ECLI:NL:RBOVE:2026:719

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11967806 \ CV EXPL 25-3602
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur voor onderhoudswerkzaamheden in lunchroom

Eiser heeft in opdracht van gedaagde onderhoudswerkzaamheden verricht in diens lunchroom. Gedaagde weigerde de factuur te betalen omdat hij de monteur onkundig vond en stelde dat hij was opgelicht vanwege een onnodige offerte voor vervanging van thermostaatknoppen.

De kantonrechter oordeelde dat eiser een inspanningsverplichting had en geen garantie op succes hoefde te geven. De werkzaamheden van de monteur waren verricht en gedaagde had geen bewijs van schade of tekortkoming geleverd. De factuur van € 370,74 moest daarom betaald worden.

Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 157,08 en wettelijke handelsrente vanaf de dagvaarding. De proceskosten van € 431,25 werden eveneens aan gedaagde opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 500,00 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11967806 \ CV EXPL 25-3602
Vonnis van 10 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SLIGRO FOOD GROUP NEDERLAND B.V.,
handelend onder de naam
[eiser],
uit [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
handelend onder de naam
BIJ HARTJE ZWOLLE,
uit [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend zonder gemachtigde.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] in zijn lunchroom werkzaamheden verricht. [gedaagde] wil de factuur niet betalen, omdat de monteur volgens hem onkundig was. Daarom is [eiser] deze procedure begonnen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de factuur en een deel van de rest van de vordering van [eiser] moet betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met bijlagen van 30 oktober 2025;
  • de conclusie van antwoord met bijlagen;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.
2.2.
Vervolgens heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag zal worden uitgesproken.
3. De feiten
3.1.
Op 23 mei 2025 had [gedaagde] problemen met de bakplaat en friteuse in zijn lunchroom. Om dit op te lossen, nam hij contact op met [eiser].
3.2.
Omdat [gedaagde] nog een factuur van 23 december 2024 van € 676,45 had openstaan, gaf [eiser] aan dat een monteur pas kon komen als die factuur zou worden betaald. [gedaagde] heeft € 675,00 betaald en een monteur is naar de lunchroom gekomen.
3.3.
Voor de uren die de monteur op 23 mei 2025 bezig is geweest, heeft [eiser] [gedaagde] een factuur gestuurd van € 370,74 (inclusief btw).
3.4.
[gedaagde] heeft de factuur niet betaald.

