ECLI:NL:RBOVE:2026:648

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
08-280986-24
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 243 SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verkrachting, veroordeling seksueel binnendringen bij slapend slachtoffer

De rechtbank Overijssel behandelde op 10 februari 2026 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het dwingen van het slachtoffer tot seksuele handelingen terwijl zij sliep. Verdachte erkende de handelingen, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van dwang zoals vereist voor verkrachting, omdat het slachtoffer sliep en geen actieve wil had tijdens de handelingen.

De rechtbank kwalificeerde het bewezen verklaarde feit als seksueel binnendringen bij iemand in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht, strafbaar gesteld in artikel 243 (oud) Sr. Verdachte gebruikte zonder toestemming een huissleutel om het huis van het slachtoffer binnen te gaan en verrichtte seksuele handelingen terwijl zij sliep.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en stelde bijzondere voorwaarden waaronder verplichte behandeling en toezicht door de reclassering. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €34.089,54 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding deels toe, waarbij een deel van de materiële schade werd geschat en de immateriële schade werd toegewezen. Verdachte werd vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting, maar veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde seksueel binnendringen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van verkrachting, veroordeeld voor seksueel binnendringen bij slapend slachtoffer tot 30 maanden gevangenisstraf en schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.280986.24 (P)
Datum vonnis: 10 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat in Eindhoven, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [slachtoffer] , voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens haar als benadeelde partij door [naam 1] , werkzaam als jurist bij Slachtofferhulp Nederland is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen dan wel seksuele handelingen met haar heeft verricht terwijl zij sliep.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 20 november 2023 te [plaats] , gemeente [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- (zonder haar toestemming met een sleutel voor 'nood') haar huis binnen te gaan,
- bij haar, terwijl zij sliep, in bed te gaan en/of
- door onverhoeds handelen,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- zijn tong tussen haar schaamlippen brengen en/of
- likken van/over haar vagina;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 november 2023 te [plaats] , gemeente [plaats] , met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten door, terwijl die [slachtoffer] in haar bed lag te slapen, in elk geval in een slapende toestand verkeerde,
- zijn, verdachtes, tong tussen haar schaamlippen te brengen en/of
- haar vagina te likken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dan wel, mocht de rechtbank daarvan vrijspreken, dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft samengevat het volgende aangevoerd.
Verdachte kan worden beschouwd als een bekennende verdachte. Toch moet hij van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken omdat er van dwang als bedoeld in artikel 242 (oud) Sr geen sprake was. Voor de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Verklaring van de verdachte
Verdachte heeft ter zitting als volgt verklaard. Hij erkent op basis van de verklaring van [slachtoffer] (hierna aangeefster of [slachtoffer] ) en het in haar string aangetroffen speeksel en het daar eveneens aangetroffen DNA-materiaal - dat van hem afkomstig is - dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft verricht terwijl zij lag te slapen..
3.3.2
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en de behandeling ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 19 op 20 november 2023 bevonden verdachte en aangeefster, buren van elkaar, zich in haar woning in [plaats] na een avondje uit. Aangeefster maakte verdachte duidelijk dat zij wilde gaan slapen en stuurde hem naar huis, waarop hij vertrok. Verdachte heeft haar vervolgens diverse keren gebeld en berichten gestuurd. Zij heeft geantwoord dat hij moest kappen en dat zij ging slapen. Hierna is zij in slaap gevallen. Enige tijd later is verdachte met gebruikmaking van de ‘voor nood’ van aangeefster gekregen huissleutel - maar zonder haar toestemming - haar woning en slaapkamer binnengegaan en zag dat zij sliep. Hij is toen, ontkleed, bij haar in bed gekropen en heeft zijn tong tussen haar schaamlippen en bij haar vagina gebracht, hetgeen in de tenlastelegging als likken wordt benoemd. Daardoor schrok aangeefster wakker en maakte zij – door snel overeind te komen – een einde aan de seksuele handelingen. Zij heeft de verrichte seksuele handelingen niet gewild. In de string van aangeefster is een relatief grote hoeveelheid (in vergelijking met de relatief kleine hoeveelheid DNA-materiaal van aangeefster) DNA-materiaal van verdachte aangetroffen. Ook is speeksel aangetroffen.
