ECLI:NL:RBOVE:2026:658

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11870643 \ CV EXPL 25-1601
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 lid 1 BWArt. 7:752 lid 1 BWArt. 7:758 lid 1 BWArt. 7:759 lid 1 BWArt. 3:307 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant factuur na motorreparatie Volvo V70

Eiser heeft gedaagde gedagvaard voor betaling van het resterende bedrag van een factuur voor de reparatie van de motor van diens Volvo V70. Gedaagde had een deel betaald, maar betwistte het resterende bedrag vanwege vermeende gebrekkige reparatie en stelde dat een tweede factuur onterecht was. De kantonrechter oordeelde dat de eerste factuur grotendeels terecht was en dat gedaagde het resterende bedrag van €1.341,17 moet betalen.

De kantonrechter stelde vast dat de reparatie was uitgevoerd binnen de afgesproken richtprijs en dat gedaagde de auto zonder klachten had opgehaald. Het verweer dat de reparatie gebrekkig was, faalde omdat gedaagde geen herstelkans aan eiser had geboden en de klacht pas tijdens de zitting naar voren bracht. De tweede factuur van €136,88 werd afgewezen omdat eiser deze niet voldoende had onderbouwd.

Verder wees de kantonrechter de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten af omdat eiser de toepasselijke algemene voorwaarden niet had overgelegd, waardoor toetsing op oneerlijkheid niet mogelijk was. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het resterende factuurbedrag en de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde moet €1.341,17 betalen, tweede factuur en rente/kosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11870643 \ CV EXPL 25-1601
Vonnis van 10 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: W.H.B. Perik,
tegen
[gedaagde],
wonende in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft [gedaagde] op 22 augustus 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op 4 oktober 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Op 22 december 2025 heeft [eiser] nog een productie naar de kantonrechter gestuurd. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 14 januari 2024 plaatsgevonden. Namens [eiser] was de heer [eigenaar eiser] aanwezig, bijgestaan door W.H.B. Perik. Daarnaast was [gedaagde] aanwezig. Beide partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Perik heeft daarbij gebruik gemaakt van zijn spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij vonnis zal wijzen en dat de vonnisdatum vandaag is.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft in de periode rond juli 2022 bij [eiser] de motor van zijn Volvo V70 laten repareren door het vervangen van een kapotte cilinderkop voor een tweedehands cilinderkop. [eiser] heeft vervolgens de reparatiekosten van € 3.341,17 bij [gedaagde] gefactureerd. Deze factuur (met nummer [factuurnummer 1]) heeft [gedaagde] gedeeltelijk betaald, namelijk voor een bedrag van € 2.000,00. Een bedrag van € 1.341,17 is nog niet betaald. Hierna heeft volgens [eiser] rond 22 augustus 2022 een tweede reparatie plaatsgevonden aan de vervangen cilinderkop. Daarvoor heeft [eiser] bij [gedaagde] kosten in rekening gebracht ter hoogte van € 136,88. Deze factuur (met nummer [factuurnummer 2]
)heeft [gedaagde] niet betaald.
2.2.
[eiser] vindt dat [gedaagde] (het resterende deel van) de facturen moet betalen, vermeerderd met de rente en de kosten. [gedaagde] is het met [eiser] niet eens en hij wil het laatste deel van de eerste factuur niet betalen. Hij vindt namelijk dat de eerste reparatie niet goed is uitgevoerd (non-conform is) en hij zegt dat de tweede reparatie nooit heeft plaatsgevonden. Ook voert hij aan dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het restant van de eerste factuur ter hoogte van € 1.341,17 volledig moet betalen aan [eiser] . De tweede factuur ter hoogte van € 136,88 hoeft [gedaagde] niet aan [eiser] te betalen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente worden afgewezen omdat [eiser] de door haar gehanteerde algemene voorwaarden niet heeft overgelegd. De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet het restant van € 1.341,17 van de factuur met nummer [factuurnummer 1] betalen
2.4.
