ECLI:NL:RBOVE:2026:861

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
08.287769.25; 08.005094.26; 08.006003.26 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige handel en bezit van cocaïne, heroïne en hasjiesj

De rechtbank Overijssel heeft verdachte schuldig bevonden aan meerdere feiten van handel en bezit van verdovende middelen, waaronder cocaïne, heroïne en hasjiesj, gepleegd in Zwolle tussen juli en oktober 2025. De feiten betroffen onder meer het gezamenlijk en alleen verkopen, afleveren en voorbereiden van handel in deze drugs.

De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van gebruikers, observaties van verbalisanten via live camerabeelden, inbeslagname van drugs, telefoons en contant geld, en forensisch onderzoek. Verdachte werd herhaaldelijk gezien in contact met medeverdachte en afnemers, waarbij drugs werden overgedragen volgens gebruikelijke handelswijzen. Verdachte gebruikte meerdere aliassen en telefoonnummers die in de verklaringen en telefoongegevens terugkwamen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was in de handel met medeverdachte en dat de handel een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Verdachte had een strafblad met soortgelijke feiten en toonde geen bereidheid tot reclasseringscontact. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden op, met aftrek van voorarrest, en verklaarde inbeslaggenomen geld en een telefoon verbeurd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het handelen in GHB wegens gebrek aan bewijs. De straf is passend geacht gezien de ernst, recidive en maatschappelijke impact van de feiten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor meervoudige handel en bezit van cocaïne, heroïne en hasjiesj.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 08.287769.25; 08.005094.26; 08.006003.26 (P)
Datum vonnis: 17 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] ,
nu verblijvende in de P.I. [locatie] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. de Haan, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank het onder parketnummer 08-006003-26 ten laste gelegde nummeren als feiten 1 tot en met 3, het onder parketnummer 08-005094-26 ten laste gelegde als feit 4 en het onder parketnummer 08-287769-25 ten laste gelegde als feiten 5 en 6.
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:op 12 juli 2025 al dan niet samen met anderen heeft gehandeld in cocaïne;
feit 2:op 12 juli 2025 95 gram hasjiesj voorhanden heeft gehad;
feit 3:op 12 juli 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de handel in cocaïne;
feit 4:op 26 augustus 2025 al dan niet samen met anderen heeft gehandeld in cocaïne;
feit 5:in de periode van 26 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 heeft gehandeld in cocaïne, heroïne en GHB;
feit 6:op 28 oktober 2025 61,3 gram cocaïne en 3,46 gram heroïne voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op één of meer tijstippen in of omstreeks 12 juli 2025 te Zwolle
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens)
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Zwolle
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 95 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van
een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen
van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 12 juli 2025 te Zwolle
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde
lid van de Opiumwet
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had
om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door een of meerdere zogenoemde tipje(s) met een telefoonnumer waarop
verdachte (telefonisch) te bereiken was bij zich te hebben en/of meerdere
zogenoemde wikkels/verpakking(en) met drugs bij zich te hebben en/of een
hoeveelheid geld (ongeveer € 750,-) en/of een of meerdere telefoon(s) bij zich te
hebben;
4
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 26 augustus 2025 te Zwolle
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk meermalen, althans éénmaal
heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5
hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 te
Zwolle, althans in Nederland
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB,
zijnde cocaïne en/of heroïne en/of GHB
