ECLI:NL:RBOVE:2026:576

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
818268525
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314a SvArt. 45 SrArt. 287 SrArt. 38v SrArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf voor poging doodslag met bijl en oplegging contactverbod

Op 15 juni 2025 heeft verdachte met een bijl meerdere keren het slachtoffer in het bovenbeen en de pols gestoken, waardoor het slachtoffer ernstige, potentieel dodelijke verwondingen opliep. Verdachte verklaarde dat hij handelde uit zelfverdediging nadat het slachtoffer hem aanviel, maar de rechtbank oordeelde dat verdachte zich aan de situatie had kunnen onttrekken en het beroep op noodweer daarom verwierp.

De rechtbank stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, waarmee het primair ten laste gelegde feit van poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen werd verklaard. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis, en kreeg een contactverbod van drie jaar opgelegd.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer van €28.854,19, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank wees de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalde dat dit bij de burgerlijke rechter kan worden afgedwongen.

De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte in aanmerking. Verdachte had geen recente strafbare feiten en de reclassering schatte het recidiverisico als laag. Het beroep op noodweerexces werd eveneens verworpen omdat geen noodweersituatie bestond.

De straf en maatregel zullen volledig binnen de penitentiaire inrichting worden uitgevoerd tot aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. Tevens werd een gijzeling van 154 dagen mogelijk gesteld indien de schadevergoeding niet wordt voldaan.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en een contactverbod van drie jaar wegens poging tot doodslag met een bijl.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.182685.25 (P)
Datum vonnis: 5 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de PI [locatie].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. U. Ural, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens hem door mr. A.Y. Bleeker, advocaat te Amersfoort, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 8 december 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 juni 2025 in [plaats]:
primair:heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel
subsidiair:aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te [plaats], althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
die [slachtoffer] met een bijl, althans een scherp en/of puntig voorwerp,
meermalen, althans eenmaal (met kracht) in het (boven)been en/of de
pols (ter hoogte van de slagader), althans in het lichaam van die [slachtoffer]
heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te [plaats], althans in Nederland,
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een slagaderlijke bloeding, heeft
toegebracht, door met een bijl, althans een scherp en/of puntig
voorwerp,
meermalen, althans eenmaal (met kracht) in het (boven)been en/of de
pols (ter hoogte van de slagader), althans in het lichaam van die [slachtoffer]
te steken en/of prikken en/of snijden.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs waaruit kan volgen dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op de dood van [slachtoffer]. Het subsidiair ten laste gelegde feit kan bewezen worden verklaard.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
[slachtoffer] is de ex-partner van [naam 1], de zus van verdachte. [slachtoffer] en de familie [verdachte] leven al enige tijd op gespannen voet met elkaar waarbij er over en weer verschillende keren aangifte is gedaan.
Op 15 juni 2025 om 01.18 uur staat een auto van het merk Renault met kenteken
[kenteken] (hierna ook: de Renault) geparkeerd op de parkeerplaats voor de woning aan [adres 1] in [plaats]. Op dit adres woont de moeder van verdachte. Bij de woning zijn twee camera’s aanwezig, een camera gericht op de parkeerplaatsen voor de woning, de straat en een daarachter gelegen groenstrook en een camera met zicht op de portiek van de woning. Om 01.18:57 uur stapt verdachte uit de Renault. De motor van de Renault blijft draaien en de koplampen blijven branden. Verdachte draagt een roze t-shirt en (witte) sportschoenen.
Om 01.32:09 uur stopt er een witte auto op de straat, haaks op en achter de Renault van verdachte. De koplampen van de witte auto zijn aan. Verdachte stapt uit de Renault en loopt naar de witte auto. De bestuurder (hierna ook: [getuige]) stapt ook uit. Verdachte en [getuige] omhelzen elkaar. Een zwarte auto komt aanrijden en stopt, midden op straat, bij de witte auto waar verdachte en [getuige] staan. De achterlichten van de zwarte auto blijven branden. Verdachte loopt naar de bijrijderszijde van de zwarte auto. Iemand zegt: “Bel maar 112, ik heb camera”. De bestuurder van de zwarte auto, [slachtoffer], stapt vervolgens uit en loopt naar verdachte. [slachtoffer] maakt een slaande beweging met zijn linkerarm richting het gezicht van verdachte. Verdachte loopt naar achteren en [slachtoffer] loopt voorwaarts in zijn richting. Verdachte blijft achteruitlopen en [slachtoffer] blijft hem voorwaarts benaderen.
Om 01.33:29 verdwijnen verdachte en [slachtoffer] rechtsboven uit beeld.
Ongeveer twee minuten later, verschijnt verdachte links in beeld met een voorwerp in zijn rechterhand. Verdachte loopt dan in de richting van de witte en de zwarte auto.
Om 01.35.30 loopt de vader van verdachte richting het zwarte voertuig. Om 01.35:35 verschijnt [slachtoffer] (weer) rechts in beeld. [slachtoffer] loopt en kijkt richting verdachte Om 01.35:38 loopt [slachtoffer] richting de vader van verdachte en geeft hem een klap op zijn rechterwang. Daarna loopt [slachtoffer] in de richting van verdachte. Verdachte loopt achterwaarts en [slachtoffer] voorwaarts. Zij bevinden zich op dat moment op de groenstrook voor de woning. Om 01.36:09 uur schopt [slachtoffer] in de richting van verdachte. Verdachte weet het been op te vangen en [slachtoffer] valt. Ze verdwijnen achter een geparkeerde auto. Om 01.36:14 uur staat verdachte op achter het voertuig en maakt een slaande en schoppende beweging naar beneden. [slachtoffer] staat ook op en loopt in de richting van verdachte. Verdachte loopt achteruit. Vervolgens is te zien dat [slachtoffer] met zijn linkerhand zijn rechterpols vast heeft. Hij bukt en voelt ter hoogte van zijn rechter been. Om 01.37:09 uur stapt [slachtoffer] in de zwarte auto en rijdt weg.
Verdachte komt terug bij de woning. Op de camerabeelden van de portiek is te zien dat er bloedvlekken op zijn t-shirt zitten en dat hij een kleine bijl in zijn rechterhand heeft. [getuige] pakt iets van de groenstrook en geeft dit aan verdachte, waarna verdachte een bril opzet. Verdachte opent het portier van de Renault. Hij heeft de bijl dan nog bij zich. Verdachte buigt in de Renault. Vervolgens neemt hij plaats op de bestuurdersstoel. Verdachte stapt weer uit de Renault. Verdachte heeft een telefoon in zijn hand, de bijl is niet te zien. Kort hierna, om 01:38:01, arriveert het eerste politievoertuig aan [adres 1].
Om 01.39:38 uur is te zien op de camerabeelden van de portiek dat verdachte een selfie maakt met zijn telefoon. Om 01.47:17 staat verdachte in de portiek en slaat een paar keer op zijn borstkas. Om 01.48:24 loopt verdachte naar binnen. Om 01.57:02 komt verdachte weer naar buiten. Hij draagt een blauwe pet, een groen shirt en (andere) zwart-witte sneakers.
Wanneer verbalisanten, om 01.38 uur, aankomen op het adres [adres 1] in [plaats] zien zij dat verdachte veel bloedspetters op zijn kleding had. Als ze hem vragen wat er is gebeurd, verklaart verdachte dat hij niets hoort omdat zijn hoortoestellen zijn uitgevallen en in het gras liggen. Verbalisanten horen ter hoogte van de [adres 2] [slachtoffer] schreeuwen. Zij zien dat zijn rechterbeen volledig onder het bloed zit en dat er bloed uit de rechterpols spuit. De verbalisanten herkennen dit meteen als een slagaderlijke bloeding waarna zij twee tourniquets aanleggen om de rechterarm van [slachtoffer]. Wanneer zij hem toedekken onder een foliedeken zien zij ook een grote snijwond in het bovenbeen van [slachtoffer]. Ook hier wordt een tourniquet voor aangebracht. [slachtoffer] vertelt de verbalisanten dat verdachte hem heeft verwond.
[slachtoffer] wordt met spoed per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Na het verwijderen van de tourniquet van zijn arm wordt pulserend bloedverlies waargenomen. Bij het verwijderen van de tourniquet van het rechterbeen sijpelen de wonden aldaar fors door.
Op het rechterbovenbeen worden diepe snijwonden gezien. Bij beide letsels zijn spierbuiken zichtbaar. Twee spieren op het bovenbeen zijn tot op het bot doorgesneden.
De bij de arm en het been waargenomen bloedingen passen bij een slagaderlijke bloeding.
[slachtoffer] wordt operatief behandeld aan zijn verwondingen. Het letsel van [slachtoffer] bestaat uit snijwonden (huiddoorklievingen) op de rechteronderarm en twee op het rechterbovenbeen met onderliggend letsel van spieren, pezen, zenuwen en bloedvaten.
