ECLI:NL:RBOVE:2026:612

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
341792 / JE RK 25-1982
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming wijziging verblijfplaats minderjarige na langdurige spanningen tussen pleegouders en ouders

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering om toestemming te verlenen voor de wijziging van de verblijfplaats van een vierjarige minderjarige, die sinds vijf weken na geboorte bij pleegouders verbleef, naar de vader met gezag. De situatie bij de pleegouders was onhoudbaar door langdurige spanningen tussen pleegouders en ouders, ondanks diverse inspanningen en afspraken.

Een perspectiefonderzoek uitgevoerd door Curess concludeerde dat de minderjarige bij de vader met gezag kan wonen en dat de voordelen van terugplaatsing opwegen tegen de nadelen van het verbreken van de langdurige pleegplaatsing. De pleegouders voerden verweer vanwege het belang van continuïteit, veiligheid en hechting, maar konden het perspectiefonderzoek onvoldoende onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige om bij de vader op te groeien zwaarder weegt dan het belang van continuering van het family life met de pleegouders. De beslissing tot wijziging van verblijfplaats wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om verdere spanningen te voorkomen. De rechtbank benadrukte het belang van een zorgvuldige, gefaseerde overplaatsing en het behoud van contact tussen de minderjarige en pleegouders.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor wijziging van verblijfplaats van de minderjarige van pleegouders naar vader met gezag en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/08/341792 / JE RK 25-1982
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Beschikking toestemming wijziging verblijfplaats
in de zaak van:
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Zwolle,
over
[de minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.M. Klomp,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.C. Milani.
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. T.H. Westerhof-Dijkstra.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 december 2025;
  • het verweerschrift met bijlagen namens de pleegouders, ontvangen op 13 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Klomp;
  • de vader, bijgestaan door mr. Milani;
  • de pleegouders, bijgestaan door mr. Westerhof-Dijkstra;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 23 december 2021 bij de pleegouders.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 27 februari 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 3 maart 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot
3 oktober 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 mei 2025 heeft de kinderrechter het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin afgewezen.
2.5.
Bij beschikking van 16 september 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 3 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de rechtbank toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar de ouder met gezag en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast verzoekt de GI een machtiging te verlenen [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij een ouder met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing stelt de GI dat Curess – met instemming van alle belanghebbenden - langdurig, uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar het perspectief van [de minderjarige] en dat uit dat onderzoek het advies is gekomen om gefaseerd toe te werken naar een thuisplaatsing bij de vader in de situatie dat de vader bij oma vz woont. De GI vindt het van groot belang dat de pleegouders een rol blijven spelen in het leven van [de minderjarige] in de vorm van een vaste bezoekregeling en dat de adviezen van Curess opgevolgd worden. De situatie van de vader is recent gewijzigd met de geboorte van [naam 3] , maar tot nu toe heeft deze wijziging een positieve invloed op de vader.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI nog verklaard dat er al vanaf april 2025 sprake is van een onhoudbare situatie in verband met de strijd tussen de pleegouders en de ouders, waarvan [de minderjarige] last heeft. De kinderrechter heeft in mei 2025 het verzoek tot plaatsing van [de minderjarige] in een neutraal pleeggezin afgewezen in verband met de mogelijke gevolgen voor [de minderjarige] en het lopende perspectiefonderzoek. Het perspectiefonderzoek is nu afgerond en het advies is duidelijk. De GI ziet dat de vader in de afgelopen jaren veel heeft geleerd en dat zijn gedrag is veranderd. De GI heeft de verwachting dat de vader in staat is om aan de voorwaarden van Curess te voldoen en de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Plaatsing van [de minderjarige] bij de vader is dus naar de mening van de GI in het belang van [de minderjarige] . De GI verwacht niet dat daarmee de strijd wordt opgelost maar met de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader komt er wel duidelijkheid voor iedereen en worden de rollen van de belanghebbenden anders. Dat kan het verschil maken. De GI realiseert zich dat het van alle betrokkenen veel vraagt als [de minderjarige] bij de vader gaat wonen.

