ECLI:NL:RBOVE:2026:4520

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_2404
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Besluit omgevingsrechtArt. 4.1 bestemmingsplan Parapluherziening parkerenArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor vijftien appartementen in Almelo

Deze uitspraak betreft het beroep van een omwonende tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Almelo verleende omgevingsvergunning aan SkyPoint Almelo B.V. voor de bouw van vijftien appartementen op twee locaties in het centrum van Almelo.

De eiser betoogde onder meer dat de vergunning onzorgvuldig is verleend, onvoldoende is gemotiveerd, dat er een tekort aan parkeerplaatsen ontstaat, dat het bouwplan te hoog is, dat er onvoldoende archeologisch onderzoek is gedaan, dat de procedure niet correct is gevolgd, en dat het bouwplan gevaar oplevert voor de omgeving. Ook stelde hij dat de stikstofeffecten onvoldoende zijn onderzocht.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft afgeweken van de maximale bouwhoogte en dat de parkeersituatie adequaat is onderbouwd met een parkeernotitie en een beleidsregel. De overige bezwaren, zoals de hoogte, archeologie, bouwveiligheid, procedure en stikstof, zijn onvoldoende onderbouwd of niet relevant. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor vijftien appartementen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2404

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser ( [eiser] ),

en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, verweerder (het college).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
SkyPoint Almelo B.V.uit Bennekom, vergunninghouder (SkyPoint),
gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die het college aan SkyPoint heeft verleend voor het realiseren van in totaal vijftien appartementen op twee locaties in het centrum van Almelo. [eiser] woont naast de locaties waar de appartementen zijn beoogd. Hij is het niet eens met de vergunningverlening en voert daartegen meerdere beroepsgronden aan. [eiser] krijgt geen gelijk. Uit wat hij aanvoert blijkt niet dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend of dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 24 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan Skypoint een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van acht appartementen aan [perceel 1] en zeven appartementen aan [perceel 2] . Hiertegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt.
2.2
Bij besluit van 25 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten en tevens aangevuld.
2.3
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5
SkyPoint heeft op het beroep gereageerd.
2.6
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. [eiser] is, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Namens het college hebben mr. E. Groothalle en [naam 1] aan de zitting deelgenomen. Namens SkyPoint waren [naam 2] en
[naam 3] aanwezig, bijgestaan door mr. drs. C.J. Tijman, kantoorgenoot van de gemachtigde van SkyPoint.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
3.1
SkyPoint wil acht appartementen realiseren op het perceel aan [perceel 1] en zeven appartementen op het perceel aan [perceel 2] (hierna: de percelen). Op 27 december 2023 heeft zij daarvoor bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Deze aanvraag heeft SkyPoint daarna met nadere stukken aangevuld.
3.2
In het primaire besluit heeft het college aan SkyPoint een omgevingsvergunning verleend voor het aangevraagde bouwplan. Deze vergunning is verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)).
De omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan is verleend vanwege de hoogte van het bouwplan. Volgens de bestemming ‘Centrum - 2’, die volgens het bestemmingsplan ‘Centrum’ voor de percelen geldt, is ter plaatse namelijk een maximale bouwhoogte van 10 meter toegestaan, terwijl het bouwplan een maximale hoogte heeft van 12,49 meter. Omdat op dit punt afwijking van het bestemmingsplan volgens het college ruimtelijk aanvaardbaar is, heeft het college op grond van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo verleend. In de vergunning zijn meerdere voorschriften opgenomen.
Het bestreden besluit
4. Op 12 juni 2025 heeft de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Almelo advies uitgebracht over het bezwaar van [eiser] . Mede naar aanleiding van dit advies heeft het college in het bestreden besluit nader gemotiveerd waarom in dit geval kan worden afgeweken van de planregel die voorschrijft dat gebouwen maximaal 10 meter hoog mogen zijn. Daarnaast heeft het college in het bestreden besluit het primaire besluit aangevuld door te bepalen dat op grond van artikel 4.3 van de regels van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren’, dat ook van toepassing is op de percelen, wordt afgeweken van artikel 4.1, onder a, van die planregels. Uit dat artikelonderdeel volgt namelijk dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als wordt aangetoond dat, kort weergegeven, op eigen terrein in voldoende mate in parkeerruimte wordt voorzien. Volgens het college blijkt uit de door SkyPoint overgelegde parkeernotitie van [bedrijf] van 16 juli 2025 (hierna: de parkeernotitie) dat