3.3.3
Bewijsoverwegingen en conclusie
3.3.3.1 Primair ten laste gelegde
Seksueel binnendringen
De tenlastelegging is toegespitst op artikel 242 (oud) Sr: verkrachting.
Opmerking verdient dat wat in het dagelijks spraakgebruik als verkrachting wordt aangeduid, in het strafrecht niet altijd dezelfde betekenis heeft. Onder de inmiddels gewijzigde wetgeving is van verkrachting sprake als iemand wordt gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden vast dat verdachte bij aangeefster, terwijl zij lag te slapen, zijn tong tussen haar schaamlippen heeft gebracht en haar vagina heeft gelikt. Juridisch moet dit worden gekwalificeerd als ‘het seksueel binnendringen van het lichaam’.
Dwang
Voor een bewezenverklaring van verkrachting is dwang is vereist. De dwangmiddelen opgenomen in artikel 242 Sr Pro (oud) zijn: (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid. Van (bedreiging met) geweld is in deze zaak geen sprake. De officier van justitie stelt dat verdachte aangeefster door ‘een andere feitelijkheid’ heeft gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan, namelijk door de handelingen onverhoeds te verrichten terwijl aangeefster sliep, waarmee verdachte verzet van aangeefster heeft voorkomen.
De verdediging heeft gemotiveerd betoogd dat niet voldaan is aan de eisen die aan het vaststellen van dwang moeten worden gesteld.
De rechtbank overweegt het volgende.
Volgens vaste rechtspraak kan van dwingen in de betekenis van artikel 242 Sr Pro (oud)
slechts sprake zijn indien de verdachte heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 242 Sr Pro (oud) bedoelde handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. bijv. HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1701).
Voor deze zaak is relevant dat dwang volgens de Hoge Raad niet kan worden bewezen wanneer een slachtoffer tijdens de seksuele handelingen in slaap is. In dat geval wordt aangenomen dat tijdens het ondergaan van de handelingen een actieve wil bij het
slachtoffer ontbreekt en de handelingen dus niet tegen de wil plaatsvinden (vgl. bijv. ECLI:NL:PHR:2025:1082. Als een slachtoffer echter na aanvang maar voor afloop van de seksuele handelingen wakker wordt, is het voor dwang vereiste bewustzijn vanaf het moment van ontwaking wel aanwezig.
Nu aangeefster sliep op het moment dat verdachte de seksuele handelingen pleegde, ontbrak bij haar een actieve wil en konden die handelingen volgens de hiervoor weergegeven wetsuitleg dus niet tegen haar wil plaatsvinden. Daaraan doet niet af dat aangeefster die seksuele handelingen niet heeft gewild. Toen zij wakker schrok heeft zij de seksuele handelingen vrijwel onmiddellijk weten te beëindigen, zodat niet gezegd kan worden dat deze na haar ontwaken tegen haar wil hebben voortgeduurd. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet bewezenverklaard kan worden dat in juridische zin van dwang sprake was en zal verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde verkrachting.
3.3.3.2 Subsidiair ten laste gelegde
De tenlastelegging is toegespitst op artikel 243 (oud) Sr. Dit artikel stelt onder meer strafbaar het seksueel binnendringen bij iemand die bewusteloos is, een verminderd bewustzijn heeft of in lichamelijke onmacht verkeert. Wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak leren dat vaste slaap gekwalificeerd kan worden als lichamelijke onmacht en sluimering die aan een diepe slaap voorafgaat of daarop volgt als verminderd bewustzijn. Wat onder seksueel binnendringen wordt verstaan heeft de rechtbank hiervoor uitgelegd.