4.De standpunten

4.1.
De vader is het eens met de verzoeken en stemt in met de adviezen van Curess. De uitkomst van het perspectiefonderzoek bevestigt de enorme inzet van de vader in de afgelopen jaren en de positieve ontwikkeling die hij sinds het eerste perspectiefonderzoek in 2023 heeft doorgemaakt. Weliswaar is er bij de vader sprake van een nieuwe situatie met de geboorte van zijn zoon [naam 3] , maar er zijn geen zorgen hierover. De vader heeft wel de wens maar voorlopig geen plannen om met de moeder van [naam 3] te gaan samenwonen. De vader blijft bij oma vz wonen omdat daarmee het belang van [de minderjarige] is gediend. De vader ziet dat [de minderjarige] het bij de pleegouders fijn heeft en hij erkent dat er sprake is van family life tussen [de minderjarige] en pleegouders. Hij vindt echter dat het belang (het recht) van [de minderjarige] om bij hem op te groeien en het belang (het recht) van hemzelf om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen zwaarder weegt dan het belang om het family life met pleegouders voort te laten duren. Met een plaatsing bij de vader wordt het recht van [de minderjarige] om met beide ouders contact te hebben het meest gewaarborgd en het family life zal gefaseerd worden doorbroken. De vader is bereid om te werken aan het verbeteren van de onderlinge relatie met de pleegouders. Hij begrijpt dat het voor de pleegouders heel moeilijk is, maar [de minderjarige] zal nooit uit het leven van pleegouders verdwijnen.
4.2.
De moeder is het ook eens met de verzoeken. Er is sprake geweest van een langdurig traject waarbij diverse instanties betrokken zijn geweest en de uitkomst daarvan is dat [de minderjarige] bij de vader geplaatst moet worden. De moeder vindt een plaatsing bij de vader noodzakelijk om [de minderjarige] de ruimte te geven om onbelast contact met iedereen te kunnen hebben. De moeder is bereid om in het belang van [de minderjarige] te werken aan verbetering van de communicatie met de vader. Het contact tussen de moeder en de pleegouders kan volgens de moeder niet meer worden hersteld.
4.3.
De pleegouders voeren verweer tegen de verzoeken van de GI omdat toewijzing niet in het belang van [de minderjarige] is en omdat het recht op family life bij de pleegouders en het belang van continuïteit, veiligheid en hechting zwaarder moet wegen dan het algemene uitgangspunt dat een kind bij een biologische ouder opgroeit. Een abrupte of onvoldoende gewaarborgde plaatsing bij de vader brengt een aanzienlijk risico op een ernstige hechtingsbreuk met zich. De pleegouders vragen zich af of de vader in staat is om emotioneel en fysiek voldoende aan te sluiten bij [de minderjarige] en wat de gevolgen zijn van de gewijzigde situatie van de vader. Ook denken de pleegouders dat de kans heel groot is dat zij [de minderjarige] niet meer terug zien. De omgang verloopt goed en de pleegouders vinden het van belang dat [de minderjarige] het bij iedereen goed heeft.