het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen op de percelen niet mogelijk en wenselijk is maar dat op een acceptabele loopafstand van de appartementen in die parkeerbehoefte kan worden voorzien. Op basis van de parkeernotitie en met inachtneming van de ‘Beleidsregel parkeernormen Almelo 2025’ (hierna: de Beleidsregel) heeft het college in het bestreden besluit geconcludeerd dat kan worden afgeweken van het vereiste dat op eigen terrein in de benodigde parkeerruimte moet worden voorzien. In verband hiermee heeft het college in het bestreden besluit een extra voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden, dat inhoudt dat SkyPoint verplicht is om ervoor te zorgen dat er minimaal negen parkeerplaatsen beschikbaar zijn en blijven voor de toekomstige bewoners van de appartementen.
De beroepsgronden van [eiser]
5. [eiser] woont naast de percelen. Hij is van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Ter onderbouwing hiervan voert hij aan dat in de omgeving van zijn woning een groot tekort aan parkeerplaatsen is. Dat tekort en de parkeerdruk zullen door de verleende omgevings-vergunning alleen maar toenemen en onaanvaardbaar hoog worden. Daardoor wordt zijn woon- en leefklimaat teveel aangetast. Volgens [eiser] zijn voor de vergunde appartementen circa 25 parkeerplaatsen nodig en die zijn binnen 400 meter van de appartementen niet te vinden. Onduidelijk is dan ook waar de nieuwe bewoners hun auto’s moeten parkeren. Ook is de cumulatieve parkeerbehoefte onvoldoende onderzocht. [eiser] voert daarnaast aan dat de vergunningaanvraag onvoldoende informatie bevat en niet compleet is. Verder zijn de te realiseren appartementen te hoog en ontbreekt een onderzoek naar historische en archeologische waarden. Ook lijkt de procedure verkeerd te zijn doorlopen omdat er geen echte inspraak was. [eiser] stelt verder dat het bouwplan gevaar voor de omgeving oplevert (gevaar voor instorting van naastgelegen panden en misschien ook brandgevaar en gevaar als gevolg van asbest). Daarbij is volgens [eiser] van belang dat hem is gebleken dat op de percelen is gesloopt zonder goedgekeurd veiligheidsplan. Mogelijk zijn de sterkteberekeningen dan ook niet goed. Verder is de oude parkeergarage volgens [eiser] niet veilig. Ten slotte stelt hij dat de gevolgen van het bouwplan qua stikstof onvoldoende zijn onderzocht en dat ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt.
Beoordeling van het beroep
Wabo blijft van toepassing
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. In dit geval is de aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat in deze zaak het recht van toepassing blijft zoals dat gold tot 1 januari 2024.
Parkeren
7.1
Uit wat [eiser] in beroep aanvoert maakt de rechtbank op dat het hem met name gaat om de door hem verwachte toename van de parkeerdruk in zijn woonomgeving als gevolg van het vergunde bouwplan. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
7.2
In de parkeernotitie heeft [bedrijf] op basis van de Beleidsregel en de parkeercijfers van het CROW geconcludeerd dat de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het vergunde bouwplan op het maatgevende moment (de werkdag - nacht) negen parkeerplaatsen bedraagt. Ook heeft [bedrijf] in de parkeernotitie gemotiveerd waarom het realiseren van deze extra parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk en ook niet wenselijk is. Ten slotte heeft [bedrijf] gemotiveerd dat en waarom op andere wijze kan worden voorzien in de benodigde parkeerplaatsen. In de parkeergarage ‘Stadsbaken’ kunnen namelijk via het verstrekken van abonnementen negen parkeerplaatsen beschikbaar worden gesteld. De afstand van de appartementen tot deze parkeergarage bedraagt circa 165 meter. Dat is volgens [bedrijf] een acceptabele loopafstand tussen de appartementen en de parkeerplaatsen, met name omdat de appartementen in het centrum van Almelo worden gerealiseerd.
7.3
In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat in de Beleidsregel is aangegeven in welke gevallen kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat op eigen terrein moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om te voldoen aan de parkeerbehoefte. Dat kan onder meer als het parkeren op eigen terrein niet mogelijk of wenselijk is. Als kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat op eigen terrein in de toename van de parkeerbehoefte moet worden voorzien, moet de initiatiefnemer van het plan aantonen dat de mobiliteitsbehoefte anders wordt ingevuld of dat sprake is van structurele restcapaciteit op acceptabele loopafstand in de openbare ruimte. Op basis van de parkeernotitie van [bedrijf] heeft het college geconcludeerd dat door het verbinden van het aanvullende parkeervoorschrift aan de omgevingsvergunning voldoende is geborgd dat in dit geval op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien. Daardoor worden de parkeersituatie en het woon- en leefklimaat in de directe leefomgeving niet onevenredig aangetast en kan worden afgeweken van de eis in artikel 4.1 van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren’, aldus het college.
7.4
