De minderjarigen waren sinds juni 2025 geplaatst in een gezinshuis, waar ernstige zorgen ontstonden over de kwaliteit van zorg en het gedrag van de kinderen. De gezinshuisouders weigerden ondersteuning en namen eenzijdige beslissingen, wat leidde tot escalatie en onhoudbaarheid van de situatie. De gecertificeerde instelling (GI) besloot daarom tot een versnelde terugplaatsing bij de ouders met intensieve hulpverlening.
De raad voor de kinderbescherming toetste dit besluit achteraf en stemde in met het niet langer handhaven van de machtiging tot uithuisplaatsing. Hoewel er twijfels zijn over de thuissituatie, is er zicht op de kinderen en regie vanuit de jeugdbeschermers, met instemming van de ouders voor hulpverlening. De raad benadrukte de noodzaak van een alternatief plan indien de thuissituatie onvoldoende veilig blijkt.
De kinderrechter erkent de forse zorgen uit het verleden over de opvoedsituatie en conflicten tussen ouders, maar constateert dat er nu zicht en regie is op de ontwikkeling van de kinderen. De ouders werken via hulpverlening aan hun problemen en de situatie lijkt rustiger. Gezien het niet langer handhaven van het verzoek door de GI wijst de kinderrechter de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af voor de resterende duur.