ECLI:NL:RBOVE:2026:4581

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
C/08/345349 / HA ZA 26-70
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 RvArt. 139 RvArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis tot betaling wegens tekortkoming aannemingsovereenkomst en incassokosten

Eiser heeft een aannemingsovereenkomst gesloten met gedaagde, die tekortgeschoten is door ondeugdelijk werk te leveren. Eiser vordert betaling van de hoofdsom, incassokosten, expertisekosten en wettelijke rente. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde geen bekende woon- of verblijfplaats heeft en dat openbare betekening correct is uitgevoerd. De gevorderde hoofdsom en expertisekosten worden niet onrechtmatig of ongegrond bevonden en toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten worden op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten eveneens toegewezen.

De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment dat gedaagde in verzuim is geraakt, namelijk vanaf 1 mei 2025 voor een deel van de hoofdsom en vanaf 22 juli 2025 voor het resterende bedrag. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente over deze kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom, incassokosten, expertisekosten, wettelijke rente en proceskosten na verstekverlening.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/345349 / HA ZA 26-70
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. M.T. Somohardjo,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding.
- het tegen [gedaagde] verleende verstek
- het tussenvonnis van 3 juni 2026
- de akte van eisende partij
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1
[eiser] vordert – samengevat – om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 41.072,50 (bestaande uit € 39.000,00 aan hoofdsom € 1.165,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 907,50 aan expertisekosten), de hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 en met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2
[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat hij een aannemingsovereenkomst gesloten heeft met [gedaagde]. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis door ondeugdelijk werk te leveren.
3 De verdere beoordeling
3.1
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom wordt aangenomen dat [gedaagde] geen bekende woon- en verblijfplaats heeft en er openbaar is betekend zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 54 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De rechtbank is van oordeel dat [eiser] bij akte voldoende heeft toegelicht dat [gedaagde] geen bekende woonplaats en geen bekende werkelijke verblijfplaats in Nederland (meer) heeft en dat openbare betekening daarom de aangewezen wijze van betekening was.
3.2
[gedaagde] is niet bij advocaat verschenen in deze procedure. De rechtbank heeft tegen hem verstek verleend in de zin van artikel 139 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Op grond van dat artikel wijst de rechtbank de vordering toe, tenzij de rechtbank deze vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde hoofdsom van € 39.000,00 komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde expertisekosten van € 907,50.
3.3
[eiser] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom ook recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.165,00 worden toegewezen.
3.4
[eiser] maakt verder aanspraak op de wettelijke rente over zijn vorderingen vanaf verschillende data. De gevorderde wettelijke rente is echter niet toewijsbaar vanaf de door [eiser] genoemde data. Wettelijke rente is opeisbaar vanaf het moment dat gedaagde in verzuim is. Het is aan [eiser] te stellen en te onderbouwen vanaf welk moment gedaagde in verzuim is.
3.5
[eiser] vordert de wettelijke rente over zijn vordering van € 39.000,00 (bestaande uit € 16.500,00 en € 22.500,00 vanaf 1 mei 2025. [eiser] heeft niet nader toegelicht op grond waarvan [gedaagde] vanaf die datum in verzuim zou zijn. [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 23 april 2025 slechts voor een deel van de vordering aangemaand, namelijk een bedrag van € 16.500,00. De rechtbank wijst daarom de wettelijke rente over een bedrag van € 16.500,00 toe vanaf 1 mei 2025, aangezien [eiser] vanaf die datum in verzuim is geraakt door dat bedrag niet binnen de hem gestelde termijn te betalen.
3.6
Bij brief van 7 juli 2025 heeft [eiser] [gedaagde] eerst aangemaand het resterende bedrag van de vordering van € 22.500,00 te betalen uiterlijk binnen veertien dagen. De rechtbank wijst de wettelijke rente over € 22.500,00 daarom toe vanaf 22 juli 2025, aangezien [gedaagde] op die datum in verzuim is geraakt door niet binnen de hem gestelde termijn te betalen.
3.7
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
De proceskosten
3.8
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
157,50
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.050,50
3.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen
een bedrag van € 16.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 1 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 22.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 22 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 1.165,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
een bedrag van € 907,50 aan expertisekosten te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.050,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.