[gedaagde] moet het restant van de factuur met nummer [factuurnummer 1] betalen.
De vaststaande feiten: prijsschatting, reparatie en factuur
2.5.
Op enig moment is de Volvo van [gedaagde] stil komen te staan. Uit onderzoek bleek dat dit kwam door een kapotte cilinderkop. Voordat [gedaagde] bij [eiser] de cilinderkop heeft laten repareren, heeft hij eerst bij een andere garage geïnformeerd naar de reparatiekosten. Daar werd hem verteld dat de vervanging van de cilinderkop € 5.000,00 zou kosten. Hierna heeft [gedaagde] [eiser] benaderd met de vraag wat de reparatie bij haar zou kosten. [eiser] heeft vervolgens als schatting van de kosten voor de reparatie een bedrag genoemd van € 3.600,00 waarbij dan de cilinderkop zou worden vervangen door een tweedehands cilinderkop. [gedaagde] was hiermee akkoord, waarna [eiser] de reparatie heeft uitgevoerd. Nadat de reparatie was voltooid, heeft [gedaagde] op 13 juli 2022 de Volvo bij [eiser] opgehaald. [gedaagde] heeft tijdens het ophalen van de Volvo niet geklaagd over de uitgevoerde reparatie. Bij het ophalen van de Volvo kreeg [gedaagde] een factuur mee ter hoogte van € 3.341,17. Hij heeft toen meteen een bedrag van € 1.500,00 betaald en partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] het resterende bedrag op 25 augustus 2022 zou betalen. Deze afspraak is op de factuur vermeld en [gedaagde] heeft ter bevestiging van die afspraak zijn handtekening op de factuur gezet. Twee dagen na de reparatie gaf de Volvo een melding dat het oliepeil te hoog was. [gedaagde] is toen teruggegaan naar [eiser] en vervolgens is daar het oliepeil teruggebracht naar de juiste stand. Later, de precieze datum weten partijen niet meer, heeft [gedaagde] nog een tweede bedrag aan [eiser] betaald van € 500,00. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het resterende bedrag van € 1.341,17 nog niet aan [eiser] is betaald.
Het beoordelingskader: aanneming van werk
2.6.
Tussen [eiser] [gedaagde] is een overeenkomst van aanneming gesloten. De kern van de afspraak tussen [gedaagde] en [eiser] was het tegen betaling repareren van de motor van de Volvo. De reparatie bestond uit het vervangen van de kapotte cilinderkop voor een tweedehands cilinderkop en werkzaamheden die daarmee te maken hebben, zoals het bijvullen/vervangen van de motorolie. Dit betekent dat de regels zullen worden toegepast die te maken hebben met aanneming van werk. [1]
Het door [eiser] aan [gedaagde] genoemde bedrag van € 3.600,00 is een richtprijs. Zij hebben dus niet een vaste prijs afgesproken. Dit betekent dat [eiser] onder andere verplicht is om voor haar werkzaamheden niet meer dan een redelijke prijs bij [gedaagde] in rekening te brengen waarbij zij rekening moet houden met de genoemde richtprijs. [2] Nadat de Volvo door [eiser] gerepareerd is opgeleverd moet [gedaagde] in beginsel aan [eiser] de uiteindelijke prijs betalen. [3]
De beoordeling: [gedaagde] moet het resterende bedrag van € 1.341,17 betalen
2.7.
Nu de Volvo op 13 juli 2022 zonder enig protest door [gedaagde] is meegenomen na afronden van de reparatie, is de Volvo op die dag opgeleverd. [4] De uiteindelijke kosten voor de werkzaamheden waren € 3.341,17. Daarmee is [eiser] onder de richtprijs gebleven. [gedaagde] heeft niet gezegd dat er omstandigheden zijn waaruit zou moeten blijken dat de gefactureerde kosten onredelijk zijn, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de kosten redelijk zijn. Een deel van € 1.500,00 is bij oplevering door [gedaagde] betaald. Omdat vervolgens is afgesproken dat [gedaagde] het resterende bedrag van € 1.841,17 op 25 augustus 2022 zou betalen, is vanwege het toch uitblijven van de afgesproken betaling op 26 augustus 2022 de vordering ter hoogte van dat bedrag opeisbaar geworden. Later is door [gedaagde] nog een bedrag betaald ter hoogte van € 500,00. Uiteindelijk is een deel van € 1.341,17 onbetaald gebleven. Dat betekent dat [gedaagde] dit resterende deel van de factuur in beginsel nog aan [eiser] moet betalen.
