ECLI:NL:RBOVE:2026:699

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
08.130155.25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 342 SvArt. 6:106 BWArt. 22b lid 1 onder a SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige aanranding van minderjarige taekwondo-leerling

De rechtbank Overijssel heeft verdachte veroordeeld voor meervoudige aanranding van een minderjarige die tussen 2006 en 2013 als taekwondo-leerling afhankelijk was van verdachte als haar trainer. De aanrandingen vonden plaats tijdens taekwondo-lessen en in situaties waarin verdachte misbruik maakte van zijn positie en het overwicht dat hij had.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de consistente en gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, die werden ondersteund door getuigenverklaringen en ander bewijsmateriaal, waaronder app-berichten en gedragingen die een seksuele sfeer schetsten. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte de borsten en schaamstreek van het slachtoffer betast heeft, maar sprak hem vrij van het laten betasten van zijn penis door het slachtoffer.

De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 100 uur. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €2.500 aan het slachtoffer wegens immateriële schade, vastgesteld aan de hand van de Rotterdamse Schaal. De rechtbank hield rekening met het tijdsverloop, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat de aanrakingen boven de kleding plaatsvonden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 100 uur taakstraf en €2.500 schadevergoeding wegens meervoudige aanranding van minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.130155.25 (P)
Datum vonnis: 29 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1965 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. H.J. Voors, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. J. Bouwhuis is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 15 januari 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 1 augustus 2013 [slachtoffer], als zijnde haar taekwondo-leraar, heeft aangerand (
primair), dan wel als taekwondo-leraar in diezelfde periode met de minderjarige [slachtoffer], ontuchtige handelingen heeft gepleegd (
subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus
2006 tot en met 1 augustus 2013 te [plaats], althans in Nederland
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of
een andere feitelijkheid
[slachtoffer]
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handelingen,
te weten
- het betasten van de borsten en/of de vulva, althans de schaamstreek
van die [slachtoffer] en/of
- het laten betasten van zijn penis door die [slachtoffer],
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging
met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben
bestaan dat verdachte
- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of
die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld en/of
- voornoemde ontuchtige handelingen heeft verricht wanneer hij en die
[slachtoffer] elkaar tijdens taekwondo-lessen vasthielden/aanraakten
en/of wanneer hij en die [slachtoffer] samen in de auto zaten en/of toen
hij die [slachtoffer] tegen een muur drukte, waardoor zij in haar
bewegingsvrijheid werd beperkt en/of zich niet aan bovengenoemde
ontuchtige handelingen kon onttrekken en/of
- (hierbij) misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen en
omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [slachtoffer], gelet op de
(zeer) jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of het grote leeftijdsverschil
tussen hem en die [slachtoffer] en/of het feit dat hij de taekwondo-leraar
van die [slachtoffer] en/of de sportschoolhouder van de sportschool was
waar die [slachtoffer] taekwando-les kreeg en/of
- (hierbij) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen
van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of
- (hierdoor) die [slachtoffer] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke
toestand heeft gebracht dat zij zich niet aan bovengenoemde ontuchtige
handelingen kon en/of durfde te onttrekken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 augustus
2006 tot en met 1 augustus 2013 te [plaats], althans in Nederland
ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde
minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte,
te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1995,
door
in zijn hoedanigheid van taekwondo-leraar van die [slachtoffer] en/of
sportschoolhouder van de sportschool waar die [slachtoffer]
taekwando-les kreeg en/of gaf
- de borsten en/of de vulva, althans de schaamstreek van die [slachtoffer]
te betasten en/of
- zijn penis te laten betasten door die [slachtoffer].

