6.1.De rechtbank stelt vast dat het college bij brief van 4 januari 2024 aan [eiser] het volgende heeft meegedeeld:
“Inmiddels is op 18 december 2023 een omgevingsvergunning met nummer [nummer] verleend voor tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan, het plaatsen van een foliekas en aanplant fruitbomen (periode 10 jaar).
Door een toezichthouder van de afdeling Fysieke Leefomgeving is bij een controle op 18 december 2023 geconstateerd dat de overblijvende strijdigheden met de Wabo nu zijn beëindigd. Het nog aanwezige zonnepaneel is ten dienst van de bevloeiing in de foliekas en zal door u in de nabijheid of mogelijk zelfs op de kas worden geplaatst om de relatie daarmee duidelijk te maken.
Daarmee is geconstateerd dat er momenteel wordt voldaan aan de opgelegde last.”
Het college heeft in deze brief vervolgens meegedeeld:
“Wij wijzen u erop dat het u, gelet op de opgelegde last, niet is toegestaan om zonder omgevingsvergunning afwijkend gebruik te maken van dit perceel en andere bouwwerken op te richten op dit perceel die in strijd zijn met de bestemming of het omgevingsplan. Voldoet u niet aan deze lastgeving dan verbeurt u alsnog de dwangsom van € 1.500,-- per week met een maximum bedrag van € 15.000,--. Als u na een jaar na de datum van deze brief nog steeds aan de lastgeving voldoet, kunt u een verzoek bij ons indienen om de lastgeving op te heffen.”
De rechtbank stelt vast dat het college op 4 januari 2024 dus van mening was dat de strijdigheden dan wel gelegaliseerd waren dan wel beëindigd waren.
Vervolgens heeft het college het bestreden besluit van 23 oktober 2024 genomen. Het college heeft daarbij aanleiding gevonden de last onder dwangsom te handhaven met uitzondering voor wat betreft de gelaste verwijdering van de grindtegel. Voorts heeft het college de last onder dwangsom uitgebreid en ziet deze voor het vervolg ook op het verwijderen en verwijderd houden van de meidoornhaag, de boot met de naam Billy en op andere boten.
Het college is van mening dat er geen sprake meer is van legalisering van strijdigheden. Daartoe verwijst het college naar het besluit van ook 23 oktober 2024 waarbij de legaliserende tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023 is herroepen en dat er vervolgens geen zicht op legalisering is omdat er nog geen begunstigend ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd.
De rechtbank is het volgende van oordeel.
Bij besluit van 22 april 2025 heeft het college in de procedure van [eiser] tegen het besluit van 23 oktober 2024 waarbij de omgevingsvergunning van 18 december 2023 is herroepen onder intrekking van het besluit van 23 oktober 2023 opnieuw beslist op de bezwaren van [eiser] tegen de aan hem verleende omgevingsvergunning van 18 december 2023. Het college heeft wederom dat besluit van 18 december 2023 herroepen en vervolgens de aanvraag van die vergunning van 18 augustus 2023 buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het besluit van 22 april 2025 vernietigd, alsook het besluit van 23 oktober 2024 vernietigd.
Dat leidt ertoe dat ten tijde van de uitspraak op het onderhavige beroep de legaliserende omgevingsvergunning van 18 december 2023 weer van kracht is.
Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het besluit op bezwaar van 23 oktober 2023 in onderhavige procedure niet langer in stand kan blijven. Immers ziet de last onder dwangsom niet langer op die strijdigheden die met de omgevingsvergunning zijn gelegaliseerd.
Ten aanzien van de uitbreiding van de last onder dwangsom met de meidoornhaag, de boot Billy en andere boten heeft de rechtbank in de procedure inzake de omgevingsvergunning geoordeeld dat deze gestelde strijdigheden gelegaliseerd zijn met de genoemde omgevingsvergunning.
Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat gelet op de brief van het college van 4 januari 2024 ten tijde van het bestreden besluit van 23 oktober 2024 de last maximaal nog betrekking kon hebben op de strijdigheden die met de omgevingsvergunning gelegaliseerd waren en de bij het bestreden besluit opgenomen aanvullingen van de last onder dwangsom.
Nu er thans gelet op de uitspraak van deze rechtbank in de beroepsprocedure inzake de omgevingsvergunning vanuit moet worden gegaan dat de resterende strijdigheden weer gelegaliseerd moeten worden geacht doordat de omgevingsvergunning is herleefd, is de rechtbank van oordeel dat er thans geen sprake is van strijdigheden.
De rechtbank wijst er voorts op dat het handhavingsbesluit er tevens op ziet dat de strijdigheden beëindigd blijven. De rechtbank is van oordeel dat het college om die reden het handhavingsbesluit heeft kunnen handhaven voor wat betreft de met de brief van 4 januari 2024 geconstateerde beëindigde strijdigheden.
Nu het college bij het bestreden besluit van 23 oktober 2024 het primaire besluit heeft gehandhaafd voor wat betreft ook de geconstateerde strijdigheden die met de tijdelijke omgevingsvergunning van 18 december 2023 zijn gelegaliseerd en voorts het college ten onrechte de last onder dwangsom heeft uitgebreid ter zake van de meidoornhaag, de boot met de naam Billy en andere boten is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
De rechtbank ziet voorts geen reden om de herroeping van het besluit waarbij de begunstigingstermijn is verlengd tot uiterlijk 5 december 2024 te handhaven. Het bestreden besluit wordt ook in zoverre vernietigd.
De rechtbank vernietigt ook de toewijzing van de proceskostenvergoeding aan eiser in het bestreden besluit. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal het college zich daar opnieuw over moeten uitspreken.
7. Aangezien onderhavige procedure verknocht is aan de procedure met betrekking tot de procedure inzake de omgevingsvergunning zal de rechtbank in onderhavige zaak niet zelf voorzien, maar volstaan met de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit van 23 oktober 2024.