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
6
hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Zwolle
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 61,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne en/of
ongeveer 3,46 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met uitzondering van het handelen in GHB zoals ten laste gelegd onder feit 5.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Het onder 2, 5 en 6 ten laste gelegde kan volgens de raadsman wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat ten aanzien van feit 6 kan worden bewezen dat verdachte op 28 oktober 2025 heeft gehandeld in cocaïne en heroïne, zodat verdachte van het overige partieel dient te worden vrijgesproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
De feiten van 12 juli 2025 (feiten 1 tot en met 3)
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [1]
Op 12 juli 2025 omstreeks 22:00 uur ziet een verbalisant op live camerabeelden van het Potgieterpark in Zwolle dat een groep personen aanwezig is op een hen ambtshalve bekende overlastlocatie in het park. Dit betreft de locatie nabij het grote speeltoestel, de trappen en de bosschages. Tussen deze groep personen bevinden zich onder andere verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). De verbalisant ziet dat [medeverdachte] constant heen en weer loopt tussen de trappen en de bosschages. [2]
Verbalisanten zien dat de voor hen bekende drugsgebruiker [naam 1] (hierna: [naam 1]) naar de groep loopt en achter verdachte gaat staan. [naam 1] loopt vervolgens met [medeverdachte] de bosschages in. Nadat [naam 1] via de andere zijde van de bosschages het park heeft verlaten, wordt hij door verbalisanten staande gehouden. [naam 1] haalt een wikkel met een witte brokkelige substantie uit zijn broekzak en verklaart dat hij zojuist in het park een halfje cocaïne voor € 25,00 heeft gekocht bij een jongen genaamd ‘[alias 1]’. Het is verbalisanten bekend dat [medeverdachte] ook wel ‘[alias 1]’ wordt genoemd. Op de vraag hoe hij contact opneemt met zijn dealer, verklaart [naam 1] dat hij belt met ‘[alias 2]’. ‘[alias 2]’ wordt ook wel ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd en is de hoofddealer. Het telefoonnummer van [verdachte] ([telefoonnummer 1]) staat in zijn telefoon opgeslagen onder de naam ‘[alias 3]’. Toen [naam 1] vandaag met [verdachte] belde, zei [verdachte] tegen hem dat hij naar het park kon komen. Eenmaal in het park aangekomen, moest [naam 1] wachten bij de muur in de bosjes. Nadat [naam 1] € 25,00 aan ‘[alias 1]’ had gegeven, liep ‘[alias 1]’ weg uit de bosjes en kwam hij terug met een halve bol cocaïne. Op de vraag waar [verdachte] de drugs bewaart, verklaart [naam 1] dat de drugs in de bosjes nabij de muur worden gelegd of worden verstopt in de voegen van de muur of onder bladeren en zand. [3]
Ongeveer tien minuten later zien verbalisanten dat [medeverdachte] in de richting van de Sassenpoorterbrug loopt en dat hij contact maakt met een man met een fiets. De man met de fiets betreft [naam 2] (hierna: [naam 2]). Verbalisanten zien dat er een overdracht plaatsvindt tussen [medeverdachte] en [naam 2]. [medeverdachte] loopt terug het park in en [naam 2] wordt door verbalisanten staande gehouden. [naam 2] verklaart dat hij voor tien euro aan cocaïne heeft gekocht en laat in zijn telefoon een telefoonnummer ([telefoonnummer 2]) zien dat opgeslagen staat onder de naam ‘[alias 4]’. [naam 2] verklaart dat deze ‘[alias 4]’ de eigenlijke leverancier is van de drugs en zich altijd ophoudt bij de trappen in het Potgieterpark. Deze persoon wordt ook wel ‘[alias 4]’ genoemd. [naam 2] verklaart dat ‘[alias 4]’ drugs geeft aan drie of vier anderen en dat deze personen de drugs doorgeven aan gebruikers. De drugs worden ’s ochtends al in het park verstopt, in de bosjes en in de gaten van de nabijgelegen muur. Door middel van Google maps laat [naam 2] zien waar deze plek zich precies bevindt. Verbalisanten zien dat dit de plek is waar de dealers zich in het park ophouden. [4]
In de bosschages in het park, boven op een muurtje aldaar, wordt door de politie een rond wit bakje met daarin twee bolletjes aangetroffen. Het bakje ligt onder een steen. [5] Uit onderzoek volgt dat de wit gekleurde poeder in de bolletjes 0,37 gram cocaïne betreft. [6]