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat de aangifte niet betrouwbaar is en de verklaringen van de getuigen van dezelfde bron afkomst zijn, te weten [slachtoffer]. De getuigenverklaringen kunnen om die reden niet gebruikt worden voor het steunbewijs. Bovendien is de verklaring van [getuige 1] niet bruikbaar voor het bewijs, nu deze tegenstrijdigheden bevat en te weinig concreet is.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De redengevende bewijsmiddelen [1]
Op 19 april 2023 heeft [slachtoffer] tegen verdachte aangifte gedaan van aanranding. Zij heeft verklaard dat verdachte sportschoolhouder was in [plaats]. Nadat zij als 11-jarige begon met taekwondo bij de sportschool van verdachte, zijn de aanrakingen door verdachte rond haar 13e jaar begonnen en heeft verdachte haar diverse malen tijdens het beoefenen van haar sport over de kleding betast. Tijdens een houdgreep bij grondgevechten zat de hand van verdachte bij haar borst en/of een arm van verdachte tussen haar benen. Verdachte was op dat moment haar trainer. Ook hebben er rond haar 14e en 15e jaar volgens haar ongewenste aanrakingen op haar bovenbeen door verdachte plaatsgevonden in zijn auto, van en naar de gymzaal in Stadshagen. Net voordat zij achttien jaar werd, zijn deze handelingen gestopt.
De ergste gebeurtenis was voor [slachtoffer] het moment dat zij tussen de 13 en 14 jaar was en met verdachte alleen was in het Bewegingshuis in Stadshagen. Ze werd toen, aldus haar verklaring, na een training door verdachte tegen een muur gedrukt waarbij hij zei
‘Nu heb ik je’en
‘Ik pak je’. Daarbij betastte hij haar borsten en ging hij met zijn hand naar haar kruis. Dit was allemaal over haar kleding. Op de terugweg in de auto gaf hij aan dat het ‘
ons’geheimpje was. Tijdens de autoritten naar Stadshagen gebeurde het ook regelmatig dat hij haar mee uitvroeg en probeerde hij regelmatig haar hand op zijn kruis te leggen. Het was altijd op de kleren.
In 2018 kwam ze in contact met [getuige 2] en aan haar heeft zij verteld dat verdachte berichten naar haar stuurde. Hij stuurde berichten als ‘
Ik wil je neuken’, ‘ik vind je lekker’en
‘Wat zag je er weer goed uit. Kom je weer trainen lekker ding?’.Ze heeft verdachte toen een e-mail gestuurd, dat hij haar had beschadigd en dat ze onder andere daarom besloot om te stoppen. [2]
De moeder van [slachtoffer], [getuige 1], heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte tijdens de grondworsteling extra lang met [slachtoffer] op de mat lag en dat zij vond dat hij haar soms raar vastpakte. Hij stond ook wel eens voor [slachtoffer] en raakte haar voor op haar lichaam aan. Hij pakte haar dan extra lang vast. Zij heeft verder verklaard dat zij weet dat het een seksuele lading had, gezien de manier waarop hij haar vastpakte en op plekken waar dat niet netjes was. Het was om haar lichaam heen. [getuige 1] voelde zich hier niet gemakkelijk bij. Ze stond erbij en vroeg zich telkens af of ze er wat van moest zeggen. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat ze weet dat verdachte [slachtoffer] geen nette app-berichten stuurde en dat zij daar last van had. Verdachte zei tegen haar dat hij een relatie met haar wilde als ze 18 jaar zou zijn. [3] Bij de politie heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte bij de grondoefeningen met [slachtoffer] iets aanraakte wat niet hoorde, voornamelijk in de borststreek. [getuige 1] had in die tijd wel twijfels, omdat het gedrag van [slachtoffer] naar verdachte toe veranderde. Ze wilde namelijk niet meer met hem meerijden. [4]
[getuige 2] heeft verklaard dat zij [slachtoffer] kent via de Taekwondo club [plaats], maar dat zij bij die club is weggegaan vanwege het gedrag van verdachte. Verdachte maakte seksistische grapjes. Zo heeft hij een keer tegen haar gezegd dat ze mooie billen had in een sportlegging en maakte hij een seksistische opmerking toen zij met hem meereed vanuit Dalfsen. [getuige 2] heeft verklaard dat zij de app-berichten heeft gelezen die verdachte naar [slachtoffer] stuurde. Deze appjes waren in de trant van ‘
hey sexie’ en ‘
hey lekkerding’. Ook waren er appjes in de periode dat [slachtoffer] nog minderjarig was. [getuige 2] heeft verder verklaard dat [slachtoffer] aan haar verteld heeft dat verdachte zijn handen bij de taekwondo op intieme plekken plaatste, wat [slachtoffer] niet fijn vond. [slachtoffer] was verdrietig toen ze dit vertelde. [5]
Overwegingen en conclusies
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de door [slachtoffer] afgelegde verklaring als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of voldoende steunbewijs voorhanden is.
