ECLI:NL:RBOVE:2026:519

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
08.162083.22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 47 SrArt. 9 SrArt. 14 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van grootschalige hennepteelt met aansturende rol

De rechtbank Overijssel heeft op 3 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een 44-jarige verdachte die samen met medeverdachten vijf grote hennepkwekerijen in Deventer exploiteerde. In totaal werden 2.429 hennepplanten aangetroffen, evenals resten van geoogste planten en illegale stroomafname bij meerdere kwekerijen. Verdachte had een aansturende rol bij deze professionele hennepteelt.

Het onderzoek startte in april 2022 na meldingen en technische metingen, waarna op 7 juli 2022 en 11 oktober 2022 instappen plaatsvonden bij de kwekerijen. Verdachte maakte procesafspraken met het Openbaar Ministerie, waarbij hij afstand deed van zijn verdedigingsrechten en zich beroept op zwijgrecht. De rechtbank achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte conform het voorstel tot een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de aansturende rol van verdachte, het feit dat hij enkel handelde met oog op financieel gewin en het schadelijke karakter van hennep. Verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. Ook werd meegewogen dat verdachte en medeverdachten een schikking van €217.500,- voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel hadden voldaan. De straf staat in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de gemaakte procesafspraken.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden. De opgelegde taakstraf wordt verminderd met de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarbij elke dag in verzekering telt als twee uur taakstraf. De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij verdachte zich binnen de proeftijd schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar wegens medeplegen van grootschalige hennepteelt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.162083.22
Datum vonnis: 03 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J. Vlug, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met anderen beroeps- of bedrijfsmatig in verschillende panden in Deventer hennep heeft geteeld of aanwezig heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte dat:
hij op of omstreeks 7 juli 2022 en/of 11 oktober 2022 te Deventer, althans in
Nederland, (telkens)
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening
van een beroep
en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in
elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad;
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] , 844
hennepplanten en/of
delen daarvan en/of
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] , 610
hennepplanten en/of delen
daarvan en/of
- in een woning gelegen aan de [adres 4] , 275 hennepplanten en/of
delen daarvan
en/of
- in een woning gelegen aan de [adres 5] , 428 hennepplanten en/of
delen daarvan
en/of
- in een schuur gelegen aan de [adres 6] , 272 hennepplanten en/of
delen daarvan,
althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval
een hoeveelheid
meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel
als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid
van artikel 3a van
die wet.

3.De procesafspraken

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de verdediging zogeheten
‘procesafspraken’ hebben gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van deze procesafspraken.
Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie aan de rechtbank is voorgelegd, luidt
als volgt:
  • verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren, onder de voorwaarde dat de rechtbank de procesafspraken honoreert;
  • verdachte legt geen bekennende verklaring af. De verdediging bevestigt door ondertekening van de procesafspraken dat de feiten en kwalificaties, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken, niet worden ontkend en dat hiertegen geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd;
  • verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meerdere strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging;
  • de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudings- en/of schorsingsverzoeken zal indienen, tenzij thans onvoorziene omstandigheden dan wel een acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die thans niet wordt voorzien;
  • verdachte is aanwezig op zitting zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;
  • verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • verdachte heeft met de afspraken, na adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen, vrijwillig afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten en is zich bewust van de (mogelijke) gevolgen daarvan;
  • het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting requireren tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, zoals vastgelegd in Bijlage A bij de procesafspraken;
  • het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting de volgende straf vorderen: een werkstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, met daarbij als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • de verdediging en het Openbaar Ministerie zullen geen hoger beroep instellen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafoplegging komt in overeenstemming met de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken, tenzij de rechtbank bij vonnis in haar strafoplegging substantieel afwijkt van de gemaakte procesafspraken. Voor verdachte geldt dat verdachte in hoger beroep kan gaan bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor het Openbaar Ministerie geldt dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep kan gaan bij een strafoplegging waarbij de overeengekomen straf met ten minste één derde wordt verlaagd, inhoudende een straf lager dan een werkstraf van 160 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren;
  • de verdediging en het Openbaar Ministerie zijn gelijktijdig met de ondertekening van de procesafspraken bij afzonderlijke overeenkomst een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv aangegaan ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inhoudende dat een bedrag van in totaal 217.500 euro binnen vier weken na ondertekening van het schikkingsvoorstel wordt voldaan aan de Staat. Het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen. Indien de rechtbank een vonnis wijst dat afwijkt van de gemaakte procesafspraken, dan blijft de schikkingsovereenkomst wel in stand;
  • wanneer de afspraken op enige wijze worden ontbonden of het bovenstaande niet, niet tijdig of niet geheel voor de inhoudelijke behandeling ter zitting zal zijn nagekomen, komt de zaak terug in de stand waarin deze zich voor het maken van de afspraken bevond;
  • indien de rechtbank de gemaakte procesafspraken niet mocht volgen, vervallen de afspraken en kunnen verdachte, de verdediging en het Openbaar Ministerie hier geen rechten meer aan ontlenen.
Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 20 januari 2026 zijn het ten laste gelegde feit en de gemaakte procesafspraken met verdachte besproken. Daarbij was een belangrijk element of verdachte begrijpt wat de gemaakte procesafspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak (kunnen) hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij dit begrijpt. De rechtbank heeft tijdens de bespreking van het ten laste gelegde feit verdachte gevraagd of hij daarover wil verklaren. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. In de aanloop naar en tijdens het maken van de procesafspraken en de bespreking van het afdoeningsvoorstel ter terechtzitting is voortdurend sprake geweest van rechtsbijstand voor verdachte.

