ECLI:NL:RBOVE:2026:979

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
12012440 \ CV EXPL 25-2212
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 94 lid 1 RvArt. 96 RvWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter betwist in vordering inzake agrarisch bedrijf en hypotheekdoorhaling

Eisers, kinderen van een overleden vader die samen met hun moeder en gedaagde een agrarisch bedrijf dreven, vorderen onder meer informatie, verantwoording, geldbedragen en doorhaling van een hypotheek van gedaagde. De moeder en vier kinderen zijn erfgenamen volgens testament, waarbij de vader de moeder een klein aandeel toekende en de kinderen gelijke delen.

Eisers startten de procedure bij de kantonrechter, stellende dat deze bevoegd is op grond van artikel 93 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering vanwege de aard en waarde van de vorderingen. Gedaagde betwistte de bevoegdheid en stelde dat de zaak naar de rechtbank moet.

De kantonrechter oordeelt dat zij niet bevoegd is. Partijen zijn niet gezamenlijk overeengekomen dat de kantonrechter de zaak behandelt, zoals vereist in artikel 96 Rv Pro. Daarnaast overschrijdt de totale waarde van de vorderingen de grens van € 25.000,-, waardoor artikel 93 Rv Pro niet van toepassing is. De zaak wordt daarom verwezen naar de kamer voor handelszaken van de rechtbank.

De kantonrechter wijst partijen op de noodzaak van advocaatbijstand in de vervolgprocedure, de verschuldigde griffierechten en de mogelijkheid van vermindering bij onvermogendheid. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissingen.

Uitkomst: De kantonrechter is onbevoegd en verwijst de zaak door naar de kamer voor handelszaken van de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12012440 \ CV EXPL 25-2212
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen: de moeder,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
allen wonende te [woonplaats 2],
eisende partijen in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. H. Abbink,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 3],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R.J.M.H. Orgel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 december 2025 met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van antwoord in het incident met een productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

De bevoegdheid van de kantonrechter
2.1.
De moeder was gehuwd met [erflater] (hierna: de vader). Dit huwelijk is ontbonden door zijn overlijden op [overlijdensdatum] 2014. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren: [gedaagde] en eisers sub 2 tot en met 4 genoemd. In zijn testament heeft de vader de moeder voor 1/100 aandeel en de vier kinderen voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd en daarin is de wettelijke verdeling van toepassing verklaard. De vader en de moeder dreven samen met [gedaagde] een agrarisch bedrijf aan [adres]. Het bedrijf is overgedragen aan [gedaagde].
2.2.
Eisers vorderen in de hoofdzaak samengevat naast het overleggen van informatie, stukken en administratie en het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde] een bedrag van € 10.000,- met wettelijke rente, een bedrag van € 24.000,- met wettelijke rente en een bedrag van € 1.155,- aan buitengerechtelijke kosten van [gedaagde], alsmede dat [gedaagde] zorg draagt voor doorhaling van de hypotheek op de woning.
2.3.
Eisers stellen zich bij dagvaarding op het standpunt dat de kantonrechter op grond van artikel 93 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd is, omdat sprake is van zaken betreffende huur van de woning, zaken van onbepaalde waarde en zaken betreffende vorderingen met een beloop van minder dan € 25.000,-. Zij zijn deze procedure bij de kantonrechter gestart in het gerechtvaardigd vertrouwen dat [gedaagde] er op grond van artikel 96 Rv Pro mee instemt dat de kantonrechter de zaak behandelt.
2.4.
[gedaagde] heeft de bevoegdheid van de kantonrechter bij conclusie van antwoord in conventie betwist. Volgens [gedaagde] is de kantonrechter niet bevoegd en dient de zaak te worden doorverwezen naar de rechtbank.
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat zij onbevoegd is om over de zaak te beslissen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Artikel 96 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) biedt partijen de mogelijkheid om samen de beslissing van de kantonrechter in te roepen. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat indien slechts één van partijen zich tot de kantonrechter wendt voor toepassing van lid 1 van dat artikel, aan haar keuze slechts gevolg gegeven wordt indien de andere partij de kantonrechter bericht dat zij instemt met deze keuze. Nu [gedaagde] hiermee niet instemt is de kantonrechter op deze grond niet bevoegd van de zaak kennis te nemen.
2.6.
Ook op grond van artikel 93 Rv Pro is de kantonrechter niet bevoegd om over de zaak te beslissen. In de kern wordt door eisers aan de vorderingen het onrechtmatig handelen en beschikken over vermogensbestanddelen ten grondslag gelegd, Op grond van artikel 94 lid 1 Rv Pro dient de waarde van de vorderingen bij elkaar te worden opgeteld om het totale beloop van de vorderingen te bepalen. Nu deze tezamen meer bedragen dan € 25.000,- is de kantonrechter niet bevoegd. Dat eisers zich voor een deel van de vorderingen beroepen op een huurovereenkomst maakt dat niet anders.
2.7.
De onderhavige zaak zal daarom verwezen worden naar de kamer voor handelszaken van deze rechtbank.
2.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor handelszaken van deze rechtbank, locatie Almelo, op
25 maart 2026,
3.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure alleen bij advocaat kunnen procederen, advocaten dienen zich te stellen door middel van een zogenaamd
B-formulier, dit geldt ook voor advocaten die op dit moment al als advocaat in de procedure optreden,
3.3.
wijst partijen erop dat de kamer voor handelszaken zal beslissen over de proceskosten in deze procedure, waaronder het door de kantonrechter berekende griffierecht
van € 90,00 voor eisers,
3.4.
wijst eisers erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, te weten € 331,00, dat de verhoging derhalve € 241,00 bedraagt en dat deze verhoging binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort,
3.5.
wijst er op dat ook van [gedaagde] griffierecht zal worden geheven bij verschijnen na verwijzing en dat dit griffierecht € 331,00 bedraagt en binnen vier weken na verschijning moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie moet zijn gestort,
3.6.
wijst [gedaagde] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1º. een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging dan wel
2º. een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging); zie www.rvr.org,
3.7.
draagt de griffier op het procesdossier door te zenden naar de roladministratie van de kamer voor handelszaken van de rechtbank,
3.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.