ECLI:NL:RBOVE:2026:590

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/08/342465 / KG ZA 25-296
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 2 AandeelhoudersovereenkomstArt. 730 RvArt. 205 RvArt. 206 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming non-concurrentiebeding en verbod op contact met klanten en personeel

Eisers, bestaande uit drie vennootschappen binnen een groep, vorderen in kort geding dat gedaagden het non-concurrentiebeding uit de aandeelhoudersovereenkomst naleven en dat zij werkzaamheden voor een concurrerend bedrijf staken. Tevens wordt gevorderd dat gedaagden worden verboden contact op te nemen met werknemers, klanten en leveranciers van de eisers. Eisers baseren hun vordering op het feit dat gedaagde 2 een concurrerend bedrijf heeft opgericht dat gebruikmaakt van activa en activiteiten die eerder aan eisers zijn verkocht.

Gedaagden voeren verweer dat het beslag waarop de vorderingen zijn gebaseerd ondeugdelijk is en dat er geen spoedeisend belang bestaat. Ook betwisten zij het bestaan van een non-concurrentiebeding en stellen dat de vorderingen feitelijk een verkapte verklaring voor recht betreffen. Daarnaast wordt aangevoerd dat het verzoek te uitgebreid is en privacygevoelige informatie betreft.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het non-concurrentiebeding in de aandeelhoudersovereenkomst duidelijk is en dat gedaagde 2 zich niet mag bezighouden met concurrerende activiteiten. De vorderingen tot naleving van het beding en het verbod op contact worden toegewezen, met een beperking van de dwangsommen tot € 1.000 per dag en een maximum van € 10.000 per gedaagde. De vorderingen tot inzage van gegevens worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

De proceskosten worden gecompenseerd tussen eisers en gedaagden 1 tot en met 3, terwijl eisers worden veroordeeld in de kosten van gedaagde 4. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde 1 en 2 worden veroordeeld tot naleving van het non-concurrentiebeding en het staken van werkzaamheden bij het concurrerende bedrijf, met een verbod op contact met klanten en personeel, en beperkte dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/342465 / KG ZA 25-296
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V., hierna ook wel te noemen [eiser 1],

2.
[eiser 2] B.V.,hierna ook wel te noemen [eiser 2],
3.
[eiser 3] B.V.,hierna ook wel te noemen [eiser 3],
alle gevestigd te [vestigingsplaats 1],
eisende partijen,
advocaat mr. J.T. Stekelenburg,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2], kantoorhoudende te [kantoorplaats], hierna te noemen [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2], in privé en (voorheen) handelend onder de naam [bedrijf 1], wonend en zaakdoende in [woonplaats 1], hierna te noemen [gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3] B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats 3], hierna te noemen [gedaagde 3],
gedaagde partijen sub 1 tot en met 3,
advocaat mr. I. Ekkel,
4.
[gedaagde 4], wonend [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen [gedaagde 4],
advocaat mr. G.K. Fraterman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 75 producties,
- 7 producties namens gedaagden 1 tot en met 3,
- de mondelinge behandeling van 23 januari 2026,
- de akte wijziging van eis,
- de pleitnota van eisende partijen,
- de pleitnota van gedaagden 1 tot en met 3,
- de pleitnota van gedaagde 4.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 4 december 2023 is [eiser 1] B.V. opgericht.
2.2.
[gedaagde 4] was werknemer van de eenmanszaak van [gedaagde 2], maar is per
1 augustus 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam voor [eiser 2].
2.3.
[gedaagde 2] heeft op 20 december 2023 de activa en activiteiten van zijn eenmanszaak [bedrijf 1], die zich bezig houdt met vervaardiging, reparatie en installatie van hydraulische apparatuur, voor € 200.000,00 verkocht aan [eiser 2].
2.4.
Op 20 december 2023 heeft [gedaagde 2] [gedaagde 1] B.V. opgericht.
2.5.
Op 20 december 2023 is een aandeelhoudersovereenkomst inzake [eiser 1] ondertekend door de bestuurders van [bedrijf 2] B.V. (12,5%), [bedrijf 3] B.V. (75%) en [gedaagde 1] B.V. (12,5%). De deelneming van [bedrijf 3] B.V. is op 27 mei 2025 ingebracht in de besloten vennootschap [bedrijf 4] B.V.
