ECLI:NL:RBOVE:2026:877

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
08.263031.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 RvvArt. 19 RvvArt. 5 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bestuurder vrachtwagen in zaak verkeersongeval met zwaar letsel

Op 7 mei 2025 vond in Dalfsen een verkeersongeval plaats waarbij een 85-jarige fietster ten val kwam en zwaar letsel opliep. Verdachte, bestuurder van een vrachtwagen, werd beschuldigd van roekeloos en onvoorzichtig rijgedrag dat tot het ongeval zou hebben geleid. De officier van justitie stelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig had gereden en daardoor het letsel had veroorzaakt.

Tijdens de terechtzitting op 3 februari 2026 betoogde de verdediging dat het rijgedrag hooguit een overtreding van de Wegenverkeerswet betrof en pleitte voor vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat verdachte de rotonde correct had genomen, voorrang had verleend aan fietsers en niet op de fietsstrook had gereden. Getuigenverklaringen en dossiergegevens konden niet overtuigend aantonen dat verdachte verkeersregels had overtreden of de fietser had geraakt.

De rechtbank achtte het niet bewezen dat verdachte geen voorrang had verleend of gevaar had veroorzaakt. Hoewel het slachtoffer letsel had opgelopen, was onvoldoende duidelijk of dit juridisch als zwaar lichamelijk letsel moest worden aangemerkt. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Zwolle op 17 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van schuld aan het verkeersongeval met zwaar letsel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.263031.25 (P)
Datum vonnis: 17 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. van Leusden, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een vrachtwagen schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor
[slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen (
primair) dan wel dat verdachte door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt (
subsidiair) dan wel dat verdachte geen voorrang heeft verleend waardoor letsel en schade is ontstaan (
meer subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Dalfsen, gemeente Dalfsen, als bestuurder van een
voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), gaande in de richting van Ommen en
daarmede rijdende over de weg, de Welsummerweg(straat),
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of
onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl hij een rotonde naderde, welke rotonde is gevormd door/gelegen op de
kruising van de wegen, de Welsummerweg(straat) met de Rondweg en/of
terwijl bij het verlaten van de rotonde om de Welsummerweg te vervolgen, het
fietspad samen komt met de weg de Welsummerweg en/of
terwijl zich een bestuurster van een fiets rechts naast, dan wel dicht achter,
verdachte bevond en/of deze fietsster al enige tijd zichtbaar was toen zij rechts van
verdachte aan kwam rijden,
- bij het verlaten van de rotonde naar rechts is afgeslagen teneinde de
Welsummerweg op te rijden en/of
- zich er (door af te slaan gedurende de voornoemde belemmering van zijn zicht)
niet of onvoldoende van heeft vergewist, dan wel zichzelf niet voldoende of
onvoldoende in staat heeft gesteld om te kunnen vergewissen, of de door hem
bereden weg (de Welsummerweg) vrij was van enig verkeer en/of
- ( daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van Pro het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dezelfde weg rijdende bestuurster van
een fiets, die zich rechts naast, dan wel dicht achter hem, verdachte, bevond, niet
voor heeft laten gaan en/of niet ongehinderd haar weg laat vervolgen en/of bij het
naderen en/of inhalen van een voor hem, verdachte, rijdende fietsster onvoldoende
naar links is uitgeweken en/of onvoldoende afstand heeft gehouden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement, niet de snelheid
van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot
stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de Welsummerweg kon
overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, voornoemde fiets en/of de
bestuurster van deze fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val
is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar
lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Dalfsen, gemeente Dalfsen, als bestuurder van een
voertuig (bedrijfsauto, vrachtwagen), gaande in de richting van Ommen en
daarmede rijdende over de weg, de Welsummerweg(straat),
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl hij een rotonde naderde, welke rotonde is gevormd door/gelegen op de
kruising van de wegen, de Welsummerweg(straat) met de Rondweg en/of
terwijl bij het verlaten van de rotonde om de Welsummerweg te vervolgen, het
fietspad samen komt met de weg de Welsummerweg en/of
terwijl zich een bestuurster van een fiets rechts naast, dan wel dicht achter,
verdachte bevond en/of deze fietsster al enige tijd zichtbaar was toen zij rechts van
verdachte aan kwam rijden,
- bij het verlaten van de rotonde naar rechts is afgeslagen teneinde de
Welsummerweg op te rijden en/of
- zich er (door af te slaan gedurende de voornoemde belemmering van zijn zicht)
niet of onvoldoende van heeft vergewist, dan wel zichzelf niet voldoende of
onvoldoende in staat heeft gesteld om te kunnen vergewissen, of de door hem
bereden weg (de Welsummerweg) vrij was van enig verkeer en/of
- ( daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van Pro het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 een op dezelfde weg rijdende bestuurster van
een fiets, die zich rechts naast, dan wel dicht achter hem, verdachte, bevond, niet
voor heeft laten gaan en/of niet ongehinderd haar weg laat vervolgen en/of bij het
naderen en/of inhalen van een voor hem, verdachte, rijdende fietsster onvoldoende
naar links is uitgeweken en/of onvoldoende afstand heeft gehouden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van Pro voormeld reglement, niet de snelheid
van dat door hem bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) zodanig heeft
geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtwagen) tot
stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de Welsummerweg kon
overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met, voornoemde fiets en/of de
bestuurster van deze fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val
is gekomen,
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Dalfsen als bestuurder van een
bedrijfsauto, vrachtwagen op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,
Welsummerweg, bij het naar rechts afslaan, teneinde de Welsummerweg te rijden,
een bestuurster van een fiets, die op dezelfde weg zich naast, althans zich rechts
dicht achter hem bevond, niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is
ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

