ECLI:NL:RBOVE:2026:990

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
C/08/333842 / HA ZA 25-180
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:73 BWArt. 5:78 BWArt. 3:299 lid 3 BWArt. 2.3 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik erfdienstbaarheid beperkt tot enkele doorgang en herstel schade weg verplicht

Eiser en gedaagde hebben een geschil over het gebruik van een erfdienstbaarheid van weg, gevestigd ten laste van het perceel van eiser. Gedaagde gebruikt meerdere doorgangen met landbouwvoertuigen, terwijl eiser stelt dat slechts één doorgang is toegestaan. Eiser vordert opheffing van de erfdienstbaarheid of subsidiair naleving van de akte.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden en dat de erfdienstbaarheid niet wordt opgeheven. De inhoud en reikwijdte van de erfdienstbaarheid worden bepaald door de notariële akte, die het gebruik via één enkele doorgang voorschrijft. Gedaagde wordt veroordeeld tot het gebruik van de erfdienstbaarheid conform deze akte, met een dwangsom bij overtreding.

Daarnaast moet gedaagde de door zijn landbouwvoertuigen veroorzaakte schade aan de weg herstellen en een sloot en afrastering aanbrengen om ongeoorloofd gebruik te voorkomen. De vordering tot verbod op het stallen van campers wegens vermeende onrechtmatige hinder wordt afgewezen. De vordering tot herstel van de erfafscheiding wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende bewijs van vernieling door gedaagde. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde mag de erfdienstbaarheid slechts via één doorgang gebruiken en moet de schade aan de weg herstellen en een sloot en afrastering aanbrengen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/333842 / HA ZA 25-180
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J. de Jong van Lier,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. G.K. Fraterman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de akte vermeerdering eis van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 26 november 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de zaak is na de mondelinge behandeling aangehouden voor overleg tussen partijen over het treffen van een mogelijke schikking. Partijen zijn er onderling niet uitgekomen en hebben op 28 januari 2026 verzocht om vonnis te wijzen.
1.2.
Vandaag wordt dit vonnis uitgesproken.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een geschil over de manier waarop [gedaagde] gebruik maakt van een erfdienstbaarheid van weg, die is gevestigd ten laste van het perceel van [eiser]. [gedaagde] rijdt via verschillende doorgangen met landbouwvoertuigen heen en weer tussen zijn erf en de weg van [eiser]. Volgens [eiser] mag [gedaagde] echter slechts via één enkele doorgang de weg betreden. [eiser] wil dat de erfdienstbaarheid wordt opgeheven of subsidiair dat [gedaagde] zich houdt aan de erfdienstbaarheid zoals omschreven in de akte.
2.2.
De rechtbank heft de erfdienstbaarheid niet op en komt tot de conclusie dat [gedaagde] de weg van [eiser] slechts mag betreden via de één enkele doorgang en dat [gedaagde] de schade aan de weg – veroorzaakt door zijn landbouwvoertuigen – moet herstellen. Ook moet [gedaagde] een sloot en afrastering aanbrengen en de proceskosten van [eiser] betalen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is sinds midden jaren negentig woonachtig in het buitengebied van [woonplaats 1] aan de [adres 1]. [eiser] is eigenaar van het perceel [locatie 1].
3.2.
Ook [gedaagde] woont al lange tijd in het Enschedese buitengebied. [gedaagde] is onder meer eigenaar van de percelen [locatie 2].
3.3.
[gedaagde] drijft sinds 1994 samen met zijn vader een agrarische maatschap.
In 2018 hebben [gedaagde] en zijn echtgenote de boerderij overgenomen van de vader van [gedaagde].
3.4.
In 2013 waren de percelen van [eiser] en [gedaagde] betrokken in een wettelijke herverkaveling. Vervolgens heeft de vader van [gedaagde] in 2016, in overleg met [eiser], een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. In deze akte ‘vestiging erfdienstbaarheid’ is onder meer het volgende bepaald:
‘VESTIGING ERFDIENSTBAARHEID
Partijen verklaren bij deze akte te vestigen de navolgende erfdienstbaarheden:
ten laste van het bij de volmachtgever sub 1 in eigendom verblijvend perceel [locatie 1] en ten behoeve van het bij de volmachtgever sub 2 in eigendom verblijvende perceel [locatie 2] een erfdienstbaarheid van weg, uit te oefenen, uitsluitend via de bestaande enkele doorgang, over een strook grond, zoals met letter B is aangegeven op een aan deze akte gehechte situatietekening.