2.6.
Vanaf 20 december 2023 is [gedaagde 1] B.V. de enige bestuurder van [eiser 1] B.V.. Op basis van de managementovereenkomst ontvangt [gedaagde 1] een managementvergoeding van € 90.000,00 exclusief BTW per jaar.
2.7.
[eiser 1] B.V. houdt alle geplaatste aandelen in het aandelenkapitaal van [bedrijf 5] B.V., die op haar beurt alle geplaatste aandelen in het aandelenkapitaal van [eiser 3] B.V. (eiseres sub 3). [eiser 1] staat aan het hoofd van de groep, waar [eiser 2] en [eiser 3] ook deel van uitmaken.
2.8.
[eiser 1] B.V. houdt ook alle geplaatste aandelen in het aandelenkapitaal van [bedrijf 6] B.V., die op haar beurt alle geplaatste aandelen in het aandelenkapitaal van zowel [eiser 2] B.V. (eiseres sub 2) als [bedrijf 7] B.V. houdt.
2.9.
Op 1 februari 2024 heeft [gedaagde 2] [gedaagde 3] B.V. opgericht. [gedaagde 1] B.V. is de aandeelhouder en [gedaagde 2] de bestuurder. In het handelsregister staan bij de onderneming de volgende activiteiten vermeld: ´
vervaardiging van hydraulische apparatuur”.
2.10.
Bij besluit van de AVA van 17 oktober 2025 is [gedaagde 1] geschorst als bestuurder van [eiser 1]. Als bestuurders zijn benoemd [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 8] B.V.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. De gerechtelijke bewaarder (DigiJuris) machtigt een (nadere) selectie te maken van de zich in gerechtelijke bewaring bevindende gegevens, waarbij DigiJuris uit deze gegevens die gegevens selecteert die vallen binnen de reikwijdte als gedefinieerd onder randnummer 70 van de dagvaarding (dat wil zeggen de gegevens die voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in randnummer 42 en 43 Verlof Bewijsbeslag) en die voldoen aan de zoektermen omschreven in randnummer 76 tot en met 82 van de dagvaarding;
II. Gedaagden ieder afzonderlijk veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de gerechtelijke bewaarder DigiJuris schriftelijk opdracht te geven zo snel mogelijk aan eiseressen een afschrift te verstrekken van de in beslag genomen gegevens voor zover die vallen onder de door DigiJuris gemaakte nadere selectie als bedoeld onder I;
III. Gedaagden [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te gebieden het non-concurrentiebeding ex artikel 15 lid 2 van Pro de Aandeelhoudersovereenkomst na te komen en de werkzaamheden bij/voor [gedaagde 3] binnen 24 uur na dit vonnis te staken en gestaakt te houden tot twee jaar na dit vonnis;
IV. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] te verbieden om gedurende twee jaar na dit vonnis contact op te nemen met, waaronder ook dient te worden verstaan het zenden van e-mails aan, werknemers, klanten, afnemers, leveranciers van [eiser 1] en/of [eiser 2] en/of [eiser 3];
Subsidiair
I Voor zover het primair onder III en/of IV gevorderde (gedeeltelijk) wordt afgewezen, [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] verbiedt om tot twee jaar na dit vonnis direct of indirect, in welke vorm of hoedanigheid dan ook betrokken te zijn of belang te hebben bij activiteiten en/of producten die vergelijkbaar of concurrerend zijn met de activiteiten en/of producten van [eiser 1] en/of [eiser 2] en/of [eiser 3] en te verbieden om tot twee jaar na dit vonnis werkzaamheden bij of voor [gedaagde 3] te verrichten.
Primair en Subsidiair
I bepaalt dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], ieder afzonderlijk, een dwangsom verbeuren aan eiseressen van € 100.000,00, althans een dwangsom voor iedere dag dat gedaagden niet voldoen aan de veroordelingen (ten aanzien van het primair gevorderde onder II, III en IV en subsidiair onder I), met een maximum van € 500.000,-;
II bepaalt dat gedaagde [gedaagde 4] een dwangsom zal verbeuren aan eiseressen van
€ 10.000,- , althans voor iedere dag dat hij niet voldoet aan de onder primair II omschreven veroordelingen, met een maximum van € 100.000,00;
III gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2.