Op de fatbike van verdachte is op het frame een fietstasje aangetroffen, dat iets openstond. Verbalisant ziet daarin een klein plastic tasje liggen waarin een rechthoekig bruinkleurig blok omwikkeld in doorzichtig folie zat. De verbalisant constateerde op basis van zijn kennis en ervaring dat het hasjiesj betreft. In totaal betrof het 95 gram. [7]
Verdachte wordt aangehouden in het Potgieterpark. Tijdens zijn aanhouding wordt een mobiele telefoon, die bij zijn voeten ligt, in beslag genomen. Een omstander ([getuige]) verklaart tegenover een verbalisant dat dit de telefoon van ‘[alias 4]’ is. [8] De omschrijving die verdachte in zijn politieverhoor geeft van zijn telefoon, komt ook overeen met de in beslag genomen telefoon. [9] Als verbalisanten naar het nummer bellen dat in de telefoon van [naam 1] staat opgeslagen onder de naam ‘[alias 3]’, zien verbalisanten dat de in beslag genomen telefoon overgaat. [10] In het nektasje van verdachte wordt nog een tweede telefoon en een geldbedrag van € 755,00 in contanten (briefgeld) aangetroffen. [11]
[medeverdachte] wordt ook aangehouden. Bij hem wordt een geldbedrag van € 170,00 in contanten (briefgeld) aangetroffen. [12]
Verdachte heeft verklaard dat hij ook wel ‘[alias 4]’, ‘[alias 2]’ of ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd. [13]
Ten aanzien van feit 1
Uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] volgt dat zij cocaïne hebben gekocht bij een persoon genaamd ‘[alias 4]’, ‘[alias 2]’ of [verdachte] ’ en dat diegene in hun telefoon staat opgeslagen onder de naam ‘[alias 3]’ of ‘[alias 4]’. Verdachte heeft verklaard dat hij ook wel ‘[alias 4]’, ‘[alias 2]’ of ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd. Daarnaast behoort het telefoonnummer dat bij [naam 1] staat opgeslagen onder de naam ‘[alias 3]’ bij de telefoon die verdachte in het park bij zich had. [naam 1] en [naam 2] verklaren verder gelijkluidend over de werkwijze van verdachte en hun verklaringen vinden ten aanzien daarvan steun in de andere bewijsmiddelen, zoals hiervoor vermeld.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat verdachte op 12 juli 2025 opzettelijk cocaïne heeft gedeald in het Potgieterpark in Zwolle.
Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat verdachte samen met een ander, te weten [medeverdachte], drugs heeft gedeald. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte degene was die de cocaïne beheerde en door afnemers (telefonisch) werd benaderd voor de verkoop van cocaïne. [medeverdachte] werd door verdachte ingezet als ‘loopjongen’ en bracht de cocaïne naar de afnemers en nam het geld van afnemers in ontvangst. Het voorgaande maakt dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte], dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van medeplegen.
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 juli 2025 opzettelijk een hoeveelheid van 95 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad, zoals ten laste gelegd onder feit 2. Verdachte heeft dit feit bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal dan ook – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
Het proces-verbaal van bevindingen van 13 juli 2025 van verbalisant [verbalisant 1], pagina 25 en 26.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat verdachte op 12 juli 2025 voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de handel in cocaïne. Onder verdachte is een hoeveelheid contant geld (€ 755,00) en zijn twee mobiele telefoons in beslag genomen. Daarnaast zijn er meerdere bolletjes dan wel wikkels met cocaïne aangetroffen, waarvan op basis van het hiervoor (bij feit 1) overwogene vaststaat dat deze zijn verkocht door verdachte dan wel dat deze bestemd waren voor de verkoop door verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat deze bij verdachte aangetroffen voorwerpen niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat zij dienden als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De goederen passen naadloos bij de handel in de verdovende middelen die (eveneens) bij verdachte zijn aangetroffen. De verklaring van verdachte dat hij het geldbedrag heeft gekregen van zijn zus, acht de rechtbank niet geloofwaardig.