De pleegouders stellen verder dat de verzoeken zijn ingediend zonder een goed onderbouwd plan van aanpak terwijl dat wel is vereist vanuit de richtlijn jeugdhulp uithuisplaatsing en terugplaatsing. Verder biedt naar de mening van de pleegouders het perspectiefonderzoek onvoldoende grondslag voor plaatsing bij vader en ontbreken de noodzakelijke waarborgen. De pleegouders stellen dat het perspectiefonderzoek niet voldoet aan de eisen zodat het niet van doorslaggevende betekenis kan zijn bij de belangenafweging. Verder vrezen de pleegouders dat de strijd met toewijzing van de verzoeken niet eindigt, maar dat een plaatsing van [de minderjarige] bij de vader een reëel risico is voor het welzijn en de emotionele veiligheid van [de minderjarige] . Volgens de pleegouders geeft het onderzoek onvoldoende inzicht in de vraag hoe de strijd duurzaam wordt begrensd en hoe verdere schade aan [de minderjarige] wordt voorkomen. De pleegouders zijn bereid tot samenwerking met de ouders en zij hebben hulp gezocht om anders te leren communiceren, maar volgens pleegouders zijn de vader en oma vz niet in staat om hun gedrag jegens hen aan te passen. De pleegouders weten dat de moeder niet meer in gesprek met hen wil, maar zij vinden dat in het belang van [de minderjarige] moet worden gekeken hoe zij samen door één deur kunnen. Als [de minderjarige] wel bij de vader gaat wonen, verwachten de pleegouders dat het hen met goede begeleiding gaat lukken om een andere rol in het leven van [de minderjarige] in te nemen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank stelt vast dat [de minderjarige] gedurende ten minste één jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd. Op grond van artikel 1:265i, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek heeft de GI de toestemming van de rechtbank nodig voor wijziging van het verblijf van [de minderjarige] . Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank het verzoek van de GI slechts kan afwijzen als zij dat in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk oordeelt.
Hieruit volgt dat de rechtbank de toestemming in beginsel verleent tenzij het belang van de minderjarige een andere beslissing noodzakelijk maakt. Artikel 1:265i BW is geschreven om een rechterlijke toets te verzekeren voor elke verplaatsing van een pleegkind dat minstens één jaar in hetzelfde pleeggezin opgroeit. De reden voor deze regel is dat er in deze situatie sprake is van family life tussen het pleegkind en het pleeggezin, dat door de overplaatsing wordt doorbroken. In het kader van artikel 1:265i BW moet de rechter het belang van het laten voortduren van family life (in dit geval tussen [de minderjarige] en de pleegouders) afwegen tegen het belang van het kind in het algemeen (in dit geval het belang van [de minderjarige] ). Alleen als zou worden geoordeeld dat dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is, moet de rechtbank het verzoek om toestemming voor overplaatsing afwijzen. Dat zou ertoe leiden dat er geen overplaatsing van [de minderjarige] mag plaatsvinden en [de minderjarige] bij de pleegouders blijft.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij bij de pleegouders blijft wonen. De rechtbank zal het verzoek van de GI tot wijziging van het verblijf naar de ouder met gezag (in dit geval vader) daarom toewijzen, waarbij het advies van Curess ten aanzien van wonen bij vader volledig zal moeten worden opgevolgd. Zij legt de beslissing hierna uit. De rechtbank realiseert zich dat dit een ingrijpende beslissing is voor alle betrokkenen. De emoties van alle betrokkenen bij deze beslissing zijn dan ook invoelbaar.
5.3.
Een uithuisplaatsing is een zogenoemd ‘ultimum remedium’. Deze ingrijpende maatregel is slechts gerechtvaardigd als er geen andere, minder verstrekkende mogelijkheid
meer voorhanden is. Het uitgangspunt blijft altijd dat een minderjarige door de ouders of één van hen wordt opgevoed als dat mogelijk is.
5.4.
[de minderjarige] was vijf weken oud toen hij bij pleegouders is geplaatst omdat beide ouders destijds niet in staat waren om voor [de minderjarige] te zorgen. Aanvankelijk was dit in een vrijwillig kader, maar sinds maart 2022 is er sprake van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. De pleegouders hebben zich al die jaren met veel liefde en toewijding ingezet om [de minderjarige] te geven wat hij nodig heeft. [de minderjarige] is veilig aan hen gehecht en hij ontwikkelt zich naar omstandigheden goed. Wel heeft hij last van de nog steeds voortdurende strijd tussen iedereen die een belangrijke rol in zijn leven speelt: de pleegouders, de vader en de moeder. De vader en de moeder steunen de plaatsing bij de pleegouders niet (meer) en er worden over en weer zorgen geuit over de (opvoedings)situatie. Hoewel de kinderrechter in haar beschikking van 15 mei 2025 afspraken heeft opgenomen die met de betrokkenen zijn gemaakt over hoe zij met elkaar omgaan en hoe zij zich moeten gedragen jegens de GI èn de betrokkenen hebben toegezegd hieraan hun medewerking te zullen verlenen, blijkt uit de stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, dat de situatie niet is veranderd. Voor [de minderjarige] is het een ingewikkelde situatie waarin hij zich moet verhouden tot zijn ouders en pleegouders en waarin (daardoor) onduidelijkheid is over zijn perspectief. Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] aangepast gedrag laat zien binnen de verschillende systemen en dat er signalen zijn van een beginnend loyaliteitsconflict.
