Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De procesafspraken
- verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren, onder de voorwaarde dat de rechtbank de procesafspraken honoreert;
- verdachte legt geen bekennende verklaring af. De verdediging bevestigt door ondertekening van de procesafspraken dat de feiten en kwalificaties, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken, niet worden ontkend en dat hiertegen geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd;
- verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meerdere strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging;
- de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudings- en/of schorsingsverzoeken zal indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden dan wel een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien;
- verdachte is aanwezig op zitting zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;
- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
- verdachte heeft met de afspraken, na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen, vrijwillig afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting requireren tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de volgende straf vorderen: een werkstraf voor de duur van 200 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren, met daarbij als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- de verdediging en het Openbaar Ministerie zullen geen hoger beroep instellen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafoplegging komt in overeenstemming met de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken, tenzij de rechtbank bij vonnis in haar strafoplegging substantieel afwijkt van de gemaakte procesafspraken. Voor verdachte geldt dat verdachte in hoger beroep kan gaan bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het Openbaar Ministerie geldt dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep kan gaan bij een strafoplegging waarbij de overeengekomen straf met ten minste één derde wordt verlaagd, inhoudende een straf lager dan een werkstraf van 134 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van tachtig dagen met een proeftijd van twee jaren;
- de verdediging en het Openbaar Ministerie zijn gelijktijdig met de ondertekening van de procesafspraken bij afzonderlijke overeenkomst een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv aangegaan ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inhoudende dat een bedrag van in totaal 217.500 euro binnen vier weken na ondertekening van het schikkingsvoorstel wordt voldaan aan de Staat. Het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen. Indien de rechtbank een vonnis wijst dat afwijkt van de gemaakte procesafspraken, dan blijft de schikkingsovereenkomst wel in stand;
- wanneer de afspraken op enige wijze worden ontbonden of het bovenstaande niet, niet tijdig of niet geheel voor de inhoudelijke behandeling ter zitting zal zijn nagekomen, komt de zaak terug in de stand waarin deze zich voor het maken van de afspraken bevond;
- indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen verdachte, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen.
4.De bewijsmotivering
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
200 (tweehonderd) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;