Het is de volmachtgevers sub 2 niet toegestaan zijn erf (deel uitmakend van perceel [locatie 3]) op welke wijze dan ook te verruimen door gebruik te maken van de met letter B aangegeven gemelde strook grond.
Alle verkeer dat, zowel uitgeoefend door volmachtgever sub 2 als ook door personen casu quo bedrijven welke namens en/of in opdracht van de volmachtgever sub 2 van en naar de openbare weg ([adres 1]) en van en naar perceel [locatie 2] gaat, dient te verlopen via het perceel [locatie 3] via de vorenbedoelde doorgang over de met letter B aangegeven gemelde strook grond.
Uitdrukkelijk wordt hierbij nog bepaald dat het de volmachtgever sub 2 als ook personen casu quo bedrijven welke namens en/of in opdracht van de volmachtgever sub 2 handelen, niet is toegestaan over de weg te gaan naar en te komen van de [adres 1], welk deel op gemelde tekening is aangeduid met letter A.’
3.5.
Aan deze notariële akte is de volgende situatietekening gehecht:
[Afbeelding]
3.6.
De erfdienstbaarheid heeft betrekking op de weg van [eiser], op de situatietekening de oranje strook aangeduid met letter B.
3.7.
[eiser] en [gedaagde] hebben een geschil over de wijze van uitoefening van de gevestigde erfdienstbaarheid.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert primair om de erfdienstbaarheid op te heffen die ten laste van perceel [locatie 1] en ten behoeve van perceel [locatie 2] is gevestigd en het [gedaagde] te verbieden om zich te begeven op perceel [locatie 1].
4.2.
Subsidiair vordert [eiser] om [gedaagde] te verbieden om zich te begeven op perceel [locatie 1], behoudens voor zover het betreft het gebruik van het weggetje om vanaf perceel [locatie 4] vanaf de bestaande enkelvoudige doorgang te gaan naar perceel [locatie 2], of het gebruik van het weggetje om vanaf perceel [locatie 2] te gaan naar de bestaande enkelvoudige doorgang naar perceel [locatie 4].
4.3.
En zowel primair als subsidiair
- [gedaagde] te veroordelen om binnen een maand na betekening van dit vonnis ter hoogte van de kuilen op perceel [locatie 4] tussen dat perceel en perceel [locatie 1] een sloot en afrastering aan te brengen, met machtiging voor [eiser] om een en ander zelf uit te laten voeren indien ze niet behoorlijk of niet tijdig worden uitgevoerd, op kosten van [gedaagde];
- [gedaagde] te veroordelen om binnen een maand na betekening van dit vonnis het weggetje op perceel [locatie 1] voor zover dat loopt tussen de bestaande enkelvoudige doorgang naar perceel [locatie 4] en perceel [locatie 2] te herstellen en hersteld te houden, met machtiging voor [eiser] om een en ander zelf uit te laten voeren indien ze niet behoorlijk of niet tijdig worden uitgevoerd, op kosten van [gedaagde];
- het [gedaagde] te verbieden om campers te laten plaatsen op de camperplaats, zolang het beplantingsplan niet is uitgevoerd, onder last van een dwangsom; en
- [gedaagde] te veroordelen tot herstel en daaropvolgende instandhouding van de erfafscheiding, onder last van een dwangsom.
4.4.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van [gedaagde].

5.De beoordeling

Opheffing van de erfdienstbaarheid
5.1.
[eiser] stelt dat [gedaagde] handelt alsof de weg van hem is: alsof deze onderdeel is van zijn terrein. Op het moment dat de erfdienstbaarheid werd gevestigd, was de omgang tussen de buren normaal en maakte de vader van [gedaagde] op respectvolle wijze gebruik van [eiser]’ eigendom. Dat [gedaagde] zijn bevoegdheden zo te buiten zou gaan was totaal niet voorzien en op grond daarvan kan van [eiser] niet worden gevergd dat de erfdienstbaarheid in stand blijft.