4.De bewijsmotivering

4.1
Inleiding
Medio april 2022 wordt door de politie een onderzoek naar hennepteelt in Deventer gestart onder de naam ‘Dravik’. Na twee meldingen bij Meld Misdaad Anoniem, een warmtemeting en een netmeting ontstaat het vermoeden dat in een loods op een industrieterrein aan de [adres 2] een hennepkwekerij aanwezig is. Gedurende een korte periode wordt een camera op de loods geplaatst om te onderzoeken welke personen betrokken zijn bij de hennepkwekerij. Op 7 juli 2022 doet de politie instap in het pand aan de [adres 2] en wordt de hennepkwekerij ontmanteld. Er wordt besloten nog geen aanhoudingen te verrichten en de betrokken verdachten onder de tap te zetten. Ook wordt een baken aangebracht in de auto’s die bij de hennepkwekerij zijn gezien. Uit de informatie uit de tapgesprekken en de bakengegevens zijn nog vier hennepkwekerijen op verschillende adressen in Deventer in beeld gekomen. De politie doet op 11 oktober 2022 een instap op deze adressen en treft hennepkwekerijen aan. Vervolgens zijn verdachte en de drie medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangehouden.
4.2
De standpunten van partijen
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de gemaakte procesafspraken op het
standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verdediging heeft, in overeenstemming met de gemaakte procesafspraken, geen (bewijs)verweer gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 7 juli 2022 en 11 oktober 2022 te Deventer telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt,
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] , 844 hennepplanten en
- in een bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] , 610 hennepplanten en
- in een woning gelegen aan de [adres 4] , 275 hennepplanten en
- in een woning gelegen aan de [adres 5] , 428 hennepplanten en
- in een schuur gelegen aan de [adres 6] 41 te Deventer, 272 hennepplanten,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat
zij hem daarvan zal vrijspreken.
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
het misdrijf:
medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7.De op te leggen straf

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, conform het afdoeningsvoorstel, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen conform het afdoeningsvoorstel.
7.3
De gronden voor een straf
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten vijf grote en professioneel opgezette hennepkwekerijen geëxploiteerd waarin (in totaal) 2.429 hennepplanten zijn aangetroffen. Ook zijn bij drie hennepkwekerijen resten van geoogste hennepplanten aangetroffen en was bij in ieder geval vier kwekerijen sprake van het illegaal afnemen van stroom. Verdachte had een aansturende rol bij het plegen van het feit. Verdachte heeft enkel gehandeld met het oog op financieel gewin en is voorbijgegaan aan het feit dat verdovende middelen zoals hennep schadelijk zijn voor de volksgezondheid en vaak leiden tot verschillende vormen van criminaliteit. Dit rekent de rechtbank hem aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De straf
De rechtbank stelt voorop dat zij haar eigen afweging maakt bij het bepalen van de op te
leggen straf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken
worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg
Vakinhoud Strafrecht. Daarnaast acht de rechtbank bij de strafoplegging van belang
dat procesafspraken naar hun aard kunnen bijdragen aan het verkorten van de procedure en
het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waarop de afspraken zien. Door het afdoen
van deze strafzaak op de wijze als in de procesafspraken is overeengekomen, wordt de
behandeltijd van de zaak aanzienlijk verkort en kan de zaak efficiënter worden afgedaan.
Gelet op het voorgaande en hetgeen op zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van
oordeel dat de afdoening zoals gevorderd door de officier van justitie, mede in het licht van
de belangen die met de gemaakte procesafspraken gemoeid zijn, in een redelijke verhouding
staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doet aan de inhoud van de strafzaak
en alle betrokken belangen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank onder andere rekening met de aansturende rol die verdachte heeft vervuld bij het plegen van het feit. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het tussen verdachte en de officier van justitie overeengekomen schikkingsbedrag ter zake van het wederrechtelijk verkregen voordeel (een bedrag van € 217.500,00) reeds geheel is voldaan door verdachte (en zijn medeverdachten).
Alles afwegende acht de rechtbank de voorgestelde straf passend. De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf van 240 uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor een in verzekering doorgebrachte dag twee uren aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Buiten staat
Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.