5.5.
Tijdens de mondelinge behandeling van 27 februari 2025 hebben de ouders en de pleegmoeder ingestemd met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om een nieuw perspectiefonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek, dat door Curess is uitgevoerd, is in mei 2025 gestart. Bij de ouders was dit onderzoek gericht op het perspectief en bij de pleegouders op het zogeheten goed genoeg ouderschap. In juli 2025 is het onderzoek bij de moeder afgesloten, nadat de moeder heeft aangegeven haar eigen leven onvoldoende op de rit te hebben. Bij beschikking van 17 september 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 3 maart 2026 en is overwogen dat op korte termijn duidelijkheid wordt verwacht over het perspectief en dat de GI stappen zal ondernemen als uit dat onderzoek blijkt dat het perspectief van [de minderjarige] bij de vader ligt.
5.6.
Het onderzoek is in het najaar van 2025 afgerond. Uit het verslag blijkt dat de vader en oma vz competent zijn in de zorg en opvoeding van [de minderjarige] , dat [de minderjarige] goed hanteerbaar is bij vader en oma vz en dat vader en oma vz in de ouder-kindrelatie in staat zijn problemen op een adequate wijze op te lossen. Verder wordt gezien dat de veerkracht van [de minderjarige] , vader en oma vz groot is en dat zij veel sociale steun ervaren. De inschatting van Curess is dat de winst van een thuisplaatsing voor [de minderjarige] iets groter is dan het verlies van een mislukte thuisplaatsing en dat de mogelijkheid om bij één van de ouders op te groeien opweegt tegen de mogelijke nadelige effecten van het stoppen van een langdurige plaatsing bij pleegouders. Curess verwacht dat de spanningen in de systemen zullen verminderen als [de minderjarige] bij de vader wordt geplaatst. Curess verwacht dat de vader zich zal inspannen om het contact met pleegouders in stand te houden en dat het oma vz zal lukken om ook in contact met pleegouders te zijn. Verder zal een plaatsing bij de vader tot gevolg hebben dat Trias pleegzorg stopt, wat naar verwachting zal bijdragen aan vermindering van de strijd. De vader zegt alleen maar negatieve ervaringen te hebben met Trias en de GI en Trias hebben verschillende visies op wat het beste is voor [de minderjarige] . Ook voor moeder zal een plaatsing van [de minderjarige] mogelijk rust opleveren, omdat zij dan geen contact meer met pleegouders hoeft te hebben. Curess verwacht dat de strijd tussen pleegouders en de ouders onverminderd zal doorgaan als de plaatsing bij pleegouders wordt gecontinueerd, wat belemmerend is voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het advies van Curess is dat in stappen wordt toegewerkt naar een plaatsing bij de vader. Daarbij is het wenselijk als de vader begeleiding blijft ontvangen waarbij gemonitord wordt hoe het met [de minderjarige] gaat en dat de vader en oma vz begeleid worden bij de gefaseerde plaatsing. Curess adviseert dat [de minderjarige] pas zal starten met school als hij volledig bij de vader is geplaatst om te voorkomen dat er teveel veranderingen tegelijkertijd zullen plaatsvinden. Daarnaast adviseert Curess om de vader en oma vz te ondersteunen in het contact met pleegouders omdat het van belang is dat pleegouders een rol blijven spelen in het leven van [de minderjarige] in de vorm van een vaste bezoekregeling en eventuele vaste belmomenten. Ook is hulpverlening voor pleegouders wenselijk in verband met de verandering in de rol van pleegouders naar grootouders, de communicatie met vader en oma vz en om de thuisplaatsing gefaseerd te laten plaatsvinden. Ten slotte zullen ook de ouders afspraken met elkaar moeten maken over omgang.