4.Het geschil

4.1.
[gedaagde] vordert – samengevat en onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 500,00 en de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding.
4.2.
Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag dat zij met [gedaagde] een overeenkomst van opdracht heeft gesloten. Op basis van die overeenkomst heeft [eiser] service- en onderhoudswerkzaamheden voor [gedaagde] verricht en voor die werkzaamheden moet [gedaagde] betalen.
4.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser]. Het verweer van [gedaagde] komt hieronder aan bod.
4.4.
De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing, verder in op de stellingen van partijen.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter constateert dat [eiser] in de dagvaarding haar vordering heeft gespecifieerd met een bedrag van € 1.047,19 aan hoofdsom, € 157,08 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 35,20 aan rente tot aan 30 oktober 2025. [eiser] heeft daarvan vervolgens de betaling van € 675,00 afgetrokken zodat een bedrag van € 564,47 overblijft. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] haar vordering uit proceseconomische overwegingen heeft beperkt tot € 500,00 en afstand heeft gedaan van het meerdere.
5.2.
De kantonrechter stelt vervolgens vast dat tussen [eiser] en [gedaagde] niet ter discussie staat dat zij een overeenkomst van opdracht hebben gesloten op grond waarvan [eiser] service- en onderhoudswerkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. Het staat ook niet ter discussie dat de monteur op 23 mei 2025 1,83 uur in de lunchroom van [gedaagde] bezig is geweest en voor die werkzaamheden een factuur heeft gestuurd van € 370,74 (inclusief btw). Omdat de monteur dacht dat de thermostaatknoppen moesten worden vervangen, heeft [eiser] op 27 mei 2025 voor het vervangen van de knoppen een offerte uitgebracht van € 1.579,90 (exclusief btw).
5.3.
[gedaagde] heeft de factuur van 23 mei 2025 niet betaald, omdat de monteur volgens hem onkundig was. [gedaagde] heeft uitgelegd dat hij na het ontvangen van de offerte een ‘second opinion’ heeft gevraagd van [bedrijf] en daaruit blijkt dat de thermostaatknoppen van de apparaten alleen maar waren verwisseld. [gedaagde] stelt dat hij is opgelicht door [eiser], want [bedrijf] heeft de knoppen omgewisseld en daarmee was het probleem opgelost, terwijl [eiser] hem nieuwe thermostaten wilde verkopen.
5.4.
De kantonrechter komt tot het volgende oordeel. Voor zover [gedaagde] met zijn stelling dat de monteur onkundig was, heeft willen aanvoeren dat [eiser] tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat hij daarom niet hoeft te betalen, volgt de kantonrechter [gedaagde] daarin niet. [eiser] heeft namelijk toegelicht dat zij bij het herstel van het probleem met de thermostaatknoppen een inspanningsverplichting had en geen garantie op succes heeft gegeven. De monteur heeft zich ingespannen om te achterhalen wat het probleem was met de friteuse en de bakplaat. Uit de werkbon blijkt vervolgens welke werkzaamheden de monteur daarvoor heeft verricht. In beginsel moet [gedaagde] deze werkzaamheden betalen. Bovendien heeft [gedaagde] geen juridische gevolgen verbonden aan zijn verweer. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld dat hij schade heeft geleden door het gestelde tekortschieten en die zou willen verrekenen, gaat de kantonrechter ook aan dat verweer voorbij. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat [gedaagde] schade heeft geleden. Dat de monteur dacht dat de knoppen vervangen moesten worden en [eiser] daar een offerte voor heeft opgesteld, terwijl dat uiteindelijk niet nodig bleek te zijn, is ook niet genoeg om de vordering tot betaling van de verrichte werkzaamheden (factuur van € 370,74) af te wijzen. [gedaagde] was namelijk vrij om niet akkoord te gaan met de offerte voor nadere werkzaamheden (en hij is ermee ook niet akkoord gegaan). [gedaagde] heeft verder ook geen andere omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
5.5.
De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de factuur van 23 mei 2025 van € 370,74 aan [eiser] moet betalen. Dat de monteur 1,83 uur aan het werk was, heeft [gedaagde] niet tegengesproken en tegen de post aan voorrijkosten die op de factuur staat, heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.6.
Zoals hiervoor is opgemerkt, vordert [eiser] buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke incassokosten zijn de kosten die [eiser] heeft gemaakt om, in een poging een gang naar de kantonrechter te voorkomen, betaling van [gedaagde] te ontvangen.
5.7.
De vordering van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht voor het verkrijgen van betaling. Er zijn voor beide facturen aanmaningsbrieven verstuurd en [gedaagde] heeft het bedrag van € 675,00 eerst na die aanmaningen betaald. Dat betekent dat [eiser] recht heeft op een vergoeding voor de kosten van de incassowerkzaamheden. De wetgever gaat uit van een vaste vergoeding waarbij geabstraheerd wordt van de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 157,08 zijn in overeenstemming met het besluit, zodat [eiser] recht heeft op vergoeding daarvan.
De wettelijke handelsrente
5.8.
Omdat het in dit geval gaat om een overeenkomst om baat die een (of meer) partij(en) verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen partijen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd als er te laat wordt betaald. Doordat [gedaagde] de factuur van 23 mei 2025 niet tijdig (dus binnen de vervaltermijn) heeft betaald, is hij de wettelijke handelsrente verschuldigd.
5.9.
[eiser] vordert € 35,20 aan rente. [eiser] stelt die rente te hebben berekend tot 30 oktober 2025, maar over welk bedrag en vanaf welke datum de berekening is gemaakt, heeft zij niet inzichtelijk gemaakt. Daarom zal de kantonrechter het gevorderde bedrag afwijzen. In plaats daarvan zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding (30 oktober 2025).
Conclusie
5.10.
[gedaagde] moet een bedrag betalen van € 370,74 aan hoofdsom en € 157,08 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dat is een totaalbedrag van € 527,82. Nu [eiser] haar vordering heeft beperkt tot € 500,00 en van het meerdere afstand heeft gedaan, zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 370,74.
De proceskosten
5.11.
[gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom de proceskosten van [eiser] moeten betalen. De proceskosten zijn de kosten die [eiser] heeft gemaakt om deze procedure te voeren. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. Dat zijn de kosten die [eiser] maakt om [gedaagde] ertoe te brengen aan de veroordelingen in dit vonnis te voldoen. De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,25
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
130,50
(1,5 punt × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals hierna vermeld)
Totaal
431,25
5.12.
Zoals opgemerkt, vallen onder de proceskosten ook de nakosten. Dat betekent dat als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen in dit vonnis voldoet en het vonnis daarna is betekend, hij ook de betekeningskosten aan [eiser] moet betalen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.13.
De veroordelingen zullen, zoals [eiser] heeft gevorderd en waartegen [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als [gedaagde] niet aan de veroordelingen voldoet, ook als door een van de partijen hoger beroep tegen dit vonnis zou worden ingesteld (artikel 233 Rv Pro).

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om € 500,00 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 370,74 met ingang van 30 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 431,25, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet binnen die veertien dagen aan dit vonnis heeft voldaan en het vonnis vervolgens is betekend;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.