Verdachte is opzettelijk seksueel binnengedrongen bij aangeefster terwijl zij sliep. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 november 2023 te [plaats] , gemeente [plaats] , met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten door, terwijl die [slachtoffer] in haar bed lag te slapen,
- zijn, verdachtes, tong tussen haar schaamlippen te brengen en
- haar vagina te likken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 243 (oud) Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair
het misdrijf: met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het volgende gevorderd voor het primair ten laste gelegde:
- een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
- oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] ;
- de dadelijke uitvoerbaarheid van die vrijheidsbeperkende maatregel.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn bekennende proceshouding en het tijdsverloop tussen pleegdatum en berechting. Zij bepleitte af te wijken van het taakstrafverbod door oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest, met daarnaast een forse taakstraf. Als bijzondere voorwaarde zou meewerken aan behandeling kunnen worden opgelegd; verdachte is daartoe bereid. Tegen een contactverbod als maatregel op grond van artikel 38v Sr bestaat geen bezwaar.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Het gepleegde feit
Na een gezamenlijke avond uit heeft aangeefster verdachte, bevriend buurman, verzocht naar zijn eigen huis te vertrekken om daarna zelf naar bed te gaan. Toen verdachte vervolgens herhaaldelijk telefonisch en per Whatsapp weer contact met haar zocht, heeft zij hem in duidelijke bewoordingen te verstaan gegeven dat hij moest kappen en dat zij ging slapen. Verdachte is enige tijd later het huis – en de slaapkamer - van aangeefster binnengeslopen, heeft zich uitgekleed, is bij haar in bed gaan liggen en heeft bij aangeefster seksuele handelingen verricht, die juridisch als seksueel binnendringen hebben te gelden, door zijn tong tussen haar schaamlippen te brengen en haar vagina te likken. Het is voor aangeefster een zeer traumatiserende ervaring geweest wakker te worden met in haar bed haar naakte buurman, die bij haar die seksuele handelingen verrichtte. In haar eigen slaapkamer en bed: bij uitstek de plek waar aangeefster zich, net als iedereen, veilig zou moeten kunnen voelen. Hoewel dit juridisch een strafbaar feit oplevert dat met minder straf wordt bedreigd dan ‘verkrachting’ (waarvan verdachte wordt vrijgesproken), is wat verdachte heeft gedaan een grove inbreuk op de seksuele integriteit van het slachtoffer die als even zwaar is ervaren. Verdachte is er niet in geslaagd de rechtbank uit te leggen waarom hij heeft toegegeven aan zijn seksuele behoeftes, uitgeoefend op een slapende vrouw, in wier huis én slaapkamer hij zonder haar toestemming was binnengedrongen. Hij lijkt zich in het geheel niet bekommerd te hebben om de emotionele schade die hij daardoor bij haar zou kunnen aanrichten en ook aangericht heeft. Hoe groot die emotionele schade is, heeft aangeefster, toen zij van haar spreekrecht gebruik maakte, op indringende wijze verwoord en is onderbouwd in haar hierna te bespreken vordering tot schadevergoeding. Dit alles weegt zwaar in het nadeel van verdachte.
Houding van de verdachte
Verdachte heeft pas vlak voor de zitting - en dus meer dan twee jaar na het gepleegde feit – min of meer het ten laste gelegde bekend, in een aan de rechtbank gerichte brief die ook voor aangeefster bedoeld was. Waar die brief als tegemoetkoming aan aangeefster zou zijn bedoeld, is verdachte zijn doel volledig voorbij geschoten. In de verhoren bij de politie en in zijn brief leest de rechtbank vooral beschuldigingen en verdachtmakingen aan het adres van aangeefster. Verdachte heeft naar eigen zeggen sinds de pleegdatum tal van therapieën gevolgd en hulpverleners, al dan niet ervaringsdeskundigen, geraadpleegd. Daarbij is aan zijn seksuele problematiek, voor zover de rechtbank dat althans uit zijn verklaring ter zitting heeft kunnen opmaken, geen aandacht besteed. Dit verbaast en verontrust de rechtbank. Evenmin heeft hij er met zijn partner over gesproken, wat ook niet goed te begrijpen valt, gelet op de door zijn partner aan hem gestuurde tekstberichten waarin zij schrijft dat hij een ‘seksprobleem’ heeft waarvoor hij in therapie moet. In de context van de gedragingen van verdachte, zijn houding ten opzichte van dit delict en het kennelijk negeren van zorgen over zijn seksueel functioneren acht de rechtbank het bovendien verontrustend dat eerder, in 2019, een jonge vrouw melding heeft gemaakt van het verrichten, door verdachte, van seksuele handelingen tegen haar wil. Die zaak heeft weliswaar niet tot vervolging geleid maar wel tot bemiddeling (mediation) tussen verdachte en de betrokken vrouw.
