9.2.Voor zover het college zijn besluit tot herroeping van het besluit van 18 december 2023 baseert op de conclusie dat eiser de aanvraag heeft gewijzigd waardoor er opnieuw op de aanvraag diende te worden beslist. Kan die conclusie het besluit tot herroeping evenmin dragen aangezien er in dat geval naar het oordeel van de rechtbank sprake is van niet-relevante wijzigingen die geen nieuwe aanvraag nodig maken. Niet-relevante wijzigingen kunnen uit de aard van de zaak niet leiden tot een herroeping van een verleende vergunning. Als de wijzigingen wel tot een herroeping zouden nopen zou er namelijk geen sprake zijn van niet-relevante wijzigingen.
De rechtbank overweegt dat uit het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb volgt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar niet kan worden volstaan met het herroepen van het besluit in eerste aanleg. Het karakter van de volledige heroverweging brengt mee dat bij de beslissing op bezwaar een nieuw inhoudelijk besluit dient te worden genomen. Nu het college bereid was om ondergeschikte wijzigingen bij de beoordeling te betrekken, had ook ten aanzien van deze ondergeschikte wijzigingen een inhoudelijk besluit moeten worden genomen. Het college heeft, door dit niet te doen, maar in plaats daarvan ervoor te kiezen om het besluit in eerste aanleg te herroepen, gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb.
Overigens is de rechtbank van oordeel dat de door het college gestelde ontbrekende informatie bij het college al bekend was dan wel bij het verlenen van de vergunning van 18 december 2023 niet als voor de te nemen beslissing relevante ontbrekende informatie is aangemerkt.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het college bij het bestreden besluit 2 niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat bij de beoordeling van het bezwaar van eiser het besluit van 18 december 2023 diende te worden herroepen, laat staan bevoegd was tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag.
10. Uit het voorgaande volgt tevens dat het bestreden besluit 2, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet berust op een deugdelijke motivering.
11. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat ook het bestreden besluit 1 dient te worden vernietigd. Immers heeft het college zelf inmiddels geconcludeerd dat voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag voor een tijdelijke omgevingsvergunning geen uitgebreide voorbereidingsprocedure behoeft te worden doorlopen. Het college is daarmee van mening dat het bestreden besluit 1 ten onrechte is genomen en niet kan worden gehandhaafd. De rechtbank deelt die conclusie van het college.
12. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep van [eiser] voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 2 wegens strijd met de artikelen 4:5, 7:11 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal vervolgens tevens het bestreden besluit 1 vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om enige rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of verdergaand zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Daarbij wijst de rechtbank erop dat tot op heden in bezwaar nog geen inhoudelijke belangenafweging is gemaakt waarbij ook de belangen van [derde belanghebbende] zijn meegewogen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen. Het college moet daarom in beginsel een nieuw besluit op de bezwaren van [eiser] nemen en daarbij rekening houden met wat is overwogen in deze uitspraak en in de tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het college daarbij ook dient te betrekken dat inmiddels een voorbereidingsbesluit is genomen. De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Het voorgaande betekent dat:
- de rechtbank het bestreden besluit van 22 april 2025 geheel vernietigt;
- de in dat besluit van 22 april 2025 bepaalde herroeping van het besluit van 18 december 2023 niet in stand blijft;
- de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van 18 augustus 2023 niet in stand blijft;
- het bestreden besluit van 23 oktober 2024 herleeft;
De rechtbank zal het besluit van 23 oktober 2024 tevens vernietigen.
Dat betekent voorts dat:
- de gegrondverklaring van de bezwaren van [eiser] en van [derde belanghebbende] bij dat besluit op bezwaar worden vernietigd;
- de herroeping van het besluit van 18 december 2023 in dat besluit van 23 oktober 2024 niet in stand blijft;
- dat het college opnieuw op de bezwaren van [eiser] en van [derde belanghebbende] zal moeten beslissen.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiser] een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en 2 punten voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt in totaal € 2.802.