ECLI:NL:RBOVE:2026:817

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
11827630 \ CV EXPL 25-2326
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Wilmink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering betaling factuur en incassokosten toegewezen

Eiser heeft een vordering ingesteld tegen gedaagde wegens niet-betaling van een factuur van €242 inclusief btw voor een transportopdracht. Gedaagde erkende de hoofdsom en betaalde deze na dagvaarding, maar weigerde aanvankelijk de bijkomende incassokosten en rente te voldoen.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde ondanks herhaalde betalingsverzoeken niet tijdig betaalde, waardoor eiser gerechtigd was een incassogemachtigde in te schakelen en de procedure te starten. De omstandigheden van gedaagde, zoals het faillissement van een klant en een overlijden in de familie, kunnen niet tot kwijtschelding leiden.

De rechter wijst de vordering toe tot betaling van het resterende bedrag van €96,31, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de dagvaarding. Tevens wordt een vergoeding van €40 voor buitengerechtelijke incassokosten toegekend. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €462,92. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €96,31 plus rente en incassokosten, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11827630 \ CV EXPL 25-2326
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juli 2025
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft [eiser] op 21 juli 2023 een transportopdracht verstrekt, op grond waarvan zij € 242,-- inclusief btw aan [eiser] is verschuldigd. De factuur dateert van 31 juli 2023 en de vervaldatum van de factuur is 30 augustus 2023.
2.2.
[gedaagde] heeft het verschuldigde bedrag niet betaald, waarna [eiser] [gedaagde] op 17 juli 2025 heeft gedagvaard.
2.3.
[gedaagde] erkent de hoofdsom van € 242,-- verschuldigd te zijn en heeft op
17 september 2025 alsnog een bedrag van € 242,-- aan [eiser] betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 96,31, te vermeerderen met rente, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat [gedaagde] ondanks herhaalde betaalverzoeken niet betaalde, was [eiser] genoodzaakt om op 20 juni 2025 een incassogemachtigde in te schakelen. [gedaagde] weigerde ook nadien de factuur te betalen, tenzij de factuurdatum zou worden aangepast. [eiser] was daartoe niet bereid. Uiteindelijk is op 17 juli 2025 een dagvaarding uitgebracht. Pas na de dagvaarding is de oorspronkelijke hoofdsom van € 242,-- betaald. [eiser] heeft dat bedrag in mindering gebracht op de vordering.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. [gedaagde] voert aan dat [gedaagde] de factuur van [eiser] wegens een faillissement van een grote klant niet kon voldoen. Een gerechtelijke procedure had bovendien niet plaats hoeven vinden. [gedaagde] probeerde namelijk tot een redelijke oplossing te komen, maar [eiser] heeft desondanks de zaak overgedragen aan een deurwaarder.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de oorspronkelijke hoofdsom van € 242,-- verschuldigd is voor de verstrekte transportopdracht. Dit bedrag is na dagvaarding ook betaald en [eiser] heeft haar eis verminderd.
4.2.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiser] nodeloos een procedure is begonnen. [eiser] heeft dit gemotiveerd en onderbouwd weersproken.
4.3.
De kantonrechter overweegt het volgende. Uit de door [eiser] overgelegde correspondentie volgt dat [gedaagde] ondanks herhaalde betalingsverzoeken de factuur niet heeft voldaan, waarna [eiser] een incassogemachtigde heeft ingeschakeld.
[gedaagde] stelt dat de factuur niet is betaald omdat een grote klant failliet is gegaan en een familielid van de bestuurder van [gedaagde] is overleden waardoor e-mails van [eiser] onbeantwoord zijn gebleven, maar dit zijn omstandigheden die [gedaagde] niet kunnen baten. Deze omstandigheden komen namelijk voor rekening en risico van [gedaagde].
4.4.
Uit de overgelegde correspondentie volgt dat [gedaagde] ook door de incassogemachtigde van [eiser] tevergeefs is verzocht om de vordering – die inmiddels was verhoogd met buitengerechtelijke kosten en rente – te voldoen. [gedaagde] stelt dat zij wel wilde betalen als de factuurdatum zou worden aangepast naar 2025. Het stond [eiser] echter vrij om daaraan niet mee te willen werken, aangezien de factuur dateert van 31 juli 2023. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] niet nodeloos een incassogemachtigde heeft ingeschakeld en/of een gerechtelijke procedure is begonnen en zal de vordering dan ook toewijzen.
4.5.
De door [eiser] gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom is niet weersproken en wordt eveneens toegewezen vanaf 31 augustus 2023.
4.6.
[eiser] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen.
4.7.
Na dagvaarding heeft er een betaling van [gedaagde] van € 242,-- plaatsgevonden. Deze betaling strekt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW Pro eerst in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. De kantonrechter wijst conform deze bepaling het door [eiser] – na eisvermindering – gevorderde bedrag van € 96,31 toe, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van dagvaarding.
4.8.
Omdat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, moet zij ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,92
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
462,92

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 96,31 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 17 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 462,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Wilmink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.