staat dat voor beide woonwagens geen bouwvergunning is verleend en ook niet kan worden verleend en tevens dat bewoning in strijd is met (de gebruiksvoorschriften van) het geldend bestemmingsplan.
Verweerder heeft zijn besluit om de woonwagens aan de X en Y te gedogen gebaseerd op de overweging dat de illegale situatie tijdelijk is en legalisatie in het verschiet ligt omdat wordt gewerkt aan de herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied”. Uit verweerders brief van 17 juni 2004 en de toelichting bij de behandeling ter zitting is gebleken dat verweerder het traject van herziening heeft verlaten en thans de situatie met gebruikmaking van een vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) wil legaliseren. Bij de behandeling ter zitting heeft verweerder een tijdspad gepresenteerd dat aanvangt met een opdracht op 2 juli 2004 aan BRO, adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu, om een ruimtelijke onderbouwing op te stellen ten behoeve van de op te starten artikel 19-procedure. Het tijdspad gaat ervan uit dat begin december 2004 door GS de voor vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO vereiste verklaring van geen bezwaar kan worden verleend. Voorts is bij de behandeling ter zitting aangegeven dat verweerder voornemens is het vorenstaande in het te nemen besluit op bezwaar vast te leggen.
Op grond van het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat verweerder geen werk heeft gemaakt van de in het vooruitzicht gestelde herziening van het bestemmingsplan en deze weg ook inmiddels heeft verlaten. Verder moet met verzoekers worden geconcludeerd dat de voorgenomen artikel 19 WRO Pro-procedure (eveneens) nog moet worden opgestart.
Zoals verweerder ook terecht in zijn “Integraal Handhavingsplan” heeft vastgelegd, moet gedogen uitzondering zijn en kan alleen tot gedogen worden besloten na afweging van alle betrokken belangen. Wanneer sprake is van een legalisatiemogelijkheid, komt gedogen als overgangssituatie in aanmerking. Voorwaarde is wel dat aannemelijk wordt gemaakt dat legalisatie daadwerkelijk mogelijk is. Enerzijds heeft verweerder in de onderhavige zaak een concreet tijdpad geschetst waarbinnen het zijns inziens mogelijk is om, met afweging van alle belangen, te komen tot legalisatie op afzienbare termijn, anderzijds, zo heeft de voorgeschiedenis sinds het verzoek om handhaving van 19 februari 2003 uitgewezen, kan betwijfeld worden of verweerder daadwerkelijk de stappen om tot legalisatie te komen zal (kunnen) doorzetten. Daarom ziet de rechter aanleiding om verweerder de in rubriek III omschreven last op te leggen om, indien vóór het einde van dit jaar blijkt dat de situatie niet is te legaliseren, over te gaan tot handhavend optreden. Bij de op te leggen last is rekening gehouden met het door verweerder gepresenteerde tijdspad. Omdat verweerder tot dusver steeds heeft aangegeven de situatie te zullen legaliseren, maar in gebreke is gebleven om (ook na de uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 2004) concrete stappen te zetten om tot legalisatie te komen, acht de rechter termen aanwezig te bepalen dat verweerder dwangsommen zal verbeuren indien aan de op te leggen last geen gevolg zou worden gegeven.
De rechter heeft onvoldoende aanleiding gezien om een zo vergaande voorziening te treffen als door verzoekers wordt gevraagd. Daartoe is in aanmerking genomen dat het ervoor moet worden gehouden dat legalisatie niet op voorhand uitgesloten moet worden geacht en dat verweerder terecht de belangen van de woonwagenbewoners mee heeft laten wegen. Verder zou een opdracht aan verweerder om binnen twee weken over te gaan tot handhaving erop neerkomen dat de rechter te zeer op de stoel van verweerder zou gaan zitten.
Ter voorlichting van partijen wijst de rechter er nog op dat het onder registratienummer 04/673 aanhangige beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het bezwaarschrift van 8 januari 2004 tegen het bestreden besluit van 1 december 2003, zodra verweerder een besluit op dat bezwaar zal hebben genomen, met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb geacht wordt mede gericht te zijn tegen verweerders (te nemen) besluit op bezwaar. Gelet op het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, onder c van de Awb zal de door de voorzieningenrechter thans getroffen voorziening (in elk geval) vervallen zodra door de rechtbank op het beroep in de zaak 04/673 uitspraak zal worden gedaan.
Gelet op de ter zitting geschetste problemen, die zich over en weer tussen verzoekers en met name de bewoners van X en Y hebben voorgedaan, geeft de rechter voorts als overweging ten overvloede verweerder nog in overweging om (de ter zitting besproken mogelijkheid) erf- of perceelafscheiding, van de maximaal vergunningvrije hoogte, aan te brengen op het terrein van het woonwagencentrum, voor zover dat grenst aan verzoekers perceel in de vorm van bijvoorbeeld hoge groenbeplanting, een schutting of een muur. Deze optie zou ook kunnen worden bezien in het kader van de aan een artikel 19 WRO Pro-vrijstelling te verbinden voorwaarde.
Gelet op voorgaande overwegingen zal de rechter de in rubriek III weergegeven voorziening treffen. Tevens acht de rechter termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, alsmede tot vergoeding van het griffierecht.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond;
gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit;
gelast verweerder uiterlijk 1 januari 2005 een handhavingsbesluit te nemen ten aanzien van de standplaatsen X en Y, teneinde de illegale bouw en bewoning ter plaatse te doen eindigen;
tenzij:
uiterlijk 15 december 2004 door de gemeenteraad van verweerders gemeente dan wel op basis van een delegatiebesluit door verweerder, is beslist in het kader van een vrijstelling van artikel 19, eerste lid, van de WRO, waarbij in elk geval dient te zijn voldaan aan de voorwaarden: dat de vrijstelling is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing; er vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben; dat er een voorbereidingsbesluit is genomen als vereist in het kader van artikel 19, vierde lid, van de WRO; en er blijk is gegeven van een afweging van de belangen van derden, waaronder die van verzoekers, en in dat verband zonodig voorwaarden aan de vrijstelling zijn verbonden;
bepaalt dat verweerders gemeente een dwangsom van € 500, - verbeurt, te betalen aan verzoekers (gezamenlijk), voor elke week dat verweerder na 1 januari 2005 niet aan de hiervoor vermelde last heeft voldaan, met een maximum te verbeuren bedrag van € 5.000, - ;
veroordeelt de gemeente Haelen in de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 644, - (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Haelen;
bepaalt dat de gemeente Haelen aan verzoekers het door hen gestorte griffierecht ad € 116, - volledig vergoedt.
Aldus gedaan door mr. C.M.W. Nobis in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2004.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
verzonden op: 5 juli 2004
HC
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.