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen. Het dossier bevat geen bewijs voor het voorhanden hebben van tipjes met het telefoonnummer van verdachte, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.
3.3.2
Het feit van 26 augustus 2025 (feit 4)
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [14]
Op 26 augustus 2025 houden verbalisanten toezicht in het park ‘Eekhout’ in Zwolle. Dit betreft een overlastlocatie waarvan bekend is dat hier veel wordt gehandeld in harddrugs. Het is verbalisanten bekend dat de drugs vaak op de grond worden gegooid door de dealer, waarna de gebruiker het van de grond oppakt. De drugs worden vaak verstopt in de bosschages nabij de hangplek.
Verbalisanten zien dat verdachte en [medeverdachte] in het park aanwezig zijn. Ze zien
dat verdachte een aantal keren naar de bosschages loopt, naast een boom bukt en weer terugloopt naar het midden van het park. Verdachte gaat op de grond liggen. [medeverdachte] staat naast hem.
Verbalisanten zien dat verdachte en [medeverdachte] achtereenvolgens, telkens met een paar minuten ertussen, worden benaderd door verschillende personen.
Allereerst zien verbalisanten twee personen, van wie het verbalisanten bekend is dat het gebruikers zijn, naar verdachte en [medeverdachte] toe fietsen. [medeverdachte] loopt richting de bosschages, is even uit beeld en loopt daarna weer terug. Hij heeft vervolgens kort handcontact met een van de gebruikers. Verbalisanten zien dat [medeverdachte] bezig is met een klein plastic zakje en vervolgens een kleine handbeweging maakt alsof hij wat op de grond gooit. De gebruiker bukt en pakt iets van de grond op de plek waar [medeverdachte] iets op de grond gooide. De gebruiker fietst daarna weg. [medeverdachte] legt vervolgens een biljet op de grond naast verdachte neer.
Een paar minuten later zien verbalisanten de voor hen bekende ‘[naam 3]’ naar verdachte toe fietsen. Verbalisanten zien dat verdachte iets uit zijn linker broekzak pakt en dat verdachte en [naam 3] ongeveer zes seconden contact met elkaar hebben. Direct daarna verlaat [naam 3] het park.
Wederom een paar minuten later zien verbalisanten een man op een scootmobiel naar verdachte rijden. Verbalisanten zien dat de man geld geeft aan verdachte. Verdachte kijkt daarbij om zich heen en is zeer alert. Verdachte laat vervolgens met zijn duim en wijsvinger iets in de open hand van de man vallen. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat een klein bolletje met harddrugs veelal op deze manier wordt overgedragen. Daarna verlaat de man het park.
Vervolgens zien verbalisanten een man op een damesfiets naar verdachte fietsen. Verbalisanten zien dat er drie keer een overdracht plaatsvindt tussen verdachte en de man, waarbij de man (in ieder geval) twee keer geld geeft aan verdachte en verdachte (in ieder geval) één keer een klein gripzakje aan de man overhandigt. In de tussentijd is verdachte in een doorzichtige plastic tas aan het graaien. Het is verbalisanten bekend dat bolletjes cocaïne worden bewaard in een dergelijke plastic tas.