5.2.
Volgens [gedaagde] wordt het weggetje “gewoon” gebruikt zoals hij en voorheen zijn vader dit al jarenlang doen. Er is dus geen sprake van misbruik van omstandigheden.
5.3.
Op grond van artikel 5:78 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid opheffen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dusdanige aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd.
5.4.
De rechtbank moet dus beoordelen of sprake is van misbruik van omstandigheden. [gedaagde] maakt gebruik van de weg van [eiser] zoals [gedaagde] denkt dat hem – op grond van de erfdienstbaarheid – toekomt. Daarmee is geen sprake van misbruik van omstandigheden, maar van een verschil van mening over de rechten die [gedaagde] heeft op grond van de erfdienstbaarheid. Over dat verschil van inzicht neemt de rechtbank in dit vonnis een beslissing. Van misbruik is geen sprake. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen grond bestaat voor het opheffen van de erfdienstbaarheid.
Het gebruik van de erfdienstbaarheid
5.5.
[eiser] vordert subsidiair om het [gedaagde] te verbieden zich te begeven op perceel [locatie 1], tenzij gebruik wordt gemaakt van het weggetje op dit perceel om vanaf perceel [locatie 4], vanaf de bestaande enkele doorgang te gaan naar perceel [locatie 2], of vanaf perceel [locatie 2] terug te gaan naar de bestaande enkelvoudige doorgang op perceel AF 397. Volgens [eiser] volgt duidelijk uit de akte vestiging erfdienstbaarheid, dat de erfdienstbaarheid slechts op deze wijze gebruikt dient te worden.
5.6.
Volgens [gedaagde] is de erfdienstbaarheid gevestigd tot aan perceel [locatie 2]. Volgens hem maakt het dus niet uit op welk punt van de weg hij afslaat naar zijn terrein. Dit is volgens [gedaagde] door de notaris bevestigd en door [gedaagde] is ook jarenlang gebruik gemaakt van verschillende opgangen; de weg werd al op deze manier gebruikt nog voordat de erfdienstbaarheid in 2016 werd gevestigd.
5.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5:73 lid 1 BW Pro worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de uitoefening bepaald door de akte van vestiging en, als in die akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. In geval van twijfel is de wijze van uitoefening beslissend.
5.8.
Het gaat er in de eerste plaats dus om wat er over de (uitoefening van de) erfdienstbaarheid is bepaald in de ‘akte vestiging erfdienstbaarheid’. Het gaat daarbij om de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebruikte bewoordingen, die naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd.
5.9.
Vast staat dat er een recht van erfdienstbaarheid is ten behoeve van perceel [locatie 2] en ten laste van perceel AF 17. Deze erfdienstbaarheid is in de akte vestiging erfdienstbaarheid opgenomen als volgt:
‘(…)ten laste van het bij de volmachtgever sub 1 in eigendom verblijvend perceel [locatie 1] en ten behoeve van het bij de volmachtgever sub 2 in eigendom verblijvende perceel [locatie 2] een erfdienstbaarheid van weg, uit te oefenen, uitsluitend via de bestaande enkele doorgang, over een strook grond, zoals met letter B is aangegeven op een aan deze akte gehechte situatietekening. (…)’
5.10.
De rechtbank stelt vast dat uit de bewoordingen van de akte volgt dat het gaat om een recht van weg van [gedaagde], uitsluitend bestemd om vanaf de bestaande enkele doorgang, over de weg van [eiser] (welke in de situatietekening is aangeduid met letter B) naar perceel [locatie 2] te gaan. En om vanaf deze weg terug te gaan naar het perceel van [gedaagde], ook weer via de enkele doorgang. Op de situatietekening is door middel van een pijl duidelijk aangegeven wat wordt bedoeld met ‘de enkele doorgang’. Hiermee is de erfdienstbaarheid naar het oordeel van de rechtbank zodanig omschreven dat daaruit de partijbedoeling met betrekking tot de inhoud en de reikwijdte van de erfdienstbaarheid kan worden bepaald.
5.11.
