ECLI:NL:RBOVE:2026:4526

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1907
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel met aandacht voor verstandelijke beperking

De burgemeester van Enschede besloot de huurwoning van partij A te sluiten voor drie maanden vanwege de vondst van grote hoeveelheden cocaïne, hennep en aan drugshandel gerelateerde attributen in de woning. Partij A maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat hij tijdens de bezwaarprocedure in de woning kon blijven.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat het middel van sluiting geschikt en noodzakelijk was om de drugshandel te beëindigen en herhaling te voorkomen. De omvang van de aangetroffen drugs en de link met een andere woning waar wapens en drugs werden gevonden, rechtvaardigden het besluit.

Echter, de voorzieningenrechter stelde vast dat de burgemeester onvoldoende had onderzocht of de sluiting evenwichtig was, met name in het licht van de matige verstandelijke beperking van partij A en het feit dat hij mogelijk slachtoffer was van misbruik. De burgemeester had de beperking alleen meegewogen als kwetsbaarheid voor gebruik door derden, maar niet in de verwijtbaarheid van partij A.

Gezien deze bijzondere omstandigheden en het ontbreken van overlast of kwetsbare buurt, achtte de voorzieningenrechter het mogelijk dat de sluiting onevenredige gevolgen zou hebben. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan partij A.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst vanwege onvoldoende motivering van de evenredigheid met betrekking tot de verstandelijke beperking van de huurder.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1907
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[partij A], uit [woonplaats] ,
hierna: [partij A] ,
(gemachtigde: mr. V.P.J. Tuma),
en
de burgemeester van Enschede,
hierna: de burgemeester,
(gemachtigde: [gemachtigde]).

1.Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de huurwoning van [partij A] per 16 juli 2026 vanwege drugshandel te sluiten voor een periode van drie maanden. [partij A] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en wil met het verzoek bereiken dat hij gedurende de bezwaarprocedure in zijn woning mag blijven.
1.2.
In deze uitspraak wijst de voorzieningenrechter het verzoek van [partij A] toe. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester onvoldoende is nagegaan en heeft gemotiveerd of de sluiting van de woning evenwichtig is, gelet op de verstandelijke beperking van [partij A] . De toewijzing van het verzoek houdt in dat de woning niet gesloten mag worden tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.

2.Inleiding: feiten en procesverloop

2.1.
Op 10 juni 2026 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen over een woning op het adres [adres] in [woonplaats] . [partij A] huurt deze woning van woningstichting Domijn (hierna: woningstichting).
2.2.
In de bestuurlijke rapportage wordt vermeld dat er bij de politie op 2 juni 2026 een melding is binnengekomen via Meld Misdaad Anoniem. Daarin is aangegeven dat op het adres vuurwapen(s), explosieven en drugs zouden worden opgeslagen. Ook is in de melding een link gelegd met een woning in [plaats] .
2.3.
Verder wordt er in de rapportage onder het kopje ‘info politiesystemen’ vermeld dat uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [partij A] als enige op het adres staat ingeschreven en dat de woning eigendom is van de woningstichting. Daarnaast wordt vermeld dat [partij A] geen antecedenten heeft en dat er geen eerdere politieregistraties zijn die wijzen op soortgelijke zaken of feiten vanuit de woning. Ook is er bij de politie geen overlast gemeld vanuit de woonomgeving.
2.4.
In de rapportage wordt vervolgens beschreven dat er naar aanleiding van de melding op 3 juni 2026 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van [partij A] op grond van de Wet Wapens en Munitie, waarbij [partij A] aanwezig was. Daarbij is in de kast in de keuken een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. [partij A] is daarop aangehouden en heeft vervolgens vrijwillig toestemming gegeven voor verdere doorzoeking van de woning.
2.5.
In de rapportage wordt beschreven dat bij die doorzoeking – kort weergegeven – naast de eerder aangetroffen cocaïne, nog twee zakken cocaïne zijn aangetroffen in het keukenkastje, een weegschaaltje, versnijdingsmiddelen en verpakkingsmateriaal (kleine witte envelopjes met de opdruk ‘El Chapo’). In de slaapkamer en kast in de slaapkamer zijn henneptoppen en hennepgruis aangetroffen. De henneptoppen waren verpakt in grote doorzichtige gripzakken, die weer verpakt waren in ondoorzichtige vuilniszakken. In een kast op het balkon werd ook een doorzichtige grote gripzak met hennepgruis aangetroffen. In een kamer naast de voordeur zijn nog enkele duizenden nieuwe lege envelopjes aangetroffen en daarnaast werden in die kamer, de inloopkast en balkonkast lege zwarte sealbags gevonden die roken naar wiet. Het vermoeden bestaat dat hiermee grote hoeveelheden hennep zijn vervoerd naar het adres.
2.6.
De politie komt na testen tot de volgende resultaten van de aangetroffen drugs:
  • 930 gram cocaïne (blok keukenkast)
  • 310 gram cocaïne (zak keukenkast)
  • 50 gram cocaïne (zak keukenkast)
  • 4810 gram henneptoppen- en gruis (slaapkamer en slaapkamerkast)
2.7.
Ook werd in de woning een geldbedrag van 17.455 euro aangetroffen, waarvan het grootste gedeelte verstopt lag in een tasje in de meterkast en een klein gedeelte (1755 euro) in de broekzak van [partij A] . Daarnaast zijn er nog twee mobiele telefoons aangetroffen. Alle drugs, het geldbedrag en de mobiele telefoons zijn in beslag genomen.
2.8.
Verder wordt in de rapportage vermeld dat de politie gelijktijdig een instap in de woning in [plaats] heeft gedaan en dat daar onder andere een vuurwapen, munitie, verdovende middelen en een geldbedrag is aangetroffen. In de rapportage wordt daarover vermeld dat er mogelijk een verband is tussen beide adressen, omdat beide adressen in één melding zijn genoemd.
2.9.
Naar aanleiding van deze rapportage heeft de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet en overeenkomstig de Beleidsregel Damoclesbeleid [woonplaats] 2025 (hierna: Damoclesbeleid) besloten om de woning die [partij A] huurt van de woningstichting te sluiten voor een periode van drie maanden. Met het besluit van 7 juli 2026 heeft de burgemeester bepaald dat de sluiting ingaat op 16 juli 2026 en geldt tot en met 16 oktober 2026.
2.10.
[partij A] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Omdat hij per 16 juli 2026 de woning moet verlaten heeft hij op 9 juli 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.11.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [partij A] , bijgestaan door [naam] , de gemachtigde van [partij A] en de gemachtigde van de burgemeester.

