Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- een e-mail van 5 januari 2026, waarin mr. Bollen namens [gedaagde] bezwaar maakt tegen het indienen van productie 8,
- een e-mail van 5 januari 2026, waarin mr. Booijink namens [eiser] reageert op genoemd bezwaar van mr. Bollen,
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De zaak in het kort
€ 58.165,65 van [gedaagde] te vorderen heeft. [gedaagde] betwist dit.
3. De feiten
In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, vermeld:
“
(…) Het is aannemelijk dat het onroerend goed, genoemd in lid 1(opmerking rechtbank: het bedrijfspand)
, verkocht zal worden aan de gemeente Almelo.Indien de verkoop (…) plaats zal vinden binnen 10 jaar na Levering van de aandelen, zal [gedaagde] B.V. recht hebben op 50% van de meeropbrengsten minus de kosten, waaronder ook begrepen de verschuldigde vennootschapsbelasting over de behaalde boekwinst, indien de opbrengsten meer bedragen dan € 505.000,- (de getaxeerde waarde). (…)”
“
(…) Artikel 1 Verrekening Pro van vorderingen1.1 Partijen wensen hun vorderingen over en weer te verrekenen, tevens inhoudende devorderingen over en weer van de dochtervennootschappen.1.2 Na verrekening resteert een vordering van [bedrijf] B.V.op [gedaagde] B.V. ten bedrage van € 58.165,65 (…);1.3 Partijen komen overeen dat [gedaagde] B.V. gelden, welke zij zalontvangen van [eiser] B.V., onverwijld en in zijn geheel zalaanwenden ter (gedeeltelijke) voldoening van de vorderingen zoals genoemd inartikel 1.2.(…).”
4.Het geschil
5.De beoordeling
€ 58.165,65 aan [gedaagde] heeft verstrekt om daarmee de vordering af te lossen die [bedrijf] B.V. uit hoofde van de hiervoor onder
3.5 vermelde overeenkomst op [gedaagde] had. Ook staat vast dat [gedaagde] met het geleende geld de vordering van genoemde beheersmaatschappij daadwerkelijk heeft afgelost en dat hij daarna niet heeft afgelost op de vordering die [eiser] op hem heeft. [gedaagde] moet daarom in beginsel het door [eiser] aan hem geleende bedrag aan [eiser] (terug)betalen zoals [eiser] in deze procedure ook gevorderd heeft.
als de verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente Almelo niet door zou gaan voor een zodanig bedrag dat deze aflossing mogelijk was. Dat het de bedoeling van partijen was dat [gedaagde] zijn deel van de overwaarde zou aanwenden voor het aflossen van de geldlening, betekent niet dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] het geleende bedrag aan [eiser] niet behoefde terug te betalen als van een verkoop of voldoende overwaarde geen sprake zou zijn. Tussen partijen is niet besproken dat de geldlening zou worden kwijtgescholden als de verkoopopbrengst van het bedrijfspand [gedaagde] onvoldoende zou opleveren om de geldlening af te kunnen lossen. Partijen hielden eenvoudig weg geen rekening met de mogelijkheid dat het bedrijfspand niet of zonder voldoende overwaarde zou worden verkocht. Een afspraak dat niet op de geldlening behoefde te worden afgelost, is nimmer tussen hen gemaakt. Bij die stand van zaken heeft [gedaagde] niet in de veronderstelling mogen verkeren dat [eiser] op basis van de gemaakte afspraken na ommekomst van de voor de verkoop van het bedrijfspand overeengekomen termijn van tien jaar geen aanspraak meer zou maken op het geleende geldbedrag.
beheer aan beheer” en “
heel weinig”. Kennelijk realiseerde [betrokkene 2] zich ook zelf dat [gedaagde] bij een verkoop van het bedrijfspand onder de getaxeerde waarde ook op de geldlening van [eiser] behoorde af te lossen.
– zonder tijdige en juiste stuiting – pas op 16 oktober 2029 verjaard.