3.Vrijspraak

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het gedachtestreepje dat ziet op overtreding van artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: Rvv). Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden waardoor [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit, zoals neergelegd in de door hem overgelegde pleitnota. Het rijgedrag van verdachte kan volgens de raadsman worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994, zoals subsidiair is ten laste gelegd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat verdachte op 7 mei 2025 omstreeks 13:50 uur als bestuurder van een vrachtwagen op de Rondweg in Dalfsen rijdt. Verdachte rijdt de rotonde gelegen op de Rondweg op, rijdt deze rotonde driekwart over en slaat af in de richting van de Welsummerweg. Bij het verlaten van de rotonde staat hij met zijn vrachtwagen stil om voorrang te verlenen aan enkele fietsers op het fietspad. Verdachte trekt vervolgens weer op en komt met zijn vrachtwagen op de Welsummerweg te rijden.
Omstreeks dat moment fietst de 85-jarige [slachtoffer] op haar elektrische fiets op het vrijliggende fietspad naast de Rondweg, vanuit de richting van de Vechtdijk. Zij houdt rechts aan bij de rotonde en komt op het fietspad naast de Welsummerweg te rijden. Dit fietspad is eerst enkele meters door middel van een groenstrook gescheiden van de rijbaan, waarna het fietspad geleidelijk samenkomt met de rijbaan voor het overige verkeer. De fietsstrook is aangeduid met een rode markering op het wegdek. De rijbaan van de Welsummerweg, inclusief de fietsstroken aan beide zijden, betreft een relatief smalle rijbaan en is bestemd voor verkeer in beide rijrichtingen.
Vaststaat dat verdachte en [slachtoffer] op enig moment naast elkaar op de Welsummerweg rijden en dat [slachtoffer], terwijl zij op het fietspad naast de vrachtwagen van verdachte rijdt, ten val komt.
Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de vrachtwagen van verdachte op enig moment op de betreffende fietsstrook heeft gereden. Dragend voor dat oordeel is het navolgende.
Getuige [getuige], die als voetganger op het voetpad naast de Welsummerweg loopt, verklaart dat de vrachtwagen van verdachte op de fietsstrook heeft gereden. Verdachte zelf verklaart dat hij niet aan de kant hoefde voor tegenliggend verkeer, omdat de eerstvolgende tegenligger op de Welsummerweg nog op geruime afstand van hem reed. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt ook niet dat verdachte op (een deel van) de fietsstrook reed.
Uit het dossier is evenmin op te maken dat verdachte met zijn vrachtwagen de fiets van [slachtoffer] heeft geraakt. Verdachte verklaart dat hij [slachtoffer], terwijl zij naast de vrachtwagen fietste, zag slingeren met haar fiets. Ook getuige [getuige] verklaart dat hij [slachtoffer] uitwijkmanoeuvres zag maken.
Verdachte verklaart voorts dat hij direct na de val van [slachtoffer] naar rechts heeft gestuurd om te stoppen en dat dit de reden is dat zijn vrachtwagen (pas na het ongeval) op het fietspad is gekomen zoals uit de foto’s in het dossier is te zien.
De rechtbank acht het daarom niet ondenkbaar dat [slachtoffer] door het maken van deze bewegingen – op de erg smalle rijbaan – in aanraking is gekomen met de vrachtwagen van verdachte, waardoor zij ten val is gekomen
Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte op de fietsstrook heeft gereden, kan de rechtbank (ook) niet vaststellen dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] dan wel dat verdachte haar niet ongehinderd haar weg heeft laten vervolgen. Een overtreding van artikel 18 Rvv Pro acht de rechtbank daarom niet wettig en overtuigend bewezen. Een overtreding van artikel 19 Rvv Pro acht de rechtbank, net zoals de officier van justitie, ook niet wettig en overtuigend bewezen. Dit alles betekent dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank overweegt tot slot nog het volgende. Vaststaat dat [slachtoffer] als gevolg van haar val letsel heeft opgelopen, te weten meerdere huidverwondingen en een complexe breuk van de linker pols. Hoewel de rechtbank gelet op het voorgaande niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of dit letsel (in juridische zin) moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel of letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, acht de rechtbank zich – op basis van het dossier zoals deze aan de rechtbank voorligt – hiertoe ook onvoldoende voorgelicht. [1]

4.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. R.P. van Campen en
mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Mr. Van Campen niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 januari 2026, ECLI:HR:2026:66 r.o. 2.4.8