De rechtbank constateert dat [slachtoffer] in haar verklaringen op hoofdlijnen consistent is over wat haar is overkomen. Zij heeft in haar informatieve gesprek, in haar aangifte en bij de rechter-commissaris consistent en voldoende gedetailleerd verklaard. De rechtbank vindt in wat zich in het dossier bevindt geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] te twijfelen. Haar verklaringen komen de rechtbank authentiek voor, nu deze enerzijds specifieke uitlatingen en gedragingen kennen, zoals de beschrijving hoe de aanrakingen in haar beleving onschuldig begonnen om haar positie te corrigeren en de beschrijving van de gebeurtenis die op haar het meeste indruk heeft gemaakt, en anderzijds op hoofdlijnen gelijkluidend zijn gebleven. De rechtbank beoordeelt de verklaringen van [slachtoffer] als betrouwbaar en bruikbaar om te dienen als basis voor het voor een bewezenverklaring benodigde wettige bewijs. Voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] acht de rechtbank voorts van belang dat zij op 13 december 2022 hetzelfde verhaal over de gebeurtenissen heeft verteld bij de Internationale Taekwondo Federation Nederland. Bovendien vindt haar verklaring bevestiging in de door [slachtoffer] in 2018 verzonden e-mail aan verdachte, waarin zij onder andere schreef dat hij haar had beschadigd en dat ze mede daarom besloot te stoppen. Haar verklaring komt overeen met wat in de betreffende e-mail staat.
Volgens het tweede lid van artikel 342 Wetboek Pro van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Hier staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde kan opleveren. Voldoende is dat de verklaring van aangeefster op concrete punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, waarbij die concrete punten ‘specifieke omstandigheden’ van de tenlastegelegde seksuele gedragingen moeten betreffen of een seksuele sfeer of context schetsen. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van aangeefster.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en overweegt daartoe het volgende.
Getuige [getuige 1] heeft gezien dat [slachtoffer] tijdens grondoefeningen door verdachte om haar lichaam heen werd vastgepakt, op plekken waar dat niet netjes was, en waar [getuige 1] zich niet gemakkelijk bij voelde. [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] emotioneel was toen zij vertelde dat verdachte tijdens de Taekwondo zijn handen op intieme plekken plaatste. Verder hebben beide getuigen verklaard dat [slachtoffer] ongepaste berichten van verdachte ontving. Volgens [getuige 1] waren dit appjes waarin verdachte zei dat hij een relatie met haar wilde als ze 18 jaar zou zijn en volgens [getuige 2] waren dit appjes in de periode dat [slachtoffer] nog minderjarig was. De verklaring van verdachte dat hij nooit leerlingen meenam in de auto en dat [slachtoffer] nog nooit bij hem in de auto had gezeten, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu ook [getuige 2] heeft verklaard dat ze bij hem in de auto heeft gezeten. Terwijl [getuige 2] bij hem in de auto zat, maakte verdachte bovendien seksueel getinte opmerkingen. De verklaring van [slachtoffer] dat zij met verdachte meereed, vindt ook ondersteuning in de verklaring van [getuige 1], namelijk dat het gedrag van [slachtoffer] richting verdachte veranderde en zij ook niet meer met hem mee wilde rijden.
Alles bij elkaar ondersteunen de bewijsmiddelen de feiten en omstandigheden die [slachtoffer] beschrijft in haar verklaringen. Haar verklaringen vinden op concrete punten bevestiging van de specifieke omstandigheden (aanrakingen gezien door [getuige 1], meerijden in de auto) en schetsen een seksuele context (appjes van verdachte). De rechtbank voelt zich gesterkt in de overtuiging dat sprake was van een seksuele sfeer nu verdachte heeft erkend [slachtoffer] appjes te hebben gestuurd toen zij meerderjarig was, onder andere inhoudende: ‘
Ik wil je neuken...’, ‘[slachtoffer] ik wil je !!’, ‘Word mijn vriendin aub’en
‘Ik wil verkering met jouw’. [6]
De rechtbank acht, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van [geboortedatum 2] 2006 tot en met 1 augustus 2013 [slachtoffer] meermalen heeft aangerand zoals ten laste is gelegd. Nu [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte ‘probeerde’ haar hand naar zijn ‘kruis’ te brengen en zij hem – op zijn verzoek – een tikje in zijn ‘kruis’ gaf, kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte zijn penis door [slachtoffer] liet betasten. Verdachte zal daarom van deze handeling worden vrijgesproken.
Gelet op de aard van de handelingen en de omstandigheden waaronder deze handelingen hebben plaatsgevonden, kunnen deze naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan als ontuchtige handelingen. Verdachte heeft de borsten en schaamstreek van [slachtoffer] betast. De handelingen van verdachte zijn dus van seksuele aard en in strijd met de sociaal-ethische norm. Daarbij stelt de rechtbank vast dat uit het bewijs volgt dat sprake is geweest van dwang. Zo blijkt uit de aangifte dat verdachte [slachtoffer] in situaties heeft gebracht waar zij zich naar redelijke verwachting niet aan heeft kunnen onttrekken, zoals de houdgreep bij de grondoefeningen en dat hij haar tegen de muur heeft gedrukt. Ook speelt de jonge leeftijd van [slachtoffer] en haar afhankelijke verhouding als leerling tot hem een rol.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 2 augustus 2006 tot en met 1 augustus 2013 te [plaats], door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten
- het betasten van de borsten en de schaamstreek van die [slachtoffer] waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds heeft verricht en/of die [slachtoffer] hiermee heeft overrompeld en/of
- voornoemde ontuchtige handelingen heeft verricht wanneer hij en die [slachtoffer] elkaar tijdens taekwondo-lessen vasthielden/aanraakten en toen hij die [slachtoffer] tegen een muur drukte, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handelingen kon onttrekken en
- (hierbij) misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [slachtoffer], gelet op de jonge leeftijd van die [slachtoffer], het grote leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer] en het feit dat hij de taekwondo-leraar van die [slachtoffer] was en
- (hierbij) voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of
- (hierdoor) die [slachtoffer] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat zij zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handelingen kon en durfde te onttrekken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
primair
het misdrijf:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, met aftrek van de dag die hij op het politiebureau heeft doorgebracht, en een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen. Verder heeft hij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het gegeven dat er veel tijd is verstreken na de einddatum van het ten laste gelegde.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode meerdere keren schuldig gemaakt aan de aanranding van de destijds minderjarige [slachtoffer]. Hij deed dit in een situatie waarin zij afhankelijk van hem was in de taekwondo-sport waar zij zo van hield. [slachtoffer] had nooit met dit gedrag van verdachte geconfronteerd mogen worden. Verdachte heeft door zijn handelen sociaal-ethische grenzen overschreden, heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] en heeft haar seksuele ontwikkeling verstoord. De gevolgen die het handelen van verdachte op haar leven hebben gehad en in de toekomst wellicht nog hebben, zijn aan verdachte te wijten. Verdachte had beter moeten weten, maar hij heeft zich enkel laten leiden door de bevrediging van zijn eigen behoeften. Het is bovendien kwalijk dat verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie als trainer, waarbij hij tevens het imago van taekwondo – als verdedigingssport – in zijn algemeenheid heeft beschadigd. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid bij het slachtoffer en in de samenleving als geheel. De rechtbank rekent dit verdachte aan en acht het kwalijk dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Dit is niet van invloed op de door de rechtbank op te leggen straf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025. Verdachte ontkent stellig dat er een delict heeft plaatsgevonden, waardoor de reclassering geen relaties kan leggen tussen delictgedrag en eventuele dynamische risico- en/of criminogene factoren. Er zijn geen aanknopingspunten voor een plan van aanpak of behandeling. De reclassering onthoudt zich daarom van een recidive-inschatting en strafadvies.
De straf of maatregel
De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals is geëist door de officier van justitie niet opportuun, omdat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens dit soort feiten, vanwege het tijdsverloop tussen onderhavig feit en deze uitspraak, namelijk meer dan twaalf jaar en omdat hij als alleenstaande vader de zorg draagt voor zijn 12-jarige zoon. Daar komt bij dat de aanrakingen boven de kleding hebben plaatsgevonden en dat een veroordeling mogelijk grote gevolgen kan hebben voor zijn baan.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Hiermee is voldaan aan het formele vereiste van het taakstrafverbod, zoals bepaald in artikel 22b lid 1 onder a Sr. De oplegging van een taakstraf is echter alleen uitgesloten als ook voldaan is aan het materiële criterium, te weten of er een
ernstigeinbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat verdachte door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], kan deze inbreuk – zonder daarmee afbreuk te willen doen aan de ernst van het feit – in juridische zin niet worden aangemerkt als een ernstige inbreuk. De rechtbank stelt vast dat het taakstrafverbod daarom niet van toepassing is.
De rechtbank veroordeelt verdachte daarom tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schadevergoeding betreft immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleitte vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen onderbouwing is voor de gestelde psychische schade en dat het de vraag is of sprake is van ‘aantasting in de persoon’. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van die vraag en heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De vordering heeft betrekking op het ten laste gelegde. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
Op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Degene die zich op deze laatstgenoemde grond beroept zal de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een aantasting in de persoon, omdat voldoende is onderbouwd dat sprake is van psychisch letsel. [slachtoffer] heeft zich met klachten gemeld bij de huisarts, die haar vervolgens wegens PTSS-problematiek heeft doorverwezen naar de GGZ. Daar heeft zij meermalen EMDR therapie gevolgd. Rekening houdend met de smartengeldbedragen die worden geïndiceerd in de Rotterdamse Schaal, zal de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 2.500,00.
De in de Rotterdamse Schaal vermelde bedragen zijn gebaseerd op de in de Nederlandse rechtspraak toegewezen smartengeldbedragen en geïndexeerd tot 1 juni 2025. De rechtbank acht gelet hierop, de Rotterdamse Schaal een passend instrument om de hoogte van het smartengeld te bepalen. De rechtbank zoekt in dit geval aansluiting bij de onder aanranding genoemde categorie ‘ernstig’, gezien de duur en frequentie van de handelingen, de kwetsbaarheid en leeftijd van de benadeelde partij, de mate van dwang en de ernst van de gevolgen. Dit ondanks dat de handelingen sec vallen onder de categorie ’tamelijk ernstig’(de seksuele handelingen bestaan vaak uit het vluchtig betasten van de benadeelde
overde kleding heen en het geslachtsdeel van de benadeelde wordt niet betast).
De rechtbank zal de vordering dan ook tot € 2.500,00 toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in haar vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 25 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b,14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
100 (honderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) dagen;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.500,00 (bestaande
uit immateriële schade);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij: van een bedrag van
€ 2.500,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2013);
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.500,00, (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2013 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij, voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en
mr. J.G.M. Fluttert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, team Zeden met nummer ONRBC23076 / Onderzoek Handley. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 19 april 2023 (pagina’s 16 tot en met 21).
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van de rechter-commissaris van 6 november 2025.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 1] van 22 januari 2024 (pagina’s 32 tot en met 35).
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 2] van 15 juli 2024 (pagina’s 23 tot en met 25).
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 18 februari 2025 (pagina’s 58 en 59).