Eisers leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser 1] staat aan het hoofd van de Groep, waarvan ook [eiser 2] en [eiser 3] deel uitmaken. [gedaagde 1] ontvangt voor haar werkzaamheden een management-fee vergoeding van € 90.000,- per jaar, uitgaande van een volledige inzet ten behoeve van de Groep.
In de aandeelhoudersovereenkomst zijn verplichtingen opgenomen voor de bestuurders, waaronder [gedaagde 1] en de participanten, waaronder [gedaagde 2]. Zo mogen bestuurders op grond van artikel 2.5 geen betrokkenheid hebben bij activiteiten die direct of indirect strijdig zijn met het belang van [eiser 1] en de met haar verbonden ondernemingen. Bestuurders moeten alle commerciële en technologische mogelijkheden in de meest uitgebreide zin die redelijkerwijs ten bate van [eiser 1] en haar dochter vennootschappen kunnen komen ter beschikking stellen. Verder is het op grond van artikel 15 en Pro 16 verboden een concurrerende onderneming te drijven, dan wel rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn bij zo’n onderneming.
In de zomer van 2025 is echter duidelijk geworden dat [gedaagde 2] [gedaagde 3] heeft opgericht; een concurrerend bedrijf dat gebruik maakt van de activa en activiteiten die deel uitmaakten van de koopovereenkomst van de eenmanszaak aan [eiser 2].
Gedaagden 1 tot en met 3 hebben:
- een deel van de omzet (en daarmee de marge) van de eisers 1 tot en met 3 omgeleid naar [gedaagde 3],
- verzuimd om de uren van het servicepersoneel aan [gedaagde 3] door te belasten,
- zichzelf en [gedaagde 4] onder werktijd werkzaamheden laten uitvoeren ten behoeve van [gedaagde 3];
- servicepersoneel van [eiser 2] uitgeleend aan [gedaagde 3] en dat personeel vervolgens ingezet bij klanten van diverse vennootschappen van de groep, waaronder klanten die [gedaagde 2] tegen betaling heeft overgedragen aan [eiser 2].
Op 21 augustus 2025 hebben de andere aandeelhouders [bedrijf 4] B.V. en [bedrijf 8] B.V. verlof gekregen om ten laste van gedaagden bewijsbeslag en verhaalsbeslag te leggen. Het bewijsbeslag en verhaalsbeslag is op 28 augustus 2025 gelegd.
Daarna zijn [eiser 2] en [eiser 3] benoemd tot bestuurder van [eiser 1] en [gedaagde 1] is geschorst als bestuurder.
In deze procedure vorderen zij dat de gerechtelijke bewaarder wordt gemachtigd om een selectie te maken van de zich in bewaring bevindende gegevens en deze aan eiseressen te verstrekken. Het doel is om de onrechtmatige concurrentie die wordt gepleegd te doen staken en een begroting te kunnen maken van de schade.
Het gaat onder meer om facturen, urenstaten, rittenadministratie. Een lijst met zoektermen wordt onder randnummer 77 en verder gegeven. De vordering wordt onderbouwd met gegevens die zijn afgeleid uit reeds beschikbare informatie.
3.3.
Gedaagden voeren verweer. Namens gedaagden 1 tot en met 3 wordt het volgende aangevoerd. Eisers hebben conservatoir beslag tot afgifte gelegd op grond van artikel 730 Rv Pro. Met de invoering met het nieuwe bewijsrecht per 1 januari 2025 is dat echter niet meer mogelijk en dit kan alleen nog op grond van artikel 205 en Pro 206 Rv. Het beslag is dus ondeugdelijk en kan daarom niet dienen als fundament voor een daarop voortbouwende inzagevordering. De voorzieningenrechter zal de rechtmatigheid van het beslag beoordelen en – ook zonder reconventionele vordering – tot de conclusie moeten komen dat het beslag geen stand kan houden en daartoe een constitutief opheffingsvonnis wijzen.
Daarnaast ontbreekt het aan spoedeisend belang. De verlangde informatie is immers veiliggesteld. Eisers stellen dat zij een bodemprocedure aanhangig zullen maken. Daarin kunnen eiseressen hun inzagevordering instellen.
Verder wordt opgemerkt dat de dagvaarding zo uitgebreid en onbegrijpelijk is dat het geschil zich niet leent voor kort geding.
De vordering om een non-concurrentiebeding op te leggen betreft een constitutief vonnis, omdat een dergelijk beding niet bestaat. Zo’n beding wijkt ook teveel af van wat in de aandeelhoudersovereenkomst is overeengekomen. De vorderingen III en IV vormen een verkapte verklaring voor recht.
Wat betreft de inhoud van het geschil: het was de bedoeling van [eiser 1] om in de toekomst een volwaardig hydrauliekbedrijf over te nemen, maar het opzetten van een hydrauliek tak is nooit van de grond gekomen. TTS heeft niet haar al activiteiten overgedragen aan [eiser 2] of een relatiebeding gesloten; er zijn alleen activa overgedragen zodat [gedaagde 1] in ruil daarvoor aandelen in [eiser 1] zou krijgen.
Eind juli 2025 is voor het eerst gesproken over de kwestie [gedaagde 3]; dat er onderlinge transacties hebben plaatsgevonden is nooit ontkend, dat deden de andere bedrijven ook. Eén en ander zou verrekend worden. Naast [gedaagde 2] waren de heren Luth en Broeils overal bij betrokken en zij waren op de hoogte van wat er speelde. [gedaagde 2] wilde de zaak onderling oplossen maar dat is niet gelukt.
Namens gedaagde [gedaagde 4] wordt aangevoerd dat hij slechts werknemer van [eiser 2] is en dat de overige vennootschappen niet een contractuele relatie met hem staan. Toch is hij al in meerdere procedures betrokken en er is bij hem al twee keer beslag gelegd.
Er is geen spoedeisend belang, omdat alle gegevens al veilig zijn gesteld. Er moet geen sprake zijn van een fishing expedition.
[gedaagde 4] is onder druk gezet om met [bedrijf 9] te praten. Omdat [gedaagde 4] dat niet wilde, is hij op 19 december 2025 op staande voet ontslagen. Hij heeft daarna wel schriftelijk vragen beantwoord maar dat is kennelijk niet genoeg en bevat niet de antwoorden die men wil horen. Tegen het ontslag zal een verzoekschrift tot vernietiging worden ingediend.
Er zijn ook andere werknemers van [eiser 2] en/of [eiser 3] die werkzaamheden hebben verricht voor [gedaagde 3], maar die worden hier niet in betrokken. Met het verzoek wordt onvoldoende rekening gehouden met privacy gevoelige informatie; het verzoek is te uitgebreid. De dwangsommen zijn buitensporig.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eisers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vordering met betrekking tot het concurrentiebeding
4.2.
In de aandeelhoudersovereenkomst inzake [eiser 1] staat:
“15. geheimhoudingsregeling, non-concurrentiebeding
(…)
15.2
Het is Participanten en Aandeelhouders verboden gedurende het directe of indirecte
aandeelhouderschap / certificaathouderschap in het kapitaal van de Vennootschap, verboden in welke vorm dan ook een onderneming, soortgelijk aan en/of concurrerend met die van de Vennootschap of één van de Dochtervennootschappen verbonden ondernemingen, te drijven of te doen drijven, dan wel daarbij anderszins rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn of daar belang in te hebben en/of personeel werkzaam in die onderneming te bewegen bij een ander in dienst te treden.”
Eisers hebben met de dagvaarding, producties en ter zitting toegelicht en onderbouwd dat het idee achter de samenwerking van drie bedrijven binnen [eiser 1] was om diensten te leveren voor zowel elektrische, mechanische of hydraulische aandrijving van machines. De samenwerkende bedrijven hadden een overlap in activiteiten, marktsegmenten en diensten; door samen te werken konden zij krachten bundelen en een stabiele omzet genereren. [gedaagde 2] was bij de samenwerking betrokken als de man met commerciële vaardigheden en met ervaring in hydrauliek.
[gedaagde 3] is volgens de omschrijving in het Handelsregister een onderneming die zich bezighoudt met hydrauliek. Ook de voormalige eenmanszaak van [gedaagde 2] was actief op het gebied van hydrauliek, maar dit bedrijf heeft hij verkocht aan [eiser 2]. Het verweer dat de koop slechts op een deel van de activa ziet, volgt de voorzieningenrechter niet. De activa die zijn verkocht betreffen volgens de overeenkomst de goederen, gespecificeerd op een bijlage, en daarnaast de volledige goodwill, bestaande uit orderportefeuille, projectmappen, klanten- en produktinformatie, klantenportefeuille, telefoonnummers, website, emailadressen.
[gedaagde 2]/[gedaagde 1] heeft zich verbonden aan [eiser 1] om als bestuurder, tegen betaling van een management fee, de belangen van [eiser 1] en de daaraan verbonden vennootschappen te behartigen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde 2] zich op grond van het bovenstaande niet – anders dan namens [eiser 1] – bezig mag houden met werkzaamheden en activiteiten die ook door de [eiser 1] of een van de dochterbedrijven kunnen worden uitgevoerd. Dat geldt voor werkzaamheden in de hydrauliek maar ook op de andere terreinen die door bedrijven binnen de groep worden bediend. Het is duidelijk dat het – na de overname van zijn bedrijf en de management overeenkomst tegen een management vergoeding – niet de bedoeling is dat [gedaagde 2] de bedrijven, aandeelhouders en/of participanten binnen [eiser 1] beconcurreert met zijn eigen onderneming. Doet hij dat wel dan is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van overschrijding van het concurrentiebeding.
[gedaagde 2] stelt weliswaar dat hij bij het sluiten van de aandeelhoudersovereenkomst kanttekeningen heeft gemaakt bij de formulering van het concurrentiebeding, maar daaraan komt in het kader van dit kort geding weinig gewicht toe. Hij heeft immers de aandeelhoudersovereenkomst getekend en het beding daarin kan – voorlopig oordelend – niet anders worden uitgelegd dan dat concurrerende activiteiten – zoals hierboven omschreven - niet zijn toegestaan.
Eisers hebben voldoende aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat de werkzaamheden van [gedaagde 3] strijd lijken op te leveren met het beding. De vorderingen jegens gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om het non-concurrentie beding na te komen en werkzaamheden voor en bij [gedaagde 3] te staken wordt daarom toegewezen. De dwangsommen voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder afzonderlijk zullen worden toegewezen, maar wel worden beperkt tot € 1.000 per dag met een maximum van € 10.000.
Ook de vorderingen om [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te verbieden om contact op te nemen – waaronder begrepen het verzenden van e-mails aan – klanten, afnemers, leveranciers van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] zal worden toegewezen. De duur van de voorziening wordt beperkt tot één jaar na dit vonnis. Ook hier worden de dwangsommen voor iedere gedaagde afzonderlijk toegewezen en beperkt tot € 1.000 per dag met een maximum van € 10.000.
Vorderingen die zien op het verkrijgen van een afschrift van gegevens
4.3.
De voorzieningenrechter zal deze vorderingen I en II afwijzen omdat het spoedeisend belang ontbreekt. De gegevens zijn veilig gesteld en de vorderingen hebben vooral tot doel om de omvang van de schade vast te stellen. Dat kan ook in het kader van een bodemprocedure.
Gezien het voorgaande kan hetgeen is aangevoerd over de juistheid van het gelegde beslag onbesproken blijven. Er is op dat punt ook geen zelfstandige vordering ingesteld.
Proceskosten
4.4.
Tussen [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] enerzijds en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds zullen de kosten worden gecompenseerd, omdat een deel van de vorderingen is toegewezen. Partijen dragen dus ieder de eigen kosten.
4.5.
Eisers zijn ten aanzien van [gedaagde 4] in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 4] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
760,00
(1 punt)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.290,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om het non-concurrentiebeding ex artikel 15 lid 2 van Pro de Aandeelhoudersovereenkomst na te komen en de werkzaamheden bij/voor [gedaagde 3] te staken binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van
€ 1.000,- per dag dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2], ieder afzonderlijk, daar niet aan voldoen, met een maximum van € 10.000,-;
5.2.
verbiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om gedurende één jaar na dit vonnis contact op te nemen met – waaronder ook wordt verstaan het verzenden van e-mails aan – werknemers, klanten, afnemers, leveranciers van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3], op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3], ieder afzonderlijk, daar niet aan voldoen, met een maximum van € 10.000,-;
5.3.
veroordeelt [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] in de kosten van de procedure van gedaagde [gedaagde 4], begroot op € 1.290,00;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] enerzijds en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.