[gedaagde] vindt dat hij de factuur niet hoeft te betalen vanwege een gebrekkige reparatie
2.8.
[gedaagde] heeft in deze zaak als verweer tegen het betalen van de vordering van [eiser] aangevoerd dat hij vindt de reparatie aan de Volvo niet goed is uitgevoerd. Een slangetje onder de motor zou namelijk kapot zijn gegaan en dit zou hij twee à drie weken na de reparatie hebben ontdekt. [gedaagde] zegt vervolgens het slangetje bij een andere garage te hebben laten repareren voor een hoog bedrag. Welk bedrag hij heeft betaald en wanneer de reparatie heeft plaatsgevonden weet hij niet meer. Omdat vanwege die reparatie kosten zijn gemaakt, vindt hij het onterecht dat hij het restant van de factuur van [eiser] zou moeten betalen. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] vindt dat de kosten die hij heeft gemaakt als schade moet worden gezien.
[eiser] zegt dat de reparatie wel goed is uitgevoerd en dat [gedaagde] pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft geklaagd over een kapot slangetje.
[gedaagde] had [eiser] de kans moeten geven een eventueel gebrek te herstellen.
2.9.
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] de factuur moet betalen, ook als na oplevering van de auto is gebleken dat [eiser] de werkzaamheden niet juist heeft uitgevoerd. Dat neemt niet weg dat [gedaagde] de openstaande factuur kan verrekenen met eventueel door [eiser] te vergoeden schade. Om schadevergoeding te kunnen vorderen (en eventueel te verrekenen), moet allereerst sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van aanneming tussen [eiser] en [gedaagde] . [5] Daarom geldt dat als zoals [gedaagde] zegt tijdens de reparatie door [eiser] een slangetje aan de motor kapot is gegaan, [gedaagde] aan [eiser] eerst de mogelijkheid had moeten geven om binnen een redelijke termijn het slangetje alsnog te repareren. [6] Pas als vervolgens [eiser] van die mogelijkheid geen gebruik had gemaakt, was [eiser] in beginsel tekortgeschoten en had [gedaagde] schadevergoeding kunnen vorderen en mogelijk kunnen verrekenen.
[gedaagde] heeft [eiser] niet de kans geven een eventueel gebrek te herstellen.
2.10.
Nog daargelaten of [gedaagde] wel tijdig heeft geklaagd over de kapotte slang, heeft hij in ieder geval niet aan [eiser] de mogelijkheid tot herstel gegeven. [gedaagde] zegt daarover zelf dat hij bij [eiser] niet heeft gemeld dat het slangetje kapot was en dat hij het slangetje bij een andere garage heeft laten repareren. Hij zou dit niet hebben gemeld omdat hij bang was dat hij voor de reparatie dan een rekening zou krijgen. Dit is geen goede reden. Pas als [gedaagde] de kapotte slang bij [eiser] had gemeld, had hij geweten of [eiser] voor de reparatie kosten in rekening wilde brengen. Omdat [gedaagde] de mogelijkheid tot herstel niet heeft geboden, kan niet worden gezegd dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en zij daarom schadevergoeding moet betalen. Het verweer van [gedaagde] slaagt dan ook niet en hij moet dan ook het bedrag van € 1.341,17 aan [eiser] betalen.
Geen verjaring van de vordering
Voor zover [gedaagde] nog heeft bedoeld een beroep te doen op verjaring [7] , gaat dit verweer niet op. De verjaringstermijn voor het bij de rechter kunnen instellen van vordering uit nakoming van een overeenkomst is vijf jaar vanaf de datum dat de vordering opeisbaar is. De vordering van [eiser] is op 28 juli 2022 opeisbaar geworden. Dat is 14 dagen na de dag dat de factuur met nummer [factuurnummer 1] aan [gedaagde] is overhandigd. De vordering van [eiser] is op dit moment dus in ieder geval nog niet verjaard.
Ambtshalve toetsing
i.
informatieplichten
2.11.
Omdat de overeenkomst van aanneming is gesloten met [gedaagde] als particulier en [eiser] als bedrijfsmatig garagist binnen de verkoopruimte, namelijk op de locatie van het garagebedrijf van [eiser] , moet ambtshalve worden onderzocht of (1) door [eiser] aan bepaalde essentiële informatieplichten heeft voldaan en (2) en een sanctie toepassen als sprake is van een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten. [8]
2.12.
In dit geval moet ambtshalve worden getoetst of [eiser] heeft voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230I BW. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat is voldaan aan deze essentiële (pre)contractuele informatieplichten.
ii.
(on)eerlijke bedingen
2.13.
Daarnaast moet ambtshalve worden getoetst of de bedingen die in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden staan en waarover partijen niet hebben onderhandeld, niet oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [9]
[eiser] heeft de algemene voorwaarden niet overgelegd
2.14.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij algemene voorwaarden hanteert, maar dat deze niet van toepassing zijn op de overeenkomst tussen haar en [gedaagde] . Dit komt niet overeen met dat wat staat in de facturen die [eiser] als productie bij de dagvaarding heeft overgelegd. In die facturen staat dat op de overeenkomst de BOVAG-standaardbepalingen van toepassing zijn. Aangezien in de facturen staat dat blijkbaar wel algemene voorwaarden van toepassing zijn, had het op de weg van [eiser] gelegen om deze bij de dagvaarding te overleggen.
De gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
2.15.
Omdat [eiser] de op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden niet heeft overgelegd, is het niet mogelijk om de bedingen in de algemene voorwaarden ambtshalve op oneerlijkheid te toetsen. Door de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig aan te voeren, heeft [eiser] de taak van de kantonrechter, te weten ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden, onmogelijk gemaakt. Aan de niet naleving van de verplichting om de algemene voorwaarden te overleggen zal de kantonrechter de consequentie verbinden die hij geraden acht. In dit geval zal hij de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten afwijzen.
Het kostenbeding moet voldoende transparant zijn
2.16.
Verder moet het kostenbeding (het beding waarin [eiser] de kosten voor haar diensten heeft vermeld) ambtshalve worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. In dit geval vordert [eiser] dat [gedaagde] een bedrag van € 1.341,17 aan haar betaalt op grond van de overeenkomst van aanneming van werk.
2.17.
Het kostenbeding is een kernbeding. [10] Kernbedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen als deze niet transparant zijn. Het transparantievereiste moet ruim worden opgevat: het kostenbeding moet niet alleen formeel en grammaticaal begrijpelijk zijn, maar ook op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria uiteenzetten op welke wijze de kosten voor de te verrichten dienstverlening wordt vastgesteld. Het gaat erom dat [gedaagde] vóór het sluiten van de overeenkomst in staat wordt gesteld om de financiële consequenties in te schatten die voor hem uit dat beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor deze diensten zal moeten betalen. [11] Bij die beoordeling worden alle relevante feitelijke gegevens rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking genomen. [12]
Het kostenbeding is voldoende transparant; geen ambtshalve toets (on)eerlijkheid
2.18.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij aan [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst de informatie heeft gegeven die [gedaagde] in staat is gesteld om de totale kosten in te schatten die voor hem uit deze overeenkomst voortvloeien. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd en door [gedaagde] is niet weersproken dat zij vooraf hebben besproken dat de reparatiewerkzaamheden rond de € 3.600,00 zouden gaan kosten en dat in die kostenraming is meegenomen dat het goedkoper is om de kapotte cilinderkop te vervangen voor een tweedehands cilinderkop in plaats van een nieuwe cilinderkop. [eiser] heeft voor de werkzaamheden die zij heeft verricht een bedrag van € 3.341,17 inclusief btw bij [gedaagde] in rekening gebracht. [eiser] is daarmee binnen de eerder door haar gegeven raming van de kosten gebleven.