De uitleg van de erfdienstbaarheid volgt naar het oordeel van de rechtbank geheel uit de tekst van de akte, zonder dat er onduidelijkheden zijn die door de plaatselijke gewoonte dienen te worden bepaald. Twijfel is er evenmin, zodat ook de wijze waarop de erfdienstbaarheid is uitgeoefend niet aan de orde is en de omstandigheden die partijen in dit verband hebben aangevoerd geen bespreking behoeven.
5.12.
De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen tot het gebruik van de erfdienstbaarheid zoals subsidiair door [eiser] is gevorderd. Indien [gedaagde] de weg van [eiser] op een andere dan de toegestane wijze gebruikt, moet [gedaagde] bij iedere overtreding een dwangsom van € 500,00 betalen tot een maximum van € 10.000,00.
5.13.
[gedaagde] zal in lijn met het vorengaande ook worden veroordeeld tot het aanbrengen van een sloot en afrastering ter hoogte van de kuilen op perceel [locatie 4] tussen dat perceel en perceel [locatie 1], zodat het niet langer mogelijk is om van zijn weg naar de weg te komen en vice versa. Als [gedaagde] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, zal [eiser] de sloot en afrastering mogen aanleggen op kosten van [gedaagde].
5.14.
[eiser] vraagt de rechtbank ook om het [gedaagde] te verbieden om de vervoermiddelen die [gedaagde] op de weg gebruikt, zodanig te besturen dat de buitenzijde van hun banden meer dan twee meter uit de as van het weggetje terechtkomen. De rechtbank wijst dit onderdeel van het gevorderde af, omdat het voor [gedaagde] niet altijd haalbaar zal zijn om de banden binnen twee meter van de as van het weggetje terecht te laten komen. Daarbij merkt de rechtbank op dat [gedaagde] de schade die mogelijk door zijn gebruik van de weg ontstaat, moet herstellen.
Het herstellen van schade aan de weg
5.15.
[eiser] stelt verder dat zware landbouwvoertuigen van [gedaagde] de weg beschadigen, terwijl de sloot aan de noordzijde steeds wordt “dichtgeduwd” als te zware voertuigen dicht langs de sloot rijden. [eiser] heeft ter onderbouwing diverse foto’s in het geding gebracht en meent dat [gedaagde] deze schade moet herstellen.
5.16.
[gedaagde] voert aan dat hij de sloot dan wel de weg wel degelijk herstelt als er als gevolg van zijn gebruik doorschade ontstaat. Volgens [gedaagde] zijn er ook andere bewoners op achtergelegen percelen die gebruik maken van de weg en schade kunnen veroorzaken. [eiser] laat volgens [gedaagde] na te onderbouwen dat deze schade is ontstaan door gebruik van de weg door hem, [gedaagde].
5.17.
De rechter overweegt als volgt. In de akte van erfdienstbaarheid is bepaald dat schade aan de weg en de aanliggende sloot direct door de eigenaar van het heersende erf moeten worden hersteld. [eiser] heeft – door overlegging van enkele foto’s – voldoende aangetoond dat er schade is ontstaan op de weg: de weg loopt niet meer overal recht en er zijn op verschillende plekken kuilen ontstaan. [eiser] heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] deze schade heeft veroorzaakt, nu [gedaagde] degene is die gebruik maakt van het weggetje voor het verplaatsen van grote landbouwvoertuigen. Dat er anderen zijn die het weggetje van [eiser] ook op deze manier gebruiken, is niet gebleken en dat deze schade is ontstaan door personenauto’s en niet door landbouwvoertuigen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarom moet [gedaagde] de weg van [eiser] herstellen. Als [gedaagde] de weg niet herstelt, mag [eiser] dat op kosten van [gedaagde] doen.
De camperplaatsen en onrechtmatige hinder
5.18.
[eiser] vraagt de rechter ook om [gedaagde] te verbieden campers te (laten) stallen op het erf van [gedaagde], zolang hij niet het door de gemeente opgelegde beplantingsplan naleeft. De voorgeschreven aanvulling met de rododendrons langs het zandpad heeft namelijk niet plaatsgevonden. Doordat [gedaagde] het voorschrift van de omgevingsvergunning niet in acht neemt, overtreedt hij artikel 2.3. Wabo en daarmee handelt hij onrechtmatig jegens [eiser].