3.Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [partij A] een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter. De burgemeester heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
Is het optreden van de burgemeester evenredig?
3.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten. Alleen ter discussie staat de vraag of het optreden van de burgemeester in dit geval evenredig is. De voorzieningenrechter maakt bij de beoordeling daarvan gebruik van de uitgangspunten zoals die volgen uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025. [1] Kort gezegd bestaat de evenredigheidsbeoordeling uit een beoordeling van de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit. De voorzieningenrechter zal deze hieronder bespreken.
Geschiktheid
3.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat het middel van sluiting in het algemeen geschikt is om de doelen van de burgemeester te bereiken. Met de sluiting van de woning wordt de overtreding van de Opiumwet beëindigd, evenals de negatieve gevolgen en wordt herhaling voorkomen.
Noodzaak
3.5.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat de burgemeester voldoende heeft onderbouwd dat hij niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting van de woning voor een periode van drie maanden kan volstaan. Weliswaar zijn er vanuit de omgeving geen meldingen van toeloop of overlast, maar er is in dit geval een ruime handelshoeveelheid cocaïne en hennep aangetroffen in de woning van [partij A] , met daarnaast attributen die relateren aan drugshandel, zoals een weegschaaltje, versnijdingsmiddelen, verpakkingsmateriaal en een grote hoeveelheid contant geld. Daarmee mag worden aangenomen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. [2] De burgemeester heeft er daarbij op kunnen wijzen dat dergelijke hoeveelheden harddrugs een aanzienlijke straatwaarde vertegenwoordigen en dat dit aanleiding kan geven tot drugsgerelateerde criminaliteit, wat een risico is voor de openbare orde en veiligheid in de directe omgeving. Daar komt bij dat in de bestuurlijke rapportage een link wordt gelegd met een woning in [plaats] , waarbij onder andere een vuurwapen, munitie, verdovende middelen en een geldbedrag zijn aangetroffen en waarvan de politie vermoedt dat er een verband bestaat met de woning van [partij A] . De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de burgemeester op basis van de informatie uit de bestuurlijke rapportage heeft kunnen stellen dat het aannemelijk is dat de woning van [partij A] niet op zichzelf staat en niet los kan worden gezien van een bredere drugscontext en dat dit een verhoogd veiligheidsrisico voor de omgeving met zich meebrengt. Daarnaast neemt de voorzieningenrechter in haar overweging het korte tijdsbestek mee waarbinnen de burgemeester heeft gehandeld.
Evenwichtig
3.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich er onvoldoende van vergewist dat de sluiting in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. De burgemeester dient in het kader daarvan namelijk onder meer te beoordelen in hoeverre het [partij A] kan worden verweten dat hij zelf het risico op de ingrijpende gevolgen van zijn handelen (of nalaten) heeft genomen. Over [partij A] is medische informatie overgelegd, waaruit volgt dat de resultaten van het testonderzoek in combinatie met de anamnestische en hetero-anamnestische informatie wijzen op een matige verstandelijke beperking. Ook is in het medische rapport beschreven dat in het verleden meermaals misbruik van [partij A] is gemaakt
zonder dat hij zich hier bewust van is geweest(onderstreping rechtbank). Hoewel de voorzieningenrechter de burgemeester erin volgt dat het in het algemeen niet aannemelijk zou zijn dat [partij A] niet wist van de drugs in zijn woning, gelet op de aanwezige attributen en de vindplaatsen van de drugs, stelt zij vast dat de burgemeester in zijn besluit in het kader van de verwijtbaarheid niet heeft betrokken of [partij A] dit gezien zijn beperking ook kon en moest begrijpen. De burgemeester heeft de beperking van [partij A] enkel meegewogen in de zin dat de beperking de woning kwetsbaar heeft gemaakt voor gebruik door anderen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter had het op weg van de burgemeester gelegen om ook te onderzoeken en in het besluit te motiveren in hoeverre de beperking van [partij A] in het kader van de verwijtbaarheid meeweegt.
3.7.
Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de sluiting van de woning voor drie maanden onevenredige gevolgen heeft. In deze situatie ziet de voorzieningenrechter daarom aanleiding het verzoek toe te wijzen en het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter houdt daarbij ook in ogenschouw dat niet is gebleken van loop naar de woning of overlast, dat de woning niet in een voor drugscriminaliteit kwetsbare buurt ligt, de sloten inmiddels zijn vervangen door de woningstichting en dat de buurvrouw heeft aangegeven dat zij opnieuw de benodigde zorg voor [partij A] zal regelen. De voorzieningenrechter acht daarmee de kans op herhaling vooralsnog klein.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 7 juli 2026 is geschorst tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
4.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan [partij A] vergoeden. Daarnaast krijgt [partij A] ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [partij A] een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 7 juli 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan [partij A] moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [partij A] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, rechtsoverweging 4.1.2.