Zonder het aanleggen van de tourniquets en het herstellen/dichtbranden van de bloedvaten, zouden deze letsels zijn blijven bloeden, met als gevolg een shocktoestand en uiteindelijk overlijden van [slachtoffer].
De overwegingen van de rechtbank
- Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] vanuit het niets tegen hem begon te schreeuwen en hem heeft geslagen. Hierdoor is verdachte zijn bril en hoortoestellen verloren. Zonder deze hulpmiddelen is hij blind en doof. [slachtoffer] bleef vervolgens op verdachte af lopen. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] geprobeerd verdachte te schoppen. Hierdoor viel [slachtoffer]. Toen heeft verdachte per direct uitgehaald naar [slachtoffer]. Verdachte heeft hem met een scherp voorwerp gestoken. Verdachte heeft verder verklaard dat het klopt dat de persoon op de aan hem getoonde beelden een kleine bijl in zijn hand heeft. Nadat verdachte met een still van deze bijl is geconfronteerd heeft hij verklaard dat hij het voorwerp herkent. Verdachte heeft verder verklaard dat hij geen andere keuze had dan zichzelf en zijn familie te verdedigen.
- Poging doodslag
Aan verdachte is primair een poging doodslag ten laste gelegd. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] had. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer] met een voorwerp heeft gestoken. De rechtbank stelt op basis van de zich in het dossier bevindende (beschrijving van de) beelden en de verklaring van verdachte daarover vast dat dit scherpe voorwerp een bijl betreft.
Een bijl is, naar algemene ervaringsregels, zo ontworpen dat de kop daarvan zwaar en scherp is en werkt als een hefboom. Hierdoor is relatief weinig kracht nodig om met een bijl grote verwondingen en daarmee potentieel dodelijk letsel te veroorzaken. De rechtbank overweegt dat dit potentieel dodelijk letsel in dit geval ook is ontstaan. Bij [slachtoffer] zijn diepe snijwonden vastgesteld; het bovenbeen van [slachtoffer] is op twee plaatsen tot op het bot doorkliefd. Verder zijn zowel in het bovenbeen als de onderarm van [slachtoffer] slagaders geraakt waardoor er slagaderlijke bloedingen zijn ontstaan. Als (medisch) ingrijpen, waaronder het aanleggen van de tourniquets, niet op tijd was gebeurd zou [slachtoffer] uiteindelijk aan de bloedingen zijn overleden.
De rechtbank overweegt verder dat verdachte een bijl, zijnde een potentieel dodelijk wapen, heeft ingebracht in een fysieke confrontatie met [slachtoffer] en daarmee vervolgens ook heeft uitgehaald naar [slachtoffer], die op dat moment op de grond lag. Hiermee alleen al heeft verdachte het risico genomen dat potentieel dodelijk letsel zou kunnen ontstaan. Daar komt nog bij dat verdachte zelf heeft aangegeven dat zijn zicht en gehoor beperkt waren door het verlies van zijn bril en hoortoestellen. De rechtbank stelt daarom vast dat zijn handelingen willekeurig en onbeheerst moeten zijn geweest.
- Conclusie
De gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan zijn naar het oordeel van de rechtbank zozeer gericht op de dood dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 juni 2025 te [plaats],
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een bijl, meermalen, (met kracht) in het bovenbeen en de pols (ter hoogte van de slagader), van die [slachtoffer] heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er gesproken kan worden van een noodweersituatie maar dat niet wordt voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste. Er is geen sprake van een noodzakelijke verdediging. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt omdat hij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf en van zijn ouders tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer].
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij een beroep op noodweer, moet worden onderzocht of aan de voorwaarden voor het aanvaarden van dit verweer is voldaan. Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een noodweersituatie. Het moet dan gaan om een een situatie waarin het handelen van verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijke dreiging voor zo’n aanranding. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. De verdachte moet daartoe een reële en redelijke mogelijkheid hebben gehad. Verder had de onttrekking van de verdachte gevergd moeten kunnen worden en ten slotte moet er een sprake zijn geweest van een reëel alternatief. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat, na een eerste confrontatie, verdachte en [slachtoffer] buiten beeld verdwijnen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij om het blok huizen heen is gelopen, dat [slachtoffer] achter hem aan is gelopen maar dat [slachtoffer] weer is teruggelopen. Na ongeveer twee minuten komt verdachte weer in beeld vanaf de andere kant, waarbij te zien is dat hij een voorwerp in zijn rechterhand heeft. De auto van [slachtoffer] staat, met de lichten nog aan, midden op straat, maar [slachtoffer] is op dat moment niet in de buurt. Ook de ouders van verdachte zijn op dat moment niet op de (stills van de) beelden te zien. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weet dat [slachtoffer] niet zal stoppen, dat hij weet waartoe [slachtoffer] in staat is en dat hij, verdachte, steeds heeft geprobeerd om iedereen in veiligheid te brengen.
Verdachte loopt met de bijl in zijn hand richting de auto van [slachtoffer]. Hij heeft daarover verklaard dat hij op zoek was naar zijn hoortoestellen. Verdachte is dus bewapend met een bijl teruggekeerd naar de plaats waar even daarvoor een confrontatie met [slachtoffer] had plaatsgevonden en waar de auto van [slachtoffer] midden op straat was achtergebleven. Er was op dat moment geen sprake van een aanval of een dreigende situatie, ook niet voor de ouders van verdachte. [slachtoffer] was op dat moment niet in de buurt van verdachte, maar verdachte kon ervan uit gaan dat [slachtoffer] zou terugkeren naar zijn achtergebleven auto. Verdachte had zich op dat moment kunnen onttrekken aan de situatie. Nu verdachte zelf heeft verklaard dat hij weet dat [slachtoffer] niet zal stoppen en dat hij weet waartoe [slachtoffer] in staat is, had hij zich ook moeten onttrekken aan de situatie.
Verdachte heeft een reële en redelijke mogelijkheid gehad om zich te onttrekken door de woning van zijn moeder in te gaan of zich te verwijderen van de plaats waar eerder de confrontatie met [slachtoffer] had plaatsgevonden en diens auto was achtergebleven. Van verdachte kon ook gevergd worden dat hij zich zou onttrekken en ten slotte was sprake van een reëel alternatief. Er was geen enkele noodzaak om juist op dat moment op zoek te gaan naar zijn hoortoestellen direct bij de auto van [slachtoffer]. Dat verdachte zichzelf of zijn familieleden in veiligheid moest brengen is naar het oordeel van de rechtbank en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dan ook niet aannemelijk.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan het onttrekkingsvereiste zodat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie. Verdachte had de gelegenheid zich aan de situatie te onttrekken, maar zoekt, terwijl hij gewapend is met een bijl, de situatie op. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn - ook overigens - geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair,
het misdrijf: poging tot doodslag.

5.De strafbaarheid van verdachte

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verdachte toegepaste geweld niet proportioneel was.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dit het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Noodweerexces kan in beeld komen bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, dus wanneer aan alle eisen voor een noodweersituatie is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis. Vereist is dus wel dat voldaan is aan de subsidiariteitseis, dat er een noodzaak tot verdediging moet zijn (geweest).
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen was er geen sprake van een noodweersituatie en heeft de rechtbank het beroep op noodweer verworpen. Om die reden kan het beroep op noodweerexces niet slagen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Er zijn - ook overigens - geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer], op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank komen tot een strafoplegging, er rekening gehouden moet worden met een aantal omstandigheden waaronder de rol en eigen schuld van [slachtoffer] en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet hierop zou een gevangenisstraf opgelegd kunnen worden voor de duur van maximaal twee jaren.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte is [slachtoffer] te lijf gegaan met een bijl en heeft daardoor bij [slachtoffer] ernstige verwondingen toegebracht die zonder medisch ingrijpen dodelijk waren geweest. Als gevolg van dit handelen van verdachte was het bovenbeen van [slachtoffer] tot op het bot toe doorkliefden zijn onderarm ernstig verwond. Verdachte mag van geluk spreken dat geen vitale organen zijn geraakt. Als [slachtoffer] zich niet had verweerd met zijn arm, had het heel anders kunnen aflopen. Verdachte heeft zich na het incident niet om [slachtoffer] bekommerd. Integendeel, verdachte loopt terug naar de woning en slaat zich op zijn borst voor de camera, terwijl hij wist dat hij [slachtoffer] notabene met een bijl had geraakt. Dit wekt op zijn minst de indruk dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voelt en geen respect heeft voor de lichamelijke integriteit en het leven van [slachtoffer]. Dat [slachtoffer] het incident kan navertellen is aan het adequaat ingrijpen van de politieagenten die eerste hulp hebben verleend te danken.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 14 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte, behoudens een snelheidsovertreding in 2021, al langere tijd geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. In het verleden is verdachte meermalen veroordeeld voor - andersoortige - strafbare feiten. Omdat deze veroordelingen van langer geleden zijn, heeft het strafblad van verdachte bij de strafoplegging in deze zaak geen rol gespeeld.
De reclassering heeft op 20 augustus 2025 en op 16 september 2025 over verdachte gerapporteerd. De reclassering rapporteert dat er geen criminogene factoren zijn vastgesteld waarop een plan van aanpak gericht kan worden. De reclassering schat de risico’s op recidive en op het onttrekken aan voorwaarden in als laag. Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De strafmodaliteit en de hoogte daarvan
Gezien de ernst van het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank overweegt dat op het plegen van een dergelijk feit hoge straffen zijn gesteld en worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Daarnaast is verzocht om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Er is sprake van een al langer durend, conflict tussen (de familie van) verdachte en [slachtoffer] dat heeft geresulteerd in het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal daarom deze vrijheidsbeperkende maatregel opleggen voor de duur van drie jaren. De maatregel houdt in dat verdachte op geen enkele manier, niet direct en niet indirect, contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer]. Tegenover elke overtreding staat vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 30.926,28 (dertigduizend negenhonderdzesentwintig euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- € 190,00 Ziekenhuisdaggeldvergoeding;
- € 194,40 Eigen risico 2025;
- € 250,00 Kosten kleding;
- € 121,11 Reiskosten behandelingen;
- € 204,77 Kosten opvragen medische informatie;
- € 1.904,00 Kosten persoonlijke verzorging/mantelzorg;
- € 3.062,00 Verlies zelfredzaamheid.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Er is een rechtstreeks verband tussen het gepleegde feit en de schade die daardoor is ontstaan. De kosten zijn ook voldoende onderbouwd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, gelet op het bepleite beroep op noodweer, primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen. Subsidiair doet de raadsman een beroep op artikel 6:101 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), te weten de eigen schuld van de benadeelde. Omdat [slachtoffer] zelf agressor was dient de schadevergoedingsplicht van verdachte te vervallen dan wel te worden verminderd met ten minste 75% tot 90%. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag moet worden gematigd omdat de gevorderde bedragen buiten proportie zijn vergeleken met andere gevallen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
Materiële schade
De opgevoerde schadeposten, met uitzondering van de post ‘verlies zelfredzaamheid’, zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.
Wat betreft de onder de post ‘verlies zelfredzaamheid’ opgevoerde schade overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier is gebleken dat er tot op heden sprake is een gevoelsstoornis in de rechteronderarm van [slachtoffer] als gevolg van het zenuwletsel dat door het gepleegde feit is ontstaan. De gestelde schade betreft ook deels toekomstige schade terwijl nog niet duidelijk is wat de medische eindsituatie van [slachtoffer] is. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat de schade € 3.062,00 betreft.
De rechtbank zal daarom de ontstane schade die [slachtoffer] tot op heden heeft geleden vanwege het verlies van zelfredzaamheid naar rato toewijzen. De schade is ontstaan op 15 juni 2025. Uitgaande van datum vonnis van 5 februari 2026 betreft dit 236 dagen. De rechtbank zal daarom 236/365 deel van het normbedrag van € 1.531,00 per jaar toewijzen. Dit komt neer op een bedrag van € 989,91. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.854,19, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Immateriële schade
Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is het evident dat slachtoffers van dit soort strafbare feiten immateriële schade leiden. Op grond van artikel 6:106, aanhef, onder b BW, heeft de benadeelde recht op een vergoeding van immateriële schade, omdat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht het billijk, gelet op de aarde en de ernst van de normschending, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en gelet op wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, om een bedrag van € 25.000,00 toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van eigen schuld door [slachtoffer]. De rol van [slachtoffer], die ongewapend was, staat in geen verhouding tot het aandeel van verdachte die lukraak met een bijl op [slachtoffer] heeft ingehakt.
De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 28.854,19, bestaande uit € 3.854,19 materiële schade en € 25.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 154 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: poging tot doodslag;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van
3 jaren;
- beveelt dat de verdachte gedurende 3 jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op 23 januari 1988;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door
7 (zeven) dagenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
schadevergoeding
-
wijstde vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
toe toteen bedrag van
€ 28.854,19, bestaande uit € 3.854,19 materiële schade en € 25.000,00 immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 28.854,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 28.854,19, (zegge: achtentwintigduizend achthonderdvierenvijftig euro en negentien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 154 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.