5.7.
De pleegouders hebben onvoldoende onderbouwd dat het onderzoek door Curess niet deugdelijk is uitgevoerd, zodat de rechtbank geen redenen ziet om aan het advies van Curess voorbij te gaan.
5.8.
Uit het onderzoeksverslag en de overige stukken blijkt dat de vader in de afgelopen jaren een groei heeft laten zien in zijn persoonlijke ontwikkeling. Hoewel er recent een grote wijziging heeft plaatsgevonden door de geboorte van [naam 3] , is niet gebleken dat dit van negatieve invloed is op de opvoedmogelijkheden van de vader. De omgang met [de minderjarige] is gaandeweg uitgebreid waardoor de zorg feitelijk wordt gedeeld door de pleegouders en de vader. Gebleken is dat dit niet werkt en dat de situatie voor [de minderjarige] onhoudbaar is geworden. De rechtbank verwacht, net als Curess, dat de situatie voor [de minderjarige] niet verbetert als hij bij pleegouders blijft wonen. Immers, ondanks ingezette hulpverlening en onder andere de afspraken in de beschikking van 15 mei 2025 is er niets in positieve zin veranderd en zijn de zorgen over [de minderjarige] in de verhoudingen tussen zijn ouders en pleegouders toegenomen. Gelet op de mogelijkheden van de vader om voor [de minderjarige] te zorgen, is er geen noodzaak meer om de uithuisplaatsing bij de pleegouders voort te laten duren.
5.9.
De rechtbank realiseert zich dat deze beslissing leidt tot een breuk in de gehechtheidsrelatie tussen [de minderjarige] en pleegouders. Daarom is het noodzakelijk dat er een zorgvuldige overplaatsing plaatsvindt waarbij in fases wordt toegewerkt naar een definitieve plaatsing bij de vader en waarbij alle adviezen van Curess worden opgevolgd. Hiermee wordt naar het oordeel van de rechtbank ook tegemoetgekomen aan de vrees van de pleegouders dat de overplaatsing onvoldoende is gewaarborgd. Het is aan de GI om hierin de regie te nemen. De rechtbank verwacht van alle betrokkenen dat zij - zonder enige terughoudendheid – meewerken zodat het voor [de minderjarige] zo goed mogelijk verloopt. Met betrekking tot het family life tussen [de minderjarige] en de vader wijst de rechtbank de vader op zijn verantwoordelijkheid en plicht om het contact met de grootouders te waarborgen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dit te zullen doen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader zich aan die toezegging houdt, omdat dit in het belang van [de minderjarige] is. Dit geldt ook voor het contact tussen [de minderjarige] en de moeder. Tegelijkertijd zullen de pleegouders hun veranderende rol moeten gaan accepteren, waarvan de pleegmoeder heeft gezegd dat dit in het belang van [de minderjarige] zal lukken met de inzet van hulpverlening.
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit omdat zij van oordeel is dat de situatie met oplopende spanning tussen de betrokkenen voor [de minderjarige] niet langer kan voortduren. Voorkomen moet worden dat een eventueel hoger beroep opnieuw voor onduidelijkheid zorgt waardoor de spanning bij [de minderjarige] (en de andere betrokkenen) nog verder dan wel opnieuw oploopt.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige] naar de vader,
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht bij de vader tot 3 maart 2026,
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Mensink, A.M. Koene en M. van Bruggen en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 in tegenwoordigheid van J.C. Bouman, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstuurd.