ECLI:NL:RBOVE:2026:548

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
ak_24_3819
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.1 WaboArt. 5.1 beheersverordening Buitengebied-Herfte, WijthmenArt. 7:11 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen last onder dwangsom voor strijdig gebruik agrarisch perceel

Eiser maakte gebruik van een agrarisch perceel met de bestemming 'Agrarisch met Waarden-Natuur en Landschap'. Het college legde op 24 februari 2023 een last onder dwangsom op wegens strijdig gebruik, waaronder het opslaan van diverse objecten en bouwwerken. Na bezwaar wijzigde het college de last deels, maar handhaafde deze verder op 23 oktober 2024.

De rechtbank oordeelt dat de last onder dwangsom betrekking had op overtredingen die met een tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023 waren gelegaliseerd. Deze vergunning was echter herroepen, maar door een latere uitspraak van de rechtbank weer van kracht verklaard, waardoor de strijdigheden gelegaliseerd zijn. De uitbreiding van de last onder dwangsom met betrekking tot de meidoornhaag, de boot Billy en andere boten was onterecht.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de gelegaliseerde strijdigheden betreft en de uitbreiding van de last. Tevens wordt de proceskostenvergoeding aan eiser toegekend. De rechtbank zal niet zelf voorzien in de zaak, maar verwijst naar het college voor een nieuwe beslissing op bezwaar.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit van 23 oktober 2024 wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 24/3819
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. S. Maakal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2]

Inleiding

1.1.
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft het college aan eiser [eiser] (hierna: [eiser]) een last onder dwangsom opgelegd inhoudende het strijdig gebruik van de gronden bestemd als “Agrarisch met Waarden-Natuur en Landschap” blijvend te staken door het verwijderen en verwijderd te houden van al het opgeslagen brandhout (schroothout), het bouwsel van pallethout van 1 x 1 meter, alle houten pallets en houten palen, de grindtegel, een houten tuintafel, de romp van een gele polyester zeilboot, de romp van de oude historische zandschouw, de foliekas, het zonnepaneel, de kano, de constructie met het piramidedak en de fruitbomen met bijbehorende palen en banden ter ondersteuning. Eiser verbeurt een dwangsom van € 1.500,- per week met een maximumbedrag van
€ 15.000,- indien hij niet, niet volledig of niet tijdig aan deze lastgeving voldoet. Het college heeft aan [eiser] een begunstigingstermijn van zes weken vergund.
1.2.
Bij besluit van 23 oktober 2024 heeft het college het tegen dit besluit door [eiser] gemaakte bezwaar (deels) gegrond verklaard en het besluit van 24 februari 2023 herroepen voor zover de opgelegde last bettrekking heeft op het verwijderen van de grindtegel en de last aangevuld met het verwijderen en verwijderd houden van de meidoornhaag, de boot met de naam Billy en andere boten. Het college heeft verder besloten de begunstigingstermijn te stellen op uiterlijk 5 december 2024. Voor het overige heeft het college besloten het besluit van 23 februari 2023 in stand te laten onder aanvulling van de motivering met de schriftelijke reactie van 6 september 2024 met de titel “Reactie op bezwaarschrift” (verder: de memo [eiser]). [eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 januari 2025 tegelijk met het beroep in de zaak met nummer 24/3895 ter zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde]. [derde belanghebbende] is niet verschenen.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op 29 januari 2025 heropend in verband met ontwikkelingen in de zaak nummer 24/3895.
1.5.
Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. S. Maakal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], [naam 1] en [naam 2]. [derde belanghebbende] is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
Het geschil ziet op het gebruik dat door [eiser] wordt gemaakt van een agrarisch perceel, tussen de [adres 1], de [adres 2] en de weg [adres 3], kadastraal bekend gemeente [locatie], met een oppervlakte van bij benadering 2.000 m2 dat in de volksmond “het Hofje” is gaan heten en door [eiser] ook wordt aangeduid met de term “het Landje”. Feitelijk is het perceel in gebruik als tuin en zijn daarop enkele bouwwerken, waaronder een foliekas, en enkele andere objecten, waaronder houten pallets en een boot, geplaatst. Ook zijn er enkele bomen en andere beplanting op het perceel aanwezig.
2.2.
Bij het besluit van 24 februari 2023 heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het gebruik van gronden op het perceel in strijd met het ter plaatse geldende ruimtelijke regime.
2.3.
Bij het bestreden besluit van 23 oktober 2024 heeft het college de opgelegde last onder dwangsom gewijzigd.
Overgangsrecht
3.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
3.2.
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Bij het bestreden besluit is deze last op een aantal onderdelen gewijzigd.
Is sprake van een overtreding?
4.1.
Ter plaatste gold ten tijde van het nemen van het opleggen van de last onder dwangsom de beheersverordening “Buitengebied-Herfte, Wijthmen” (hierna: de beheersverordening). Het perceel heeft op grond van de beheersverordening de bestemming “Agrarisch met waarden-Natuur en landschap” als bedoeld in artikel 5 van Pro de regels van de beheersverordening.
Op basis van artikel 5.1. van de regels van de beheersverordening zijn de gronden bestemd voor:
a. De uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met uitzondering van het tuinbouwbedrijf, het bomenteeltbedrijf en de teelt van snelgroeiend bos;
(….)
d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden van de gronden;
e. gebouwen ten behoeve van het onder a genoemde bedrijf;
f. bedrijfswoningen;
g. bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
met daaraan ondergeschikt:
h. ter plaatse van een bouwvlak een kleinschalig kampeerterrein met uitzondering van stacaravans;
i. wegen en paden;
j. parkeervoorzieningen;
k. geluidwerende voorzieningen;
l. openbare nutsvoorzieningen;
m. infrastructurele voorzieningen;
n. groenvoorzieningen;
o. recreatief medegebruik in de vorm van extensieve dagrecreatie;
p. waterhuishoudkundige voorzieningen;
q. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
met de daarbij behorende:
r. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat een deel van het perceel feitelijk wordt gebruikt als tuin. In zoverre is sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 5.1 van de beheersverordening. Het college was daarom bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.
De uitbreiding van de last
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de opgelegde last bij het bestreden besluit van 23 oktober 2024 is uitgebreid. Aangezien het college het bestreden besluit ook zonder dat een bezwaarschrift was ingediend ten nadele van [eiser] het handhavingsbesluit mocht wijzigen, verzet artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zich er niet tegen dat deze wijziging bij de beslissing op bezwaar is betrokken [1] .
5.2.
De rechtbank zal hierna de last onder dwangsom, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit van 23 oktober 2024, beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling bestreden besluit
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het college bij brief van 4 januari 2024 aan [eiser] het volgende heeft meegedeeld:
“Inmiddels is op 18 december 2023 een omgevingsvergunning met nummer [nummer] verleend voor tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, het plaatsen van een foliekas en aanplant fruitbomen (periode 10 jaar).
Door een toezichthouder van de afdeling Fysieke Leefomgeving is bij een controle op 18 december 2023 geconstateerd dat de overblijvende strijdigheden met de Wabo nu zijn beëindigd. Het nog aanwezige zonnepaneel is ten dienst van de bevloeiing in de foliekas en zal door u in de nabijheid of mogelijk zelfs op de kas worden geplaatst om de relatie daarmee duidelijk te maken.
Daarmee is geconstateerd dat er momenteel wordt voldaan aan de opgelegde last.”
Het college heeft in deze brief vervolgens meegedeeld:
“Wij wijzen u erop dat het u, gelet op de opgelegde last, niet is toegestaan om zonder omgevingsvergunning afwijkend gebruik te maken van dit perceel en andere bouwwerken op te richten op dit perceel die in strijd zijn met de bestemming of het omgevingsplan. Voldoet u niet aan deze lastgeving dan verbeurt u alsnog de dwangsom van € 1.500,-- per week met een maximum bedrag van € 15.000,--. Als u na een jaar na de datum van deze brief nog steeds aan de lastgeving voldoet, kunt u een verzoek bij ons indienen om de lastgeving op te heffen.”
De rechtbank stelt vast dat het college op 4 januari 2024 dus van mening was dat de strijdigheden dan wel gelegaliseerd waren dan wel beëindigd waren.
Vervolgens heeft het college het bestreden besluit van 23 oktober 2024 genomen. Het college heeft daarbij aanleiding gevonden de last onder dwangsom te handhaven met uitzondering voor wat betreft de gelaste verwijdering van de grindtegel. Voorts heeft het college de last onder dwangsom uitgebreid en ziet deze voor het vervolg ook op het verwijderen en verwijderd houden van de meidoornhaag, de boot met de naam Billy en op andere boten.
Het college is van mening dat er geen sprake meer is van legalisering van strijdigheden. Daartoe verwijst het college naar het besluit van ook 23 oktober 2024 waarbij de legaliserende tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023 is herroepen en dat er vervolgens geen zicht op legalisering is omdat er nog geen begunstigend ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd.
De rechtbank is het volgende van oordeel.
Bij besluit van 22 april 2025 heeft het college in de procedure van [eiser] tegen het besluit van 23 oktober 2024 waarbij de omgevingsvergunning van 18 december 2023 is herroepen onder intrekking van het besluit van 23 oktober 2023 opnieuw beslist op de bezwaren van [eiser] tegen de aan hem verleende omgevingsvergunning van 18 december 2023. Het college heeft wederom dat besluit van 18 december 2023 herroepen en vervolgens de aanvraag van die vergunning van 18 augustus 2023 buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het besluit van 22 april 2025 vernietigd, alsook het besluit van 23 oktober 2024 vernietigd.
Dat leidt ertoe dat ten tijde van de uitspraak op het onderhavige beroep de legaliserende omgevingsvergunning van 18 december 2023 weer van kracht is.
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het besluit op bezwaar van 23 oktober 2023 in onderhavige procedure niet langer in stand kan blijven. Immers ziet de last onder dwangsom niet langer op die strijdigheden die met de omgevingsvergunning zijn gelegaliseerd.
Ten aanzien van de uitbreiding van de last onder dwangsom met de meidoornhaag, de boot Billy en andere boten heeft de rechtbank in de procedure inzake de omgevingsvergunning geoordeeld dat deze gestelde strijdigheden gelegaliseerd zijn met de genoemde omgevingsvergunning.
Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op de brief van het college van 4 januari 2024 ten tijde van het bestreden besluit van 23 oktober 2024 de last maximaal nog betrekking kon hebben op de strijdigheden die met de omgevingsvergunning gelegaliseerd waren en de bij het bestreden besluit opgenomen aanvullingen van de last onder dwangsom.
Nu er thans gelet op de uitspraak van deze rechtbank in de beroepsprocedure inzake de omgevingsvergunning vanuit moet worden gegaan dat de resterende strijdigheden weer gelegaliseerd moeten worden geacht doordat de omgevingsvergunning is herleefd, is de rechtbank van oordeel dat er thans geen sprake is van strijdigheden.
De rechtbank wijst er voorts op dat het handhavingsbesluit er tevens op ziet dat de strijdigheden beëindigd blijven. De rechtbank is van oordeel dat het college om die reden het handhavingsbesluit heeft kunnen handhaven voor wat betreft de met de brief van 4 januari 2024 geconstateerde beëindigde strijdigheden.
Nu het college bij het bestreden besluit van 23 oktober 2024 het primaire besluit heeft gehandhaafd voor wat betreft ook de geconstateerde strijdigheden die met de tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023 zijn gelegaliseerd en voorts het college ten onrechte de last onder dwangsom heeft uitgebreid ter zake van de meidoornhaag, de boot met de naam Billy en andere boten is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
De rechtbank ziet voorts geen reden om de herroeping van het besluit waarbij de begunstigingstermijn is verlengd tot uiterlijk 5 december 2024 te handhaven. Het bestreden besluit wordt ook in zoverre vernietigd.
De rechtbank vernietigt ook de toewijzing van de proceskostenvergoeding aan eiser in het bestreden besluit. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal het college zich daar opnieuw over moeten uitspreken.
7. Aangezien onderhavige procedure verknocht is aan de procedure met betrekking tot de procedure inzake de omgevingsvergunning zal de rechtbank in onderhavige zaak niet zelf voorzien, maar volstaan met de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit van 23 oktober 2024.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiser] een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 1). Omdat voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank al een proceskostenveroordeling is toegekend in de met deze zaak samenhangende zaak met nummer 24/3895, kent de rechtbank daarvoor in deze zaak geen punten toe. Toegekend wordt daarom in totaal € 934.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187, aan [eiser] te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 934.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. ECLI:NL:RVS:2024:4734, r.o. 9.1