Terwijl verdachte contact heeft met de man op de damesfiets, komt een voor verbalisanten ambtshalve bekende dealer naar verdachte toelopen. Verbalisanten zien dat de man iets naast verdachte neerlegt en dat verdachte voornoemde plastic zak op de grond naast de dealer gooit. De dealer pakt de zak van de grond op en loopt hiermee weg. [15]
Verdachte en [medeverdachte] worden vervolgens aangehouden. Tijdens zijn insluiting haalt [medeverdachte] een gripzakje met vier bolletjes uit zijn onderbroek. [16] Uit onderzoek volgt dat de wit gekleurde poeder in de bolletjes 0,76 gram cocaïne betreft. [17]
Ten aanzien van feit 4
Uit de waarnemingen van de verbalisanten volgt dat verdachte en [medeverdachte] in het park meerdere korte ontmoetingen hebben met verschillende personen en dat bij elk van deze ontmoetingen sprake is van een overdracht tussen verdachte (of [medeverdachte]) en de afnemer. De wijze waarop dit gebeurt, is gebruikelijk voor het overdragen van drugs, zoals het gooien van een zakje drugs op de grond of het laten vallen van het zakje drugs in de hand van de afnemer. Bij [medeverdachte] worden bovendien bolletjes cocaïne aangetroffen.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat verdachte op 26 augustus 2025 opzettelijk cocaïne heeft gedeald in Zwolle.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat verdachte samen met een ander, te weten [medeverdachte], drugs heeft gedeald. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] namens verdachte drugs aflevert bij een afnemer en dat hij het geld namens verdachte in ontvangst neemt. Dit maakt dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte], dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van medeplegen.
De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen.
3.3.3
De feiten van 26 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 (feiten 5 en 6)
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. [18]
Op 28 oktober 2025 om 09:10 uur ziet een verbalisant verdachte in het Wezenlandenpark fietsen. Ze ziet dat verdachte naar een bosje loopt en dat hij vijf seconden later wordt gevolgd door twee, zoals door verbalisanten omschreven, ‘junkachtige types’. Ze lopen vervolgens met zijn drieën verder de bosjes in. Na enkele minuten lopen ze de bosjes weer uit, waarna verdachte wegfietst in de richting van de skatebaan. Eén van de junkachtige types (‘junk 2’) blijft in de buurt van de bosjes staan. Ongeveer twintig minuten later ziet de verbalisant dat verdachte terugkomt en met ‘junk 2’ in hetzelfde bosje gaat staan en dat zij wat ‘rommelen’.
Omstreeks 09:43 uur ziet de verbalisant de voor haar ambtshalve bekende drugsgebruiker [naam 4] (hierna: [naam 4]) aan komen fietsen. Ze ziet dat [naam 4] het bosje in loopt waarin op dat moment verdachte en ‘junk 2’ staan. Binnen een minuut komt [naam 4] het bosje weer uit lopen en fietst hij weg. Verdachte en [naam 4] worden aangehouden. Ook wordt ‘junk 2’, wie [naam 5] blijkt te zijn, gecontroleerd. [19]
Bij [naam 4] worden in de linker borstzak twee bolletjes aangetroffen, te weten een roze bolletje met een witte substantie en een bruin bolletje. [20] [naam 4] verklaart dat hij voor twintig euro een bolletje wit (cocaïne) en een bolletje bruin (heroïne) heeft gekocht bij [verdachte] . Hij verklaart dat hij via de mobiele telefoon in contact komt met [verdachte] . [21]
Bij [naam 5] wordt in de linker jaszak een wit bolletje aangetroffen. [naam 5] verklaart dat het bolletje gevuld is met cocaïne. In de telefoon van [naam 5] zien verbalisanten dat [naam 5] op 28 oktober 2025 om 08:34 uur en om 08:59 uur heeft gebeld met ‘[alias 4]’. Ook zien zij een gesprek met ‘[alias 4]’ waarin onder andere het volgende bericht van 26 oktober 2025 staat:
‘Bel mij vanaf NU op mijn nieuwe nummer. [alias 4]’. [22]
Tijdens de insluitingsfouillering van verdachte wordt bij verdachte een boterhamzakje met verschillende kleine bolletjes aangetroffen. In het boterhamzakje worden in totaal 179 bolletjes aangetroffen. [23] Uit onderzoek volgt dat deze bolletjes gezamenlijk een hoeveelheid van 61,3 gram cocaïne en 3,46 gram heroïne bevatten. [24]
Ook worden onder verdachte drie mobiele telefoons en een contant geldbedrag van 215,30 in beslag genomen. [25]
De telefoons van verdachte zijn onderzocht en uit onderzoek aan één van de mobiele telefoons (een Samsung Galaxy A16) volgt dat verdachte op 26 oktober 2025 naar meer dan honderd verschillende telefoonnummers stuurt:
‘Bel mij vanaf NU op mijn nieuwe nummer! [alias 4]’. Ook ontvangt verdachte op 26 oktober 2025 het bericht
‘Oké die van gisteren was niet best kookte niet schoon bleef een witte stuk over terwijl de rest allang olie was gemixt’en op 27 oktober 2025 de berichten ‘