5.19.
[gedaagde] voert aan dat hij aan de vergunningsvoorschriften heeft voldaan, waaronder het beplantingsplan. [gedaagde] heeft contact gezocht met de gemeente en die heeft laten weten geen reden te zien om over te gaan tot handhaving.
5.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Er is niet vast komen te staan dat [gedaagde] onrechtmatige hinder toebrengt aan [eiser]. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de camperplaatsen zich niet in het directe zicht van [eiser] bevinden en ook dat er planten bij de erfafscheiding zijn aangebracht. Dat de planten niet volledig volgroeid zijn of dat [eiser] nog een glimp kan opvangen van de camperplaatsen op het erf van [gedaagde], maakt niet dat [gedaagde] onrechtmatige hinder veroorzaakt, zeker niet nu de woning van [eiser] op flinke afstand van de weg staat. De rechtbank zal dit onderdeel van het gevorderde daarom afwijzen.
Herstellen van de erfafscheiding
5.21.
[eiser] vraagt de rechtbank tot slot om [gedaagde] te veroordelen tot het herstel en de daaropvolgende instandhouding van de erfafscheiding op een plek ter hoogte van het blauw gemarkeerde deel van de weg van [eiser]. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] prikkeldraad doorgeknipt zodat hij via de weg zijn opslagplaatsen kan bereiken.
5.22.
[gedaagde] betwist dat hij het prikkeldraad heeft doorgeknipt. [gedaagde] kan de opslag gewoon vanaf zijn eigen zijde/perceel bereiken en heeft daar de weg niet voor nodig. Volgens [gedaagde] heeft hij ook zelf al eens een afrastering geplaatst, die [eiser] op zijn beurt heeft vernield.
5.23.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], is niet vast komen te staan dat hij de erfafscheiding heeft vernield. Daarom zal [gedaagde] ook niet worden veroordeeld tot het herstellen van de erfafscheiding.
Proceskosten
5.24.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 salarispunten × € 653,00)
- nakosten
189,00
Totaal
1.971,45

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verbiedt [gedaagde] zich te begeven op perceel [locatie 1], behoudens voor zover het betreft:
- het gebruik van de weg om vanaf perceel [locatie 4] vanaf de bestaande enkelvoudige doorgang te gaan naar perceel [locatie 2],
en
- het gebruik van de weg om vanaf perceel [locatie 2] te gaan naar de bestaande enkelvoudige doorgang naar perceel [locatie 4],
en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor elke keer dat hij
handelt in strijd met voornoemd verbod met een maximum van € 10.000,00;.
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis ter hoogte
van de kuilen op perceel [locatie 4] tussen dat perceel en perceel [locatie 1]
een sloot en afrastering aan te brengen, zodat het daar niet langer mogelijk is om van dat ene
terrein op het andere te komen, en machtigt [eiser] om die werkzaamheden zelf uit te laten
voeren indien [gedaagde] deze niet behoorlijk of niet tijdig uitvoert, en veroordeelt [gedaagde] op
de voet van artikel 3:299 lid 3 BW Pro de kosten die [eiser] dan voor die werkzaamheden
maakt op vertoon van de facturen voor die werkzaamheden binnen 3 dagen nadat die
facturen aan hem ter kennis zijn gebracht te voldoen;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de weg op
perceel [locatie 1], voor zover die loopt tussen de bestaande enkelvoudige doorgang
naar perceel [locatie 4] en perceel [locatie 2], te herstellen en hersteld te
houden,
- zodat de rechte loop van de weg en de sloot wordt hersteld op de plaats die is afgebeeld op afbeelding 5 van de dagvaarding;
en
- zodat het wegdek wordt opgevuld op plaatsen waar zich waterplassen vormen,
en machtigt [eiser] om dat herstel zelf uit te laten voeren indien dat herstel niet behoorlijk
of niet tijdig wordt uitgevoerd, en veroordeelt [gedaagde] op de voet van
artikel 3:299 lid 3 BW Pro de kosten die [eiser] dan voor die werkzaamheden maakt op vertoon
van de facturen voor die werkzaamheden binnen 3 dagen nadat die facturen aan hem ter
kennis zijn gebracht te voldoen;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.971,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.