Art. 5 WVW 1994Art. 6 WVW 1994Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 23 SrArt. 24c Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak voor schuld aan verkeersongeval, geldboete voor gevaar op de weg veroorzaakt door vrachtwagenchauffeur
Op 26 juli 2024 veroorzaakte verdachte, een beroepsvrachtwagenchauffeur, een kettingbotsing op de N50 te Kampen. Verdachte zag het stilstaande verkeer door een kort moment van onoplettendheid en de combinatie van een helling en laagstaande zon te laat, waardoor hij niet tijdig kon remmen en botste op een personenauto.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken. Wel werd vastgesteld dat verdachte gevaar op de weg had veroorzaakt door onvoldoende alert te zijn, wat strafbaar is gesteld in artikel 5 WVWPro 1994.
De gevolgen van de botsing waren letsel bij drie slachtoffers, waaronder een gebroken ellenboog en nek- en rugklachten. De rechtbank legde een geldboete van duizend euro op, waarbij rekening werd gehouden met de aard van het feit, de persoon van verdachte en zijn eerdere strafblad. Een rijontzegging werd niet opgelegd vanwege disproportionaliteit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuld aan het ongeval maar veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar op de weg met een geldboete van €1000.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.120891.25 (P)
Datum vonnis: 03 februari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1952 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] .
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. van Eekelen, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een vrachtauto schuldig is aan het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (zwaar lichamelijk) letsel hebben opgelopen ( primair) dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt ( subsidiair) dan wel dat verdachte onvoldoende zijn snelheid heeft geregeld waardoor hij niet in staat was om tijdig te remmen en een kettingbotsing heeft veroorzaakt ( meer subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Kampen in de gemeente Kampen, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto met
daaraan gekoppeld een aanhanger (vrachtwagencombinatie)), komende uit de
richting van Kampen, gaande in de richting van Uddel, daarmede rijdende over de
weg de N50,
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft
gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het/de direct voor
hem, verdachte, gelegen weggedeelte(n) van die weg (de N50) en/of het zich daarop
bevindende verkeer,
- in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto niet
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was
en/of
- vervolgens heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid
had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde
snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, waarbij hij is gebotst tegen, althans in
aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto, merk Peugeot), welke op
zijn beurt is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een ander voertuig
(personenauto, Skoda met aanhanger);
en aldus heeft hij, verdachte, zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te
wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan (een) ander(en),
- genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan en/of
- genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;
- genaamd [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd
toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de
normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Kampen in de gemeente Kampen, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto met
daaraan gekoppeld een aanhanger (vrachtwagencombinatie))), komende uit de
richting van Kampen, gaande in de richting van Uddel, daarmede rijdende over de
weg de N50,
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het/de direct voor
hem, verdachte, gelegen weggedeelte(n) van die weg (de N50) en/of het zich daarop
bevindende verkeer,
- in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto niet
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was
en/of
- vervolgens heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid
had verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde
snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, waarbij hij is gebotst tegen, althans in
aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto, merk Peugeot), welke op
zijn beurt is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een ander voertuig
(personenauto, Skoda met aanhanger);
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 juli 2024 te Kampen als bestuurder van een voertuig
(bedrijfsauto met daaraan gekoppeld een aanhanger (vrachtwagencombinatie))
rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, N50, zijn snelheid niet
zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen
binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
immers heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer snelheid had
verminderd en/of tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde
snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, waarbij hij is gebotst tegen, althans in
aanrijding is gekomen met, een voertuig (personenauto, merk Peugeot), welke op
zijn beurt is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met, een ander voertuig
(personenauto, Skoda met aanhanger).
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] letsel hebben opgelopen. De officier van justitie heeft daartoe gesteld dat verdachte gedurende een langere tijd, in ieder geval een aantal seconden, onoplettend is geweest waardoor hij niet tijdig heeft kunnen remmen en de kettingbotsing heeft veroorzaakt.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier enkel kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid en dat dit niet kan worden gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Indien de rechtbank hieraan voorbijgaat, heeft de raadsvrouw bepleit dat het letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel dat daardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en dat het letsel van [slachtoffer 3] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
De raadsvrouw heeft voorts vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde, nu het gedrag van verdachte niet kan worden beschouwd als evident gevaarzettend gedrag in de zin van artikel 5 WVWPro 1994.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat bij de beoordeling van wat verdachte wordt verweten uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
Op 26 juli 2024, omstreeks 12:30 uur, rijdt verdachte als bestuurder van een vrachtauto op de N50 in Kampen. Verdachte komt vanuit de richting van Kampen, waar hij zijn vrachtwagen heeft geladen met gerst, en rijdt in de richting van Uddel. Verdachte rijdt vanwege zijn werk als vrachtwagenchauffeur vaker op de N50 en is goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Het is voor verdachte een normale werkdag zonder bijzonderheden. [2]
[slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) rijdt op dat moment in een Peugeot op de N50, op enige afstand voor de vrachtauto van verdachte. Het zoontje van [slachtoffer 3] zit achterin bij haar in de auto. Direct voor [slachtoffer 3] rijdt [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in een Skoda met aanhanger. Bij [slachtoffer 1] in de auto zitten zijn vrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en hun vijf kinderen. Ter hoogte van het viaduct zien [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] dat sprake is van filevorming met stilstaand verkeer. Beiden remmen af, schakelen hun alarmlichten in om achterliggend verkeer te waarschuwen en komen tot stilstand op het viaduct. [3]
Omstreeks dat moment rijdt verdachte het viaduct omhoog met zijn vrachtauto. Verdachte ziet het stilstaande verkeer dat voor hem is ontstaan in eerste instantie niet. Als verdachte het stilstaande verkeer eenmaal opmerkt, trapt hij op de rem. [4] Het lukt verdachte niet om zijn vrachtauto nog tijdig tot stilstand te brengen, waardoor verdachte met zijn vrachtauto tegen de achterzijde van de Peugeot van [slachtoffer 3] aan botst. De Peugeot van [slachtoffer 3] botst vervolgens door de snelheidsimpuls tegen de achterzijde van de Skoda van [slachtoffer 1] aan. [5]
Verdachte verklaart ter zitting dat hij het stilstaande verkeer niet tijdig heeft gezien omdat hij er ‘even’ niet bij was met zijn gedachten. Vanwege de omstandigheid dat hij het viaduct (een helling) omhoog reed, in combinatie met een laagstaande zon, heeft hij het verderop stilstaande verkeer in de seconden daarvoor ook niet gezien. [6]
Ten gevolge van de kettingbotsing loopt [slachtoffer 3] letsel op, bestaande uit een gebroken linker ellenboog. [7] Ook ervaart [slachtoffer 3] enige tijd hoofd- en nekklachten. Het zoontje van [slachtoffer 3] moet vanwege zijn jonge leeftijd een nachtje ter observatie in het ziekenhuis verblijven. [8]
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ervaren na het ongeval respectievelijk rugklachten en nek- en schouderklachten. [9]
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde (artikel 6 WVWPro 1994)
De vraag die voorligt is of verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994 heeft aan het verkeersongeval. Daarvan is sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Volgens vaste rechtspraak komt het bij de beoordeling van deze schuldvraag aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van verdachte vast dat sprake is geweest van een moment van onoplettendheid mede omdat hij in de tijdspanne daarvoor het voor hem rijdende verkeer niet heeft kunnen zien omdat de weg licht hellend was. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan de rechtbank niet vaststellen dat dit langer is geweest dan een enkel moment. Een dergelijk moment van onoplettendheid is niet zonder meer als aanmerkelijke schuld in de zin van de WVW 1994 te kwalificeren. Daartoe zijn bijkomende omstandigheden vereist, die in deze zaak niet zijn komen vast te staan.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte schuld aan het ongeval heeft gehad als bedoeld in artikel 6 WVWPro 1994.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde (artikel 5 WVWPro 1994)
Het voorgaande laat onverlet dat verdachte, zoals hem subsidiair wordt verweten, door zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt immers dat verdachte de stilstaande voertuigen (met ingeschakelde alarmlichten) voor hem niet tijdig heeft opgemerkt, waardoor hij niet tijdig heeft geremd en waardoor hij tegen de auto van [slachtoffer 3] is gebotst en een kettingbotsing is ontstaan. Hierdoor heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt. De rechtbank acht daarbij van belang dat verdachte als beroepschauffeur met een beladen vrachtauto aan het verkeer deelnam en dat hij, zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, wist dat het betreffende weggedeelte van de N50 doorgaans druk is.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVWPro 1994 heeft begaan.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 26 juli 2024 te Kampen in de gemeente Kampen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto met daaraan gekoppeld een aanhanger (vrachtwagencombinatie)), komende uit de richting van Kampen, gaande in de richting van Uddel, daarmede rijdende over de weg de N50,
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (de N50) en het zich daarop bevindende verkeer,
- in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de snelheid van de door hem bestuurde bedrijfsauto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de bedrijfsauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- vervolgens heeft hij, verdachte, toen het voor hem uit rijdende verkeer tot stilstand was gekomen (met nagenoeg onverminderde snelheid) een kettingbotsing veroorzaakt, waarbij hij is gebotst tegen een voertuig (personenauto, merk Peugeot), welke op zijn beurt is gebotst tegen een ander voertuig (personenauto, Skoda met aanhanger), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 177 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair
de overtreding: overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van negentig uren waarvan dertig uren voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van drie maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete. De oplegging van een (onvoorwaardelijke) rijontzegging zou, gelet op het tijdsverloop en het beroep van verdachte als vrachtwagenchauffeur, onwenselijk en disproportioneel zijn.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft, terwijl hij zich als beroepsmatig chauffeur van een vrachtauto op de N50 bevond, niet tijdig de voor hem ontstane file opgemerkt. Doordat verdachte niet constant op het verkeer lette dat voor hem reed, is hij niet in staat geweest zijn vrachtauto tijdig tot stilstand te brengen. Hierdoor is hij ingereden op de zich voor hem bevindende file. Als gevolg hiervan is een kettingbotsing ontstaan waarbij de Peugeot van [slachtoffer 3] en de Skoda van [slachtoffer 1] betrokken waren. Door de botsing heeft [slachtoffer 3] een gebroken ellenboog opgelopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die als bijrijder in de Skoda zat, hebben gedurende enige tijd rugklachten dan wel nek- en schouderklachten ondervonden.
De rechtbank overweegt dat bij de strafoplegging slechts in beperkte mate rekening moet worden gehouden met de ernst van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout. De op te leggen straf dient vooral in verhouding te staan met de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert. Er is wel sprake van een overtreding van de WVW 1994.
Bij haar beslissing houdt de rechtbank in strafmatigende zin ook rekening met het strafblad van verdachte van 4 november 2025. Daaruit blijkt dat hij, ondanks zijn hoge leeftijd, niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte vanaf het begin af aan verantwoordelijkheid heeft genomen voor het veroorzaken van de kettingbotsing.
Alles afwegende acht de rechtbank, mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, de oplegging van een geldboete van € 1000,00 passend en geboden. De rechtbank zal geen ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.
9.De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
subsidiair, de overtreding: overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Buiten staat
Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie- eenheid Oost-Nederland, met proces-verbaalnummer PL0600-2024347117. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.
3.Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 3] van 5 augustus 2024 (pagina 19); het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] van 25 november 2024 (pagina 13).
4.Het proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.
5.Het proces-verbaal aanrijding misdrijf van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 11 april 2025 (pagina 3).
6.Het proces-verbaal van de zitting van 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.
7.Een schriftelijk bescheid, te weten een Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving van L. Dijkhuizen, forensisch arts, opgesteld op 4 maart 2025 (pagina 95).
8.Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 3] van 5 augustus 2024 (pagina 19); het proces-verbaal aanrijding misdrijf van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 11 april 2025 (pagina 6).
9.Een schriftelijk bescheid, te weten een huisartsjournaal betreffende [slachtoffer 1] (pagina 77); een schriftelijk bescheid, te weten een huisartsjournaal betreffende [slachtoffer 2] (pagina 89).