Persoon van de verdachte
-
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 10 april 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
-
Reclasseringsrapport
Over verdachte is een reclasseringsadvies uitgebracht op 19 september 2025, opgemaakt door [naam 2] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
De reclassering beschrijft dat verdachte een stabiel en delictvrij bestaan heeft geleid zonder problemen en in staat wordt geacht zijn eigen leven vorm te geven en kan geen uitspraak doen over criminogene factoren omdat verdachte (toen nog) een ontkennende verdachte was. De reclassering is nauwelijks ingegaan op mogelijke seksuele problematiek. Dat zou kunnen samenhangen met de toen nog ontkennende houding van verdachte maar dan bevreemdt het dat de reclassering wel uitspraken doet over als delictgerelateerde factoren zoals alcoholgebruik, huisvesting (aangeefster en verdachte waren buren) en de ‘open relatie’ die verdachte destijds had met zijn vriendin. Beschermende factoren zijn ten tijde van het uitbrengen van het rapport het verminderde middelengebruik, de inmiddels niet meer ‘open relatie’ tussen verdachte en zijn partner. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en ziet geen indicatie of noodzaak voor reclasseringsinterventies of toezicht. Verdachte is in staat om een taakstraf te volbrengen en een financiële sanctie te voldoen.
De rechtbank maakt beperkt gebruik van dit reclasseringsrapport omdat het is gebaseerd op de ontkennende verklaring van verdachte en er niet kenbaar is doorgespit op seksuele problematiek. Verdachte heeft de rechtbank er ter zitting niet van kunnen overtuigen dat hij inziet dat zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag aanleiding moet zijn voor een grondige (therapeutische) aanpak. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte (verplicht) een behandeling ondergaat en/of deelneemt aan door de reclassering te bepalen gedragsinterventies, ter voorkoming van recidive. De rechtbank zal daarom een daarop gerichte bijzondere voorwaarde aan de op te leggen straf verbinden, met toezicht van de reclassering.
- Conclusie
Dat betekent niet dat slechts met een geheel voorwaardelijke straf al dan niet in combinatie met een taakstraf kan worden volstaan. Niet alleen biedt artikel 22b Sr daarvoor geen ruimte, maar gelet op al het bovenstaande en met name de ernst van het feit, is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf waarvan een groot deel onvoorwaardelijk zal zijn, passend en geboden is. Dat dit voor verdachte een zware dobber zal worden en mogelijk gevolgen zal hebben voor zijn bedrijf heeft de rechtbank onder ogen gezien. Dat iemand, al dan niet in loondienst, betaald werk verricht en/of op andere wijze een bijdrage aan de maatschappij levert, brengt echter geen vrijwaring van detentie met zich. De aard en ernst van het bewezen verklaarde, alsmede de gevolgen voor aangeefster, zijn hierbij van doorslaggevend belang.
Er is (nog) geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank merkt de dag van inverzekeringstelling (4 maart 2024) aan als aanvangsdatum van de termijn en de rechtbank doet binnen twee jaar daarna uitspraak.
De rechtbank houdt wel rekening met het (ook voor aangeefster) onwenselijk lange tijdsverloop tussen pleegdatum en datum vonnis waardoor verdachte lang in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afdoening.
De rechtbank houdt rekening met de eis van de officier van justitie voor het primair ten laste gelegde: een feit waarop een langere gevangenisstraf staat dan het feit waarvoor nu veroordeling volgt.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk opleggen. Hierbij wordt de proeftijd op drie jaren vastgesteld. Het voorwaardelijk deel van de straf dient er toe verdachte tot begeleiding en hulpverlening binnen een voorwaardelijk kader te verplichten en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn voor oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex art 38v Sv aangezien niet gebleken is dat dit noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard geen contact met het slachtoffer te zoeken en heeft dat de afgelopen jaren ook niet gedaan.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 49.907,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- inkomstenderving € 30.818,00
- kosten accountant € 2.319,57
- verhuis- en opslagkosten € 2.182,49
- vervanging van goederen € 877,90
- medische kosten € 920,00
- parkeerkosten € 14,53
- reiskosten € 775,05
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 12.000,00 gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade, kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd.
Zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de gevorderde schadevergoeding voor de kosten van de accountant, de vervanging van goederen, de medische kosten, de parkeerkosten en de reiskosten. Zij betwist de schade van inkomstenderving en verhuis- en opslagkosten. Over de inkomstenderving voert de raadsvrouw aan dat dit een ingewikkelde kwestie is waarvoor de benadeelde zelfs de hulp van een accountant heeft moeten inroepen. Van verdachte kan niet gevergd worden dat hij, in het kader van zijn strafzaak, ook dergelijke hulp moet inschakelen. De verhuis- en opslagkosten staan in een te ver verwijderd verband met het strafbare feit en de opslagkosten hadden beperkt kunnen worden Verdachte is desondanks bereid de helft van deze schade te vergoeden, te weten een bedrag van 15.000 euro voor inkomstenderving en een bedrag van 1.091,25 euro voor verhuis- en opslagkosten, met afwijzing van de vordering voor het overige.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
7.4.1
Materiële schade
Materiële schade niet betwist
De opgevoerde schadeposten van kosten accountant, vervanging van goederen, medische kosten, parkeerkosten en reiskosten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet betwist. De vordering zal in zoverre worden toegewezen.
Materiële schade betwist
- Inkomstenderving
De omvang van de opgevoerde onderbouwde schadepost inkomstenderving is gemotiveerd betwist terwijl ook een als schikkingsvoorstel te duiden aanbod is gedaan. De rechtbank is van oordeel dat verdere discussie over de omvang van deze schade, bijvoorbeeld door de verdediging de gelegenheid te bieden met een eigen accountantsrapport te komen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden. De exacte omvang staat nog niet vast. De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om de gedeeltelijke omvang van de schade te schatten. De rechtbank stelt de gedeeltelijke omvang van de schade vast op het aangeboden bedrag van € 15.000,00. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
- Verhuis- en opslagkosten
De opgevoerde schadepost is onvoldoende betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen, een bedrag van € 2.182,49.
-
Samengevat
De rechtbank zal het gevorderde deels toewijzen tot een bedrag van € 22.089,54, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de datum van het schadeveroorzakende feit op 20 november 2023.
De rechtbank zal de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering ter vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
7.4.2
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (smartengeld) is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van de vordering, daaronder begrepen de bijlagen van de zorgverleners van de benadeelde partij, blijkt dat de gevolgen van het handelen van verdachte voor haar groot zijn. Rekening houdend met de omstandigheden van het geval en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank de toekenning van het gevorderde bedrag van € 12.000,00 billijk.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 171 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
subsidiair
het misdrijf: met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Molenstraat 50 in Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;
- zich ambulant laat diagnosticeren en behandelen gericht op zijn seksuele gedrag, bij een instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van behandelaar(s) zullen worden gegeven;
- deelneemt aan een leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op seksualiteit, verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 34.089,54 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2023);
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 34.089,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2023 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 171 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.K. ten Cate, voorzitter, mr. E. Venekatte en
mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ONRBC23273/MOLISE. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
In de nacht van 19 op 20 november 2023 was ik in de woning van [slachtoffer] in [plaats] . Ik ben hier toch naartoe gegaan, hoewel ze had gezegd dat ze wilde slapen. Ik heb haar huissleutel, die ik voor noodgevallen van haar had gekregen, gebruikt om naar binnen te gaan. Ik had hiervoor geen toestemming gevraagd. Ik ben naar haar slaapkamer gegaan. Ik zag dat [slachtoffer] in haar bed lag te slapen. U confronteert mij met mijn verklaring bij de politie dat dat mij herinnerde aan een afspraak die ik vroeger had gemaakt met mijn allereerste vriendin: dat het voor de ander leuk zou zijn om wakker te worden met een seksuele handeling. Ik dacht dat [slachtoffer] dat ook leuk zou vinden maar heb dat niet met haar besproken. Ik herinner me wel dat het door mijn hoofd is gegaan seksuele handelingen te verrichten en dat ik aanstalten maakte. Ik herinner me dat ik mijn kleding in de kamer van [slachtoffer] heb uitgetrokken. Op een bepaald moment zat ik op het voeteneind van haar bed. Ik heb toen mijn bovenkleding aangetrokken, over mijn ontblote bovenlichaam.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 5 december 2023, pagina’s 64 t/m 77, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:
V: Tegen wie doe je aangifte?
A: [verdachte] .
V: Wanneer is dit gebeurd?
A: In de nacht van zondag 19 op maandag 20 november 2023.
V: Waar is dit gebeurd?
A: In mijn slaapkamer in [plaats] .
V: Hoe kon [verdachte] bij jou binnen komen?
A: Hij heeft de sleutel van mijn huis.
A: Ik ben naar boven gegaan. Toen was het plan van mij om te gaan slapen.
A: Toen belde hij mij op mijn telefoon. [verdachte] , bedoel ik. Ik zei dat ik wilde dat hij mij met rust wilde laten.
A: Ik zei tegen hem "nee, het is nu klaar, ik ga slapen, welterusten". Ik heb toen opgehangen en toen heeft hij mij nog meerdere keren gebeld. Ik heb niet meer opgenomen, voor mij was het klaar. Ik heb hem toen geappt "morgen, ik heb nu geen zin om te kletsen, morgen kap". V: En dan?
A: In slaap gevallen, het was rond 01.30 uur. Ik werd wakker van hem, hij lag in mijn bed en was mij aan het beffen.
V: Jij slaapt en dan?
A: Ik word wakker omdat ik iets voel bij mijn schaamstreek en vagina. Het duurde 1 seconde bij mij voordat ik besefte wat ik voelde.
V: Wat voelde je dan?
A: Zijn tong
V: Waar voelde je de tong?
A: Tussen mijn schaamlippen.
V:: Het besef duurde een seconde en dan?
A: Toen ik besefte wat ik voelde, schoot ik omhoog en toen zag ik zijn hoofd onder mijn dekens vandaan komen. Hij keek mij met grote ogen aan en zei "ik dacht dat jij dit ook wilde". Ik weet nog dat ik achter hem op de grond kleding zag liggen. Ik heb hem gevraagd of hij naakt was. Hij heeft dat bevestigd toen.
3.
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4°, Sv, te weten (kortweg) het rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 30 april 2024, opgesteld door [naam 3] , NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als bevindingen van de deskundige,
[Afbeelding]
Toelichting:
1. Vanwege de overeenkomsten met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] en omdat het een bemonstering van haar string betreft, is ervan uitgegaan dat er daadwerkelijk DNA van [slachtoffer] in de bemonstering aanwezig is. Dergelijke bemonsteringen bevatten doorgaans DNA van de persoon zelf. De bewijskracht is daarom niet berekend.
2. Er is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel in de bemonstering. Op basis van het DNA-onderzoek is geconcludeerd dat het DNA afkomstig is van meerdere personen. Indien de bemonstering daadwerkelijk speeksel bevat, kan op basis van deze resultaten geen uitspraak worden gedaan van wie het speeksel afkomstig kan zijn.