De rechtbank ziet in wat [eiser] in beroep aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op het onderdeel parkeren onjuist of onvoldoende gemotiveerd is. [eiser] heeft de bevindingen en conclusies in de parkeernotitie van [bedrijf] niet concreet bestreden. Hij stelt alleen dat als gevolg van de appartementen circa 25 parkeerplaatsen nodig zijn en dat die binnen 400 meter van de appartementen niet zijn te vinden. Die stellingen heeft [eiser] echter niet onderbouwd. Daarmee heeft hij dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de parkeernotitie onjuist is of dat het college die niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon leggen. Wat [eiser] aanvoert over het onderdeel parkeren slaagt daarom niet.
Overige beroepsgronden
8. Ook de overige beroepsgronden van [eiser] slagen niet. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
9. In hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht staat welke gegevens en bescheiden een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit bij de aanvraag moet verstrekken. De rechtbank is niet gebleken dat in dit geval SkyPoint niet de vereiste gegevens en bescheiden heeft verstrekt. Ook is niet gebleken dat het college onvoldoende informatie had om op de aanvraag van SkyPoint te kunnen beslissen. [eiser] heeft niet concreet benoemd welke informatie ontbrak of waarom de aanvraag niet compleet was. Deze beroepsgrond leidt dan ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
10. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom de hoogte van het bouwplan in planologisch opzicht aanvaardbaar is en waarom kan worden afgeweken van het voorschrift dat gebouwen maximaal 10 meter hoog mogen zijn. Hier heeft [eiser] uitsluitend zijn mening dat het bouwplan te hoog is tegenover gesteld. Dit ongemotiveerde standpunt leidt niet tot het oordeel dat de motivering van het college onvoldoende is of niet kan worden gevolgd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Ook de enkele stelling dat een onderzoek naar historische en archeologische waarden ontbreekt slaagt niet. In de omgevingsvergunning is bepaald dat de bovengrondse sloop zonder archeologisch onderzoek kan plaatsvinden. Daarna moet archeologisch onderzoek plaatsvinden in de vorm van proefsleuven om vast te stellen of er resten in de ondergrond bewaard zijn op de locatie en, als dat zo is, wat het karakter daarvan is. Aan deze voorschriften ligt onder meer een advies van 25 september 2024 van de regio-archeoloog van Het Oversticht ten grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderdeel archeologie hiermee voldoende geregeld in de omgevingsvergunning. Wat [eiser] hierover stelt leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
12. De rechtbank stelt verder vast dat het college het aangevraagde bouwplan onder meer heeft getoetst aan de regels van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening van de gemeente Almelo. Het college heeft geconcludeerd dat het bouwplan aan die regels voldoet. Daaraan ligt onder meer een positief advies van Brandweer Twente van 16 oktober 2024 ten grondslag. Brandweer Twente heeft aangegeven dat er vanuit brandveiligheidsoogpunt geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. In de voorschriften van de omgevingsvergunning is onder meer opgenomen dat een veiligheidsplan moet worden opgesteld waaruit volgt dat onveilige situaties worden voorkomen en dat hinder tijdens de bouw wordt beperkt. Pas na goedkeuring van dat veiligheidsplan mag worden gestart met de inrichting van het bouwterrein. Ook moet SkyPoint, voordat met de bouw wordt begonnen, gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties ter goedkeuring indienen. [eiser] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat het bouwplan niet voldoet aan één of meerdere regels van het Bouwbesluit 2012 of de Bouwverordening van de gemeente Almelo. De enkele stelling dat het bouwplan gevaar voor de omgeving oplevert is hiertoe onvoldoende en slaagt dan ook niet.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college bij de voorbereiding van het primaire besluit terecht de reguliere voorbereidingsprocedure uit paragraaf 3.2 van de Wabo toegepast. De enkele stelling dat de verkeerde procedure is gevolgd, slaagt dan ook niet..
14. Wat [eiser] stelt over stikstof kan alleen al op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. [eiser] beroept zich hierbij namelijk op normen uit de Wet natuurbescherming (Wnb), die strekken tot bescherming van het behoud van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. De belangen waarvoor [eiser] in deze zaak opkomt zijn gelegen in het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving. Natura 2000-gebieden zijn echter geen onderdeel van de leefomgeving van [eiser] . Daarvoor liggen die gebieden te ver van zijn
woning. Het belang van [eiser] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving is daarom niet zo verweven met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen dat kan worden geoordeeld dat de normen van de Wnb in dit geval mede strekken tot bescherming van de belangen van [eiser] . Daarom staat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb op dit punt in de weg aan gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank gaat daarom niet meer inhoudelijk op deze beroepsgrond in.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.