2.19.
Gelet op deze omstandigheden is het oordeel dat [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst voldoende in staat is gesteld om de totale kosten voor de reparatiewerkzaamheden in te schatten. Het kostenbeding is voldoende transparant en daarom zal het beding niet ambtshalve worden getoetst op (on)eerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. [13]
De tussenconclusie
2.20.
De conclusie is dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 1.341,17 moet betalen.
De factuur met nummer [factuurnummer 2] (€ 136,88) hoeft [gedaagde] niet te betalen
2.21.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de factuur met nummer [factuurnummer 2] (€ 136,88) niet aan [eiser] hoeft te betalen.
2.22.
[eiser] stelt dat zij rond 22 augustus 2022 een tweede reparatie aan de Volvo van [gedaagde] heeft uitgevoerd in verband met de cilinderkop. Zij zegt daarover dat omdat de cilinderkop tweedehands was, met [gedaagde] wel is besproken dat het risico bestond dat een reparatie aan de cilinderkop nog nodig zou zijn. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zich een maand na het vervangen van de cilinderkop gemeld bij [eiser] omdat in de Volvo een storingslampje brandde. Dat lampje zou branden omdat de wervelkleppen niet fijn liepen. Volgens [eiser] heeft zij deze wervelkleppen vervangen waarbij geen arbeidsloon is gerekend en 20% korting is gegeven op de onderdelen die bij de reparatie zijn gebruikt. Na de reparatie zou het storingslampje niet meer branden. [gedaagde] betwist dat deze reparatie heeft plaatsgevonden. Hij zegt daarover dat hij in totaal twee keer bij de garage is geweest: eenmaal vanwege het vervangen van de cilinderkop en daarna nog een keer vanwege een te hoog oliepeil. Daarnaast zegt hij dat hij de eerste factuur wel heeft ondertekend en de tweede factuur niet. Uit het niet ondertekenen zou blijken dat hij de tweede factuur nooit heeft gezien en de reparatie niet heeft plaatsgevonden.
2.23.
Nu [eiser] stelt dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, ligt het op de weg van [eiser] om haar stellingen te onderbouwen, zoals bijvoorbeeld door het overleggen van een afspraakbevestiging. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] kenbaar gemaakt haar vordering niet nader te kunnen onderbouwen.
2.24.
Dit betekent dat nu [gedaagde] ontkent dat de reparatie heeft plaatsgevonden, [eiser] de gevorderde betaling van de factuur ter hoogte van € 136,88 onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering wordt daarom voor dat bedrag afgewezen.
Geen ambtshalve toetsing
2.25.
Nu niet is komen vast te staan dat partijen voor de factuur van € 136,88 een aannemingsovereenkomst hebben gesloten, komt de kantonrechter niet toe aan ambtshalve toetsing van het kostenbeding en de (pre)contractuele informatieplichten die, indien het bestaan van de overeenkomst wel zou komen vast te staan, op [eiser] zouden rusten.
Proceskosten
2.26.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.015,21

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.341,17,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.015,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Titel 12, boek 7 BW.
2.Artikel 7:752 lid 1 BW Pro e.v.
3.Artikel 7:758 lid 1 BW Pro
4.Artikel 7:758 lid 1 BW Pro.
5.Artikel 6:74 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 7:759 lid 1 BW Pro.
7.Artikel 3:307 lid 1 BW Pro.
8.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
9.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
10.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punt 32.
11.Zie ook HvJ EU 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:536, punt 49.
12.HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14, punten 36 – 38, 43 en 44.
13.Artikel 4 lid 2 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen.