ECLI:NL:RBOVE:2026:4560

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
11994009 \ CV EXPL 25-3877
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:650 BWArt. 7:661 BWArt. 7:629 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding voor te laat inleveren leaseauto en loonvorderingen werknemer

De werknemer, werkzaam als operationeel manager bij IJssel Technologie B.V., leverde zijn leaseauto te laat in na beëindiging van zijn werkzaamheden wegens reorganisatie en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. IJssel vorderde een vergoeding van €13.278,82 voor de te late inlevering, terwijl de werknemer diverse loonvorderingen en een schadevergoeding voor onrechtmatige invordering van de leaseauto instelde.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer bekend was met de leaseautoregeling en dat de boetebedinging rechtsgeldig was. De vordering van IJssel tot vergoeding voor de te late inlevering werd daarom toegewezen. De werknemer mocht deze vergoeding echter niet verrekenen met zijn loon, omdat daarvoor geen opzet of bewuste roekeloosheid was vastgesteld.

De loonvorderingen van de werknemer werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, evenals zijn vordering tot schadevergoeding en het ter beschikking stellen van een nieuwe leaseauto. De loonsanctie wegens niet meewerken aan re-integratie werd als rechtmatig beoordeeld. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, evenals IJssel voor de reconventionele procedure.

Uitkomst: De werknemer moet vergoeding voor te laat inleveren leaseauto betalen, maar onrechtmatige verrekening met loon wordt teruggedraaid; overige loonvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11994009 \ CV EXPL 25-3877
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
IJSSEL TECHNOLOGIE B.V.,
gevestigd in Zwolle,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: IJssel,
gemachtigde: mr. C.A. Bosma
tegen
[partij A],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. R.H. Bossen.

1.De zaak in het kort

[partij A] werkt bij IJssel, maar is op dit moment (deels) arbeidsongeschikt. IJssel vraagt in deze procedure om betaling van een vergoeding omdat [partij A] zijn leaseauto te laat heeft ingeleverd. [partij A] heeft verschillende tegenvorderingen ingesteld. Zo vindt [partij A] dat hij te weinig loon heeft gekregen, en hij vraagt hij om nabetaling daarvan. Ook vraagt [partij A] (onder andere) van IJssel om hem weer een leaseauto te geven. De kantonrechter wijst de vordering van IJssel toe, en de vorderingen van [partij A] voor een klein gedeelte toe.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 19 november 2025,
- de conclusie van antwoord, met daarin een tegenvordering (eis in reconventie),
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- een aanvullende productie van IJssel,
- een aanvullende productie van [partij A] ,
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- spreekaantekeningen van IJssel.
2.2
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat er vandaag een vonnis in deze zaak zal komen.

3.De feiten

3.1
IJssel is onderdeel van IJssel Technologie Groep B.V., een concern dat zich bezighoudt met (kort samengevat) de verbetering en inrichting van productieprocessen en
energiemanagement.
3.2
[partij A] is op 15 januari 2024 in dienst getreden bij IJssel, in de functie
Operationeel Manager, tegen een maandsalaris € 8.211,79 bruto exclusief overige emolumenten.
3.3
Aan [partij A] is door IJssel een leaseauto ter beschikking gesteld (hierna: de leaseauto). [partij A] heeft hiervoor op 13 februari 2024 een gebruikersovereenkomst getekend (hierna: de gebruikersovereenkomst). Onder punt 6 van de gebruikersovereenkomst staat het volgende:

6. De medewerker heeft kennis genomen van de leaseautoregeling en gaat door
middel van ondertekening van de gebruiksovereenkomst akkoord met deze
leaseregeling.
3.4
In de leaseautoregeling van IJssel (hierna: de leaseautoregeling) staan onder meer de volgende bepalingen:

11.1 Beëindiging van de overeenkomst
Het gebruiksrecht van de auto op grond van deelname aan deze regeling eindigt dan wel wordt opgeschort:
> Op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt;
> Twee maanden nadat is vastgesteld dat de medewerker niet meer aan de genoemde toekenningscriteria voldoet voor een auto;
> Indien de medewerker door functiewijziging niet langer in aanmerking komt voor een leaseauto (in een dergelijk geval zal individueel een overgangsregeling worden getroffen
> Indien de medewerker onbetaald verlof opneemt. Het is de medewerker wel toegestaan de leaseauto tegen de werkelijke maandelijkse kosten te huren een en ander in overeenstemming na goedkeuring van de werkgever;
> Indien de medewerker, na schriftelijk in gebreke stelling, de verplichtingen uit hoofde van de leaseregeling en/of de gebruiksovereenkomst niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt;
> Indien de medewerker krachtens strafrechtelijk vonnis de rijbevoegdheid is
ontzegd;
> Op het tijdstip waarop de medewerker 2 maanden, in verband met non-activiteit, waaronder begrepen arbeidsongeschiktheid (zwangerschapsverlof uitgezonderd), geen werkzaamheden heeft verricht;
> Diefstal van de auto, indien deze niet binnen een termijn zoals gesteld in de polisvoorwaarden van de verzekering wordt teruggevonden;
> Bij total loss van de leaseauto;
> Bij op non-actiefstelling van de medewerker;
> Om andere gewichtige redenen naar het oordeel van de werkgever.
11.2
Inleveren auto
Aan het einde van de overeenkomst moet de medewerker de auto in goede staat met
alle bijbehorende zaken, waaronder kentekenbewijs deel 1 en II, het reparatieopdracht boekje, de reservesleutels en de brandstofpas(sen), aanbieden op een door de leasemaatschappij en/of wagenparkbeheerder te bepalen inleveradres. Het is de bedoeling dat de leaseauto op het eerste verzoek van de werkgever ingeleverd wordt. Indien dit niet gebeurt zijn extra kosten boven op de normale leasekosten van de auto, ten bedrage van € 150 per dag, voor rekening van de medewerker.
3.5
Per 1 januari 2025 is de functie van [partij A] volgens IJssel als gevolg van een reorganisatie komen te vervallen. In dat kader is [partij A] per 1 januari 2025 vrijgesteld van zijn werkzaamheden en [partij A] heeft vanaf die datum geen werkzaamheden meer verricht voor IJssel. IJssel heeft een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV.
3.6
[partij A] heeft zich enige tijd later ziekgemeld. De bedrijfsarts van IJssel heeft vastgesteld dat de eerste ziektedag 20 januari 2025 was.
3.7
Het UWV heeft op 2 april 2025 de aanvraag van IJssel voor een ontslagvergunning afgewezen. Het UWV heeft geoordeeld dat geen redelijke grond voor ontslag bestaat en dat IJssel onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Hierna heeft IJssel de kantonrechter op 28 mei 2025 verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van bedrijfseconomische omstandigheden.
3.8
In een e-mail van 2 oktober 2025 aan [partij A] heeft mevrouw [loopbaancoach] , loopbaancoach (hierna: [loopbaancoach] ), onder meer het volgende geschreven:

Medio september heeft de rechtszaak tussen jou en je werkgever plaatsgevonden. De uitspraak wordt binnenkort verwacht.
In overleg met je werkgever is besloten de gesprekken binnen het re-integratietraject voorlopig op te schorten totdat er duidelijkheid is over de uitspraak. Zodra de uitspraak bekend is, neem ik contact met je op om samen te bekijken hoe we het traject het beste kunnen voortzetten.
3.9
Nadat de rechtbank partijen heeft bericht dat de uitspraak was uitgesteld, heeft IJssel besloten de re-integratie weer op te pakken. Hierop heeft [loopbaancoach] contact gezocht met [partij A] .
3.1
Op 5 november 2025 heeft IJssel aan [partij A] laten weten dat zij loonbetaling aan [partij A] stopzet, vanwege het niet meewerken aan de re-integratie. Bij brief van 25 november 2025 heeft IJssel aan [partij A] bevestigd dat zij een loonstop van twee dagen heeft ingesteld, omdat [partij A] op 7 november 2025 weer contact heeft gezocht met [loopbaancoach] .
3.11
Op 14 november 2025 heeft de kantonrechter het ontbindingsverzoek van IJssel afgewezen, kort gezegd vanwege het opzegverbod tijdens ziekte.
3.12
Op 23 juli 2025 heeft IJssel bij brief aan [partij A] verzocht de leaseauto in te leveren. IJssel heeft hierna in september en oktober 2025 meermaals geprobeerd om de leaseauto terug te krijgen van [partij A] . Op 3 november 2025 heeft [partij A] de leaseauto ingeleverd bij IJssel.
3.13
Bij brief van 5 november 2025 aan [partij A] heeft (de advocaat van) IJssel aanspraak gemaakt op een vergoeding voor het te laat inleveren van de leaseauto. [partij A] is niet tot betaling daarvan overgegaan.

4.Het geschil

in conventie
4.1
IJssel vordert – samengevat – veroordeling van [partij A] tot betaling van € 13.278,82, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
[partij A] voert verweer.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4
[partij A] vordert – kort samengevat – een verklaring voor recht dat door IJssel
ten onrechte loon is verrekend, nabetaling van onrechtmatig ingehouden loon van € 821,18, een verklaring voor recht dat aan [partij A] onrechtmatig te weinig loon heeft betaald, en dat dit een bedrag van € 9.900 bruto per maand had moeten zijn, nabetaling van achterstallig loon van € 60.512 bruto, een verklaring voor recht dat IJssel onrechtmatig een loonsanctie heeft opgelegd, nabetaling van een bedrag van € 1.043,12, de wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor gevorderde bedragen, een verklaring voor recht dat de leaseauto ten onrechte is ingevorderd, een schadevergoeding voor deze invordering en het ter beschikking stellen door IJssel van een vergelijkbare leaseauto, op straffe van een dwangsom.
4.5
IJssel voert verweer.
4.6
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
5.1
Beoordeeld moet worden of [partij A] aan IJssel de vergoeding van € 150,00 per dag is verschuldigd voor het te laat inleveren van de leaseauto. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] de leaseauto te laat heeft ingeleverd. [partij A] heeft aangevoerd dat er sprake is van een boeteding, en dat hij de leaseautoregeling niet heeft ontvangen waardoor niet aan het schriftelijkheidsvereiste voor boetedingen is voldaan. Daarnaast is volgens [partij A] sprake van een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden, waartoe IJssel niet bevoegd was. Verder heeft [partij A] betwist dat IJssel ten aanzien van de leaseauto kosten heeft moeten maken, en dat het in rekening brengen van deze kosten in strijd is met goed werkgeverschap.
5.2
De kantonrechter overweegt als volgt. IJssel heeft op 13 februari 2024 een e-mail naar [partij A] gestuurd, met als bijlage de gebruikersovereenkomst en de leaseautoregeling. In de e-mail is [partij A] verzocht de gebruikersovereenkomst te ondertekenen en retour te sturen, als ook om de leaseautoregeling door te nemen. Wat vaststaat is dat [partij A] de gebruikersovereenkomst heeft ondertekend, waarin hij heeft verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de leaseautoregeling en dat hij daarmee akkoord gaat (zie hiervoor onder punt 3.3.). Dit maakt dat de leaseautoregeling ook zonder ondertekening door [partij A] tussen partijen geldt. Op de zitting heeft IJssel deze e-mail laten zien, waarna door [partij A] is verklaard dat hij denkt dat de bijlagen bij de e-mail zaten. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat [partij A] de leaseautoregeling heeft ontvangen en met de inhoud daarvan bekend is geweest, dan wel daarmee bekend had moeten zijn. Er is daarom geen sprake van een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden, en wat betreft de bepaling in artikel 11.2 voldaan aan het vereiste van schriftelijkheid voor boetebedingen.
5.3
Artikel 7:650 BW Pro regelt de verdere vereisten waaronder een werkgever een boete kan stellen op de overtreding van de voorschriften van de arbeidsovereenkomst. Zo bepaalt lid 3 van dit artikel dat boetes niet ten goede van de werkgever mogen komen, en dat de bestemming van de boetes in de bepaling genoemd moet worden. Een deel van deze vereisten is krachtens lid 6 van semi-dwingend recht: ten aanzien van werknemers wier in geld vastgesteld loon meer bedraagt dan het voor hen geldende minimumloon mag bij schriftelijk aangegane overeenkomst van de bepalingen van de leden 3, 4 en 5 worden afgeweken. Nu aan deze voorwaarde is voldaan ( [partij A] verdient meer dan het voor hem geldende minimumloon), mocht IJssel in de leaseautoregeling van de vereisten van artikel 7:650 leden Pro 3, 4 en 5 BW afwijken.
5.4
De kantonrechter volgt [partij A] niet in zijn standpunt dat het innen van de boete van artikel 11.2 van de leaseregeling in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap, nu hiervoor is geoordeeld dat [partij A] bekend was met de leaseautoregeling, althans daarmee bekend had moeten zijn. Daarnaast komt het verkopen van zijn privéauto voor eigen risico [partij A] , hij wist immers (of had moeten weten) dat de leaseauto onder voorwaarden aan hem in gebruik is gegeven, en dat deze door IJssel in bepaalde situaties teruggevraagd kon worden. Waarom [partij A] een auto (van IJssel) nodig heeft om aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen is door [partij A] niet verder onderbouwd, zodat de kantonrechter aan die stelling voorbij gaat. De kantonrechter gaat ook voorbij aan de stelling van [partij A] dat IJssel onduidelijk is geweest over de hoogte van de vordering. Zoals gezegd wordt [partij A] veronderstelt bekend te zijn geweest met de leaseautoregeling.
5.5
Gelet op het voorgaande is de vordering van € 13.287,82 van IJssel toewijsbaar. [partij A] heeft zelf geen beroep gedaan op matiging. De kantonrechter ziet daar (ambtshalve) geen aanknopingspunten voor. IJssel maakt verder aanspraak op de wettelijke rente “vanaf de dag van opeisbaarheid”, maar heeft niet specifiek gesteld wanneer [partij A] in verzuim is geraakt. Gelet daarop zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
De proceskosten
5.6
[partij A] heeft tot slot nog aangevoerd dat hij bij toewijzing geen proceskosten verschuldigd is aan IJssel, omdat IJssel de vordering die zij in deze procedure heeft ingesteld ook in de ontbindingsprocedure had kunnen instellen. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Het staat partijen in beginsel vrij om in separate procedures vorderingen in te stellen of verzoeken in te dienen. Dat is slechts anders als het ‘stapelen’ van procedures als misbruik van (proces)recht moeten worden aangemerkt. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het verlengde daarvan geldt dat als zonder misbruik van recht sprake is van meerdere procedures, in elk van die procedures de regels omtrent proceskostenveroordelingen dienen te worden gevolgd. Wat vaststaat is dat [partij A] de leaseauto van IJssel te laat heeft ingeleverd, uiteindelijk pas op 4 november 2025. Op dat moment liep de procedure waarin IJssel om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht al. Van misbruik van procesrecht is geen sprake. Er bestaat geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke wijze van verdeling van proceskosten.
5.7
[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van IJssel worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.589,78
in reconventie
Het verrekenen van kosten met loon en de terugbetaling daarvan
5.8
Volgens [partij A] heeft IJssel onterecht de vergoeding voor het te laat inleveren van de leaseauto met zijn loon verrekend. Hiertoe heeft [partij A] aangevoerd dat IJssel alleen schade mag verrekenen bij opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van [partij A] , maar dat daar geen sprake van is omdat IJssel geen schade heeft geleden door het te laat inleveren van de leaseauto.
5.9
De kantonrechter wijst deze vorderingen toe. IJssel heeft namelijk zelf gesteld dat de vergoeding die zij heeft verrekend met het loon van [partij A] schade betreft. Daarvoor geldt op grond van artikel 7:661 BW Pro dat er sprake moet zijn van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer, in dit geval [partij A] . Dit is ook door [partij A] aangevoerd, en daartegen heeft IJssel geen verweer gevoerd. De verwijzing naar artikel 3 van Pro de gebruikersovereenkomst maakt dit niet anders. In dat artikel staat dat [partij A] IJssel machtigt om hetgeen hij aan IJssel op basis van de gebruikersovereenkomst of leaseautoregeling aan IJssel verschuldigd is in te houden op zijn salaris. Na die eerste zin staat “
Dit betreft de bijtelling voor het privégebruik van de auto.” Zonder verdere toelichting van IJssel, die ontbreekt, valt niet in te zien dat deze machtiging ook geldt voor de vergoeding voor het te laat inleveren van de leaseauto.
5.1
Gezien het voorgaande wordt de verklaring voor recht en de vordering tot betaling van € 821,18 toegewezen. De wettelijke verhoging wijst de kantonrechter af. Hiervoor is van belang dat [partij A] de door IJssel ingehouden kosten wel verschuldigd was, zoals hiervoor is geoordeeld, en IJssel alleen in de (verkeerde) veronderstelling verbleef dat zij die kosten met het loon van [partij A] mocht verrekenen.
Te weinig betaald loon
5.11
[partij A] heeft zich op het standpunt gesteld dat IJssel hem ten onrechte te weinig loon heeft betaald, omdat hij door IJssel verkeerd is ingeschaald. Hiertoe heeft [partij A] aangevoerd dat andere operationeel managers bij IJssel een hoger loon krijgen, en dat IJssel in de UWV-procedure over de ontslagvergunning heeft aangevoerd dat de functie van operationeel manager bij IJssel hoger is ingeschaald dan waarin [partij A] is ingeschaald.
5.12
De kantonrechter overweegt als volgt. In de arbeidsovereenkomst staat dat [partij A] in de functie van operationeel manager is aangenomen en dat hij daarbij is ingeschaald in functiegroep M, trede 10 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst
Metaal- en Elektronische Industrie. Dat is wat partijen hebben afgesproken. Dat collega’s van [partij A] , die ook in de functie van operationeel manager werkzaam zijn, een hoger loon krijgen, betekent niet automatisch dat [partij A] dat loon ook zou moeten krijgen. De verwijzing naar wat IJssel in de UWV-procedure heeft aangevoerd is daarvoor in ieder geval onvoldoende. IJssel heeft toegelicht dat die opmerking alleen ter indicatie was, in de context van die procedure, en dat het bedrag van € 9.900,00 slechts een globaal voorbeeld is en geen concrete norm voor de functie van operationeel manager. [partij A] heeft verder als grondslag voor deze vordering aangevoerd dat hij ongelijk is behandeld. Dit heeft [partij A] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Voor dit oordeel is van belang dat door [partij A] in dit kader één collega is genoemd die ook de functie van operationeel manager heeft en die meer verdient dat hijzelf. Maar door IJssel is toegelicht dat die betreffende collega meer ervaring en meer klantkennis heeft dan [partij A] . Verder heeft IJssel aangevoerd dat er verschillende andere collega’s zijn, ook in de functie van operationeel manager, die juist minder verdienen dan [partij A] . Hierop heeft [partij A] zijn vordering niet verder onderbouwd, wat wel op zijn weg lag. Gelet daarop wijst de kantonrechter deze vordering, als onvoldoende onderbouwd, af.
De loonsanctie
5.13
Volgens [partij A] heeft IJssel onterecht een loonsanctie aan hem opgelegd. Hiertoe heeft [partij A] aangevoerd dat hij vanwege zijn boventalligheid is vrijgesteld van werk en dat een loonsanctie daarom disproportioneel en onredelijk is. Verder heeft [partij A] aangevoerd dat IJssel het re-integratietraject onvoorwaardelijk heeft opgeschort, en dat de loonsanctie gelet daarop in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid, goed werkgeverschap en het beginsel van redelijkheid en billijkheid.
5.14
De kantonrechter is van oordeel dat IJssel niet ten onterechte een loonsanctie aan [partij A] heeft opgelegd. Voor dit oordeel is van belang dat de kantonrechter in het bericht waarin IJssel aan [partij A] heeft meegedeeld de re-integratie op te schorten, geen onvoorwaardelijke opschorting leest. In dit bericht staat namelijk dat IJssel de re-integratie “voorlopig” zal opschorten “totdat er duidelijkheid is over de uitspraak”. Tussen partijen is niet in geschil dat deze afspraak is gemaakt in de in de veronderstelling dat de uitspraak op de door de kantonrechter aangegeven datum zou worden uitgesproken. Toen het bericht kwam dat de uitspraak was uitgesteld, heeft IJssel de re-integratie hervat en heeft [loopbaancoach] vervolgens contact gezocht met [partij A] . Naar het oordeel van de kantonrechter kon IJssel gezien de gewijzigde omstandigheden in redelijkheid de re-integratie hervatten. Daar komt het volgende bij. Volgens IJssel heeft [partij A] op de hervatting van de re-integratie gereageerd met dat hij “op dat moment geen gesprekken kon aangaan”. Dit is door [partij A] niet betwist. De kantonrechter is van oordeel dat als [partij A] daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat de re-integratie onvoorwaardelijk was opgeschort totdat er in de ontbindingsprocedure door de rechter uitspraak was gedaan, het voor de hand had gelegen dat [partij A] dit in zijn reactie kenbaar had gemaakt. Maar niet gesteld of gebleken is dat [partij A] op dat moment tegen IJssel heeft gezegd dat hij dacht dat in ieder geval de uitspraak zou worden afgewacht voordat de re-integratie hervat zou worden.
5.15
Het feit dat [partij A] boventallig is verklaard, en is vrijgesteld van werk, maakt niet dat hij niet hoeft mee te werken aan zijn re-integratie. Tussen partijen geldt een arbeidsovereenkomst, en [partij A] is momenteel (deels) arbeidsongeschikt. Dat betekent dat partijen wettelijke verplichtingen hebben ten aanzien van de re-integratie van [partij A] . De loonstop is dan ook niet disproportioneel of onredelijk. Aan deze stelling gaat de kantonrechter voorbij.
5.16
[partij A] heeft verder geen andere uitleg gegeven over de reden waarom hij niet aan zijn re-integratie kon meewerken. Dit betekent dat [partij A] zonder deugdelijke grond zijn medewerking aan het hervatten van de re-integratie heeft geweigerd, zodat IJssel op grond van artikel 7:629 lid 3 sub d BW Pro zijn loon mocht stopzetten. De vorderingen van [partij A] met betrekking tot de loonsanctie wijst de kantonrechter gelet op het voorgaande dan ook af.
Onrechtmatige invordering leaseauto, schadevergoeding en nieuwe leaseauto
5.17
[partij A] maakt aanspraak op een door IJssel ter beschikking te stellen leaseauto, en een schadevergoeding voor onrechtmatige inname van de leaseauto. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor zover [partij A] in dit kader heeft aangevoerd dat hij niet bekend was met de leaseautoregeling en dat de leaseauto een arbeidsvoorwaarde is die IJssel niet eenzijdig mocht wijzigen, verwijst de kantonrechter naar wat hiervoor in conventie daarover is geoordeeld. [partij A] was bekend met de leaseautoregeling en van een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden is geen sprake. Evenmin is het terugvorderen van de leaseauto in strijd met goed werkgeverschap. IJssel heeft aangevoerd dat de leaseauto voorwaardelijk aan werknemers in gebruik wordt gegeven, en dat in de leaseautoregeling duidelijk is opgenomen wanneer dat gebruik eindigt of wordt opgeschort. Aan de leaseautoregeling heeft IJssel enkel uitvoering gegeven, dat kan geen grond opleveren voor compensatie of schadevergoeding. Waarom [partij A] alleen aan zijn re-integratieverplichtingen kan voldoen met een leaseauto van IJssel, is ten slotte door [partij A] onvoldoende onderbouwd, zodat er evenmin sprake is van handelen in strijd met goed werkgeverschap.
5.18
Gelet op het voorgaande worden de vorderingen op dit punt afgewezen.
De proceskosten
5.19
[partij A] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van IJssel worden begroot op € 432,00 (1 punt) aan salaris gemachtigde.

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1
veroordeelt [partij A] om aan IJssel te betalen een bedrag van € 13.278,82, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 2.589,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
6.3
verklaart voor recht dat IJssel onrechtmatig geldbedragen heeft verrekend met het loon van [partij A] in de maand oktober 2025,
6.4
veroordeelt IJssel tot betaling van € 821,18,
6.5
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
6.6
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.7
verklaart dit vonnis met uitzondering van de onder 6.3. en 6.6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. (wv)