ECLI:NL:RBOVE:2026:630

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/08/339084 / HA ZA 25-331
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Bottenberg-van Ommeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2010 RvArt. 6:74 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor oproeping in vrijwaring en verwijzing hoofdzaak naar rolzitting

In deze civiele procedure vordert UTS gedeeltelijke ontbinding van een koopovereenkomst met partij A, vanwege non-conforme levering van producten, en schadevergoeding voor geleden en toekomstige schade. Partij A voert verweer en stelt een eis in reconventie in.

In het incident vordert partij A toestemming om bedrijf B.V. in vrijwaring op te roepen, omdat zij stelt dat eventuele gebreken in de geleverde producten het gevolg zijn van fouten bij de installatie door bedrijf B.V. De rechtbank oordeelt dat partij A voldoende heeft gesteld om deze oproeping toe te staan.

De rechtbank veroordeelt partij A tot betaling van de proceskosten in het incident en verwijst de hoofdzaak naar de rolzitting voor beraad over een mondelinge behandeling. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Het vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en op 4 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Partij A mag bedrijf B.V. in vrijwaring oproepen en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rolzitting voor beraad.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339084 / HA ZA 25-331
Vonnis in incident van 4 februari 2026
in de zaak van
UTSOLUTIONS B.V.,
te Coevorden,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: UTS,
advocaat: mr. J. van Schendel,
tegen
[partij A] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. V.G.A. Kruijtzer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 23 september 2025 met producties;
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord, tevens
eis in reconventie van [partij A] van 7 januari 2026;
- de conclusie van antwoord tot referte in het incident tot oproeping in vrijwaring ex artikel
2010 van UTS van 21 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

In de hoofdzaak
2.1.
In de hoofdzaak vordert UTS, kort samengevat, gedeeltelijke ontbinding van een met [partij A] op 27 september 2023 gesloten overeenkomst, te weten voor de 60 units die UTS niet afnam en de 198 units die UTS op voorraad heeft (stand 20 maart 2025). Verder vordert UTS dat [partij A] zal worden veroordeeld tot (terug)betaling van de voor 198 units betaalde koopsom. Daarnaast vordert UTS dat [partij A] zal worden veroordeeld tot betaling van de schade die UTS heeft geleden en/of nog zal lijden als gevolg van de tekortkomingen in de nakoming door [partij A] jegens UTS met betrekking tot de koopovereenkomst van
27 september 2023, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en met betaling van een voorschot. Tot slot vordert UTS betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.
UTS heeft daartoe, kort samengevat, naar voren gebracht dat [partij A] non-conforme producten heeft geleverd aan UTS en dat daarom de koopovereenkomst gedeeltelijk ontbonden dient te worden alsmede dat [partij A] daarom gehouden is de schade te vergoeden die UTS daardoor lijdt.
2.3.
[partij A] voert verweer. Eveneens heeft [partij A] een eis in reconventie ingesteld.
In het incident
2.4.
[partij A] vordert dat haar wordt toegestaan [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats 2] (hierna: [bedrijf]) in vrijwaring op te roepen.
2.5.
Hiertoe heeft [partij A] onder andere het volgende naar voren gebracht.
UTS heeft gesteld dat één van de gestelde gebreken is gelegen in het beweerdelijk verkeerdom installeren van (temperatuur)sensoren, waardoor de zogeheten “geluidsarme vrije koelingsunits” (hierna: GVKU) bij ingebruikname van de PoP-units waarin de GVKU’s zijn ingebouwd (en die UTS aan haar klanten levert) storingen zou geven. Een ander gebrek zou volgens UTS gelegen zijn in een verkeerde situering van kabels, waardoor deze langs het verwarmingselement zouden (hebben) kunnen lopen, wat brandgevaar zou (hebben) kunnen opleveren. UTS stelt als gevolg van deze gebreken schade te hebben geleden c.q. te zullen lijden.
[partij A] meent dat als de rechtbank één of meer vorderingen van UTS zou toewijzen op grond van deze gebreken, [bedrijf] haar dient te vrijwaren voor de gevolgen daarvan. Volgens [partij A] is het namelijk [bedrijf] die de installatie van het elektronische gedeelte van de GVKU’s heeft verzorgd en is daarmee ook de partij die de sensoren verkeerdom heeft geïnstalleerd en de partij die niet heeft gewaarschuwd voor het mogelijke gevaar dat de situering van de bekabeling zou kunnen opleveren. Mocht de rechtbank één of meer vorderingen van UTS toewijzen op grond dat elektronische werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd, waardoor de geleverde GVKU’s gebrekkig waren ten tijde van de levering, dan zal [partij A] op haar beurt vorderingen (op grond van artikel 6:162 BW Pro dan wel artikel
6:74 BW) krijgen op [bedrijf] en [partij A] zal zich in dat geval op [bedrijf] verhalen, aldus [partij A]. [partij A] heeft er dus recht op en belang bij [bedrijf] in vrijwaring op te roepen.
2.6.
UTS refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.De beoordeling

In het incident:
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] voldoende gesteld om te rechtvaardigen dat haar wordt toegestaan om [bedrijf] B.V. (de statutaire naam van [bedrijf]) in vrijwaring op te roepen. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
3.2.
[partij A] zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De kosten aan de zijde van UTS zal worden begroot op nihil, omdat zij zich niet heeft verweerd tegen het incident.
In de hoofdzaak:
3.3.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor beraad.
3.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
In het incident:
4.1.
staat [partij A] toe om
[bedrijf] B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2], in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de civiele terechtzitting van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, team kanton en handelsrecht op
woensdag 4 maart 2026;
4.2.
veroordeelt [partij A] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van UTS tot op heden begroot op nihil;
In de hoofdzaak:
4.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
woensdag 4 maart 2026voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. (ak)