ECLI:NL:RBOVE:2026:4432

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/08/340735 / FA RK 25-2849
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en aanhouding zorgregeling in afwachting hulpverleningstraject

De rechtbank Overijssel behandelde een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie en zorgregeling tussen de ouders van twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht om verhoging van de kinderalimentatie, terwijl de vader een lagere bijdrage en wijziging van de zorgregeling voorstelde.

De rechtbank hield de beslissing over de zorgregeling aan tot november 2026, omdat een hulpverleningstraject via de gemeente Dalfsen was gestart om het contact tussen vader en kinderen te herstellen. De vader wil dit contact zorgvuldig opbouwen met ondersteuning van hulpverleners.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden, omdat de vader sinds de zomer van 2025 geen zorg meer draagt voor de kinderen, ondanks eerdere afspraken. De kinderalimentatie werd daarom verhoogd naar €337 per kind per maand vanaf 6 november 2025, met een indexering naar €353 vanaf 1 januari 2026.

De draagkracht van beide ouders werd berekend aan de hand van recente salarisspecificaties en de Expertgroep Alimentatie-formule. De zorgkorting werd voorlopig vastgesteld op 15%, maar vanwege het tekort aan draagkracht werd deze gedeeltelijk toegepast. De alimentatie moet vooruitbetaald worden. Het verzoek van de vader om een lagere vaste bijdrage en wijziging van de zorgregeling werd afgewezen.

De rechtbank gaf de gemeente opdracht om uiterlijk 18 november 2026 een eindrapportage over het hulpverleningstraject te sturen, waarna de ouders en de Raad voor de Kinderbescherming kunnen reageren en eventueel vervolgonderzoek kan plaatsvinden.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie naar €337 per kind per maand vanaf 6 november 2025 en houdt de zorgregeling aan tot november 2026 in afwachting van een hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/340735 / FA RK 25-2849
beschikking van 8 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
verder te noemen: de moeder of de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. H.E. Versteeg,
en
[de man],
verder te noemen: de vader of de man,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.E. Beeker.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft op 18 mei 2026 de beslissing met betrekking tot de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden.
1.2
De rechtbank heeft daarna op 25 juni 2026 de brieven, met bijlagen, van mr. Beeker en
mr. Versteeg ontvangen.
1.3
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten
deuren op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat:
  • [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.De feiten

2.1
De man en de vrouw zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2
Zij hebben samen de volgende minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2021,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2022.
2.3
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4
Deze rechtbank heeft bij echtscheidingsbeschikking van 25 april 2024 beslist
dat de getroffen onderlinge regelingen in het convenant en ouderschapsplan worden
opgenomen in de beschikking.
2.5
In het ouderschapsplan van 17 april 2024 is onder andere afgesproken dat:
  • de kinderen een weekend per twee weken bij de vader verblijven;
  • de behoefte van de kinderen € 1.084,- per maand is in 2024;
  • de man vanaf 1 juni 2024 € 13,- per kind per maand betaalt als kinderalimentatie.
2.6
Halverwege 2025 hebben de man en de vrouw afgesproken dat de man € 100,- per kind per maand zal betalen aan de vrouw als kinderalimentatie.

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 25 april 2024 te wijzigen en te bepalen
dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van de kinderen dient te voldoen
van primair € 397,00 per kind per maand, althans een bijdrage van € 274,00 per kind
per maand, primair met ingang van 1 juli 2025, subsidiair met ingang van de datum
van indiening van dit verzoekschrift, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.Het verweer met een zelfstandig verzoek

4.1
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,
primair:
I. de verzoeken van de vrouw af te wijzen;
subsidiair:
II. te bepalen dat de man een bedrag ad. € 211,