Hoi [alias 4] al wakker? Ik heb niet kunnen slapen maar kan je bij mij langs komen om nog een bolletje te brengen?’. [26]
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij ook wel ‘[alias 4]’ wordt genoemd. [27]
Ten aanzien van feit 5
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 28 oktober 2025 cocaïne en heroïne bij zich had, maar ontkent dat hij de drugs heeft verkocht. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij wel tegen betaling van € 10,00 drugs heeft gegeven aan een medegebruiker. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [naam 5] en [naam 4] op 28 oktober 2025 cocaïne en heroïne van verdachte hebben gekocht. Op basis van de berichten die zijn aangetroffen in de Samsung-telefoon van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte zich – in ieder geval – vanaf 26 oktober 2025 bezig hield met de handel in harddrugs.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat verdachte omstreeks de periode van 26 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 opzettelijk cocaïne en heroïne heeft gedeald in Zwolle. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte partieel zal worden vrijgesproken voor het handelen in GHB nu de rechtbank daarvoor – met de officier van justitie en de verdediging –geen wettig bewijs ziet.
Ten aanzien van feit 6
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 oktober 2025 opzettelijk een hoeveelheid van 61,3 gram cocaïne en een hoeveelheid van 3,46 gram heroïne aanwezig heeft gehad, zoals ten laste gelegd onder feit 6. Verdachte heeft dit feit bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal dan ook – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv – ten aanzien van dit feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 28 oktober 2025 (pagina 14).
Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 29 oktober 2025 (pagina 59 tot en met 68), inclusief de rapportages van NFiDENT als bijlagen (pagina 141 tot en met 146).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 12 juli 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens
opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij op 12 juli 2025 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 95 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3
hij op 12 juli 2025 te Zwolle om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk, verkopen, afleveren,
verstrekken van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door meerdere zogenoemde wikkels/verpakking(en) met drugs bij zich te hebben en een hoeveelheid geld (ongeveer
€ 750,-) en een of meerdere telefoons bij zich te hebben;
feit 4
hij op 26 augustus 2025 te Zwolle tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meermalen heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 5
hij omstreeks de periode van 26 oktober 2025 tot en met 28 oktober 2025 te Zwolle, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 6
hij op 28 oktober 2025 te Zwolle opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 61,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 3,46 gram van een materiaal bevattende
heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 3, 10, 10a en 11 van de Opiumwet en artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1, feit 4
telkens het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 5
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 6
het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht te volstaan met een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden. Daarnaast kan eventueel een fors voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd.
6.3
De gronden voor een straf
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode meermalen schuldig gemaakt aan het (samen met een ander) dealen in cocaïne en heroïne en het voorbereiden van de handel in cocaïne. Ook heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid hard- en softdrugs, te weten cocaïne, heroïne en hasjiesj, in zijn bezit gehad. Het is algemeen bekend dat drugs, waaronder cocaïne en heroïne in het bijzonder, een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid en zeer verslavend zijn. Bovendien zorgt de handel in harddrugs voor veel schade en overlast in de maatschappij. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en kennelijk alleen eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 23 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden zeer veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke drugsfeiten en dat hij hiervoor reeds jarenlang in detentie heeft doorgebracht. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is in verband met een tweetal in 2025 opgelegde strafbeschikkingen (geldboetes).
Uit het reclasseringsadvies van 29 oktober 2025, die door de reclassering is opgemaakt ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris, volgt dat verdachte niet in gesprek wil met de reclassering. De reclassering kan daarom geen delictgerelateerde factoren vaststellen en geen inschatting maken van het recidiverisico. De reclassering beschrijft dat verdachte staat geregistreerd als veelpleger en in die hoedanigheid wordt besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis IJsselland. Het laatste reclasseringstoezicht dat aan verdachte in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling was opgelegd, is in 2024 negatief beëindigd. Gelet op het voorgaande ziet de reclassering geen mogelijkheden voor interventies binnen een strafrechtelijk kader.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Gelet op de ernst en veelvoud van de feiten en de recidive, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf ziet de rechtbank geen grond. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.
6.4
De in beslag genomen voorwerpen
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten het geldbedrag van € 755,00, het geldbedrag van € 215,30 en de Samsung Galaxy A16, verbeurd moeten worden verklaard.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.
De rechtbank is van oordeel dat in beslag genomen geldbedragen van € 755,00 en € 215,30 verbeurd moeten worden verklaard, omdat verdachte deze geldbedragen geheel of gedeeltelijk uit de baten van de onder 1 en 5 bewezen verklaarde misdrijven heeft verkregen. Hetzelfde geldt voor de in beslag genomen Samsung Galaxy telefoon (met goednummer 3564748), nu verdachte het onder 5 bewezen verklaarde misdrijf heeft begaan met behulp van deze telefoon.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 33, 33a, 57 en 62 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, feit 4, telkens het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2, het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3, het misdrijf:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen, gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 5, het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 6, het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
  • het geldbedrag van € 755,00;
  • het geldbedrag van € 215,30;
  • de Samsung Galaxy telefoon (met goednummer 3564748).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.M. Fluttert, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Mr. Van Campen niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025332176. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 13 juli 2025 (pagina 11).
3.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] van 13 juli 2025 (pagina 38 en 39); het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 13 juli 2025 (pagina 48).
4.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 13 juli 2025 (pagina 12); het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] van 13 juli 2025 (pagina 19 en 20);
5.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 10] van 13 juli 2025 (pagina 15).
6.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 25 september 2025 (pagina 104 tot en met 106).
7.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 13 juli 2025 (pagina 25 en 26).
8.Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 13 juli 2025 (pagina 25).
9.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] van 13 juli 2025 (pagina 35).
10.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] van 13 juli 2025 (pagina 39).
11.Het proces-verbaal van aanhouding betreffende [verdachte] van 13 juli 2025 (pagina 56).
12.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] van 13 juli 2025 (pagina 39).
13.Het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte; het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 13 juli 2025 (pagina 68).
14.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025410372. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
15.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] van 26 augustus 2025 (pagina 28 en 29).
16.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 14] van 26 augustus 2025 (pagina 27).
17.Een schriftelijk bescheid, te weten het onderzoeksrapport van eurofins van 5 december 2025, opgesteld door dr. M.A. Hoitink (pagina 63).
18.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025524349. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde
19.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] van 28 oktober 2025 (pagina 37).
20.Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [naam 4] van 28 oktober 2025 (pagina 102).
21.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] van 28 oktober 2025 (pagina 107 en 108).
22.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15], [verbalisant 17], [verbalisant 18] en [verbalisant 19] van 28 oktober 2025 (pagina 18 en 19).
23.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 28 oktober 2025 (pagina 14)
24.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van 29 oktober 2025 (pagina 59 tot en met 68), inclusief de rapportages van NFiDENT als bijlagen (pagina 141 tot en met 146).
25.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 28 oktober 2025 (pagina 14 en 15); de kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing van 31 oktober 2025 (pagina 122).
26.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 20] van 4 december 2025 (pagina 46 en 47).
27.Het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.