ECLI:NL:RBOVE:2026:4525
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel op 23 juli 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van partij A tegen de directie van het CBR.
De kern van het geschil betrof de niet-betaling van het griffierecht van € 200,-, dat vereist is voor de behandeling van het verzoek. De griffier had partij A bij aangetekende brief van 7 juli 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Deze brief is op 9 juli 2026 door partij A in ontvangst genomen.
Partij A heeft het griffierecht echter niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft ook geen verontschuldiging voor dit verzuim gegeven. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de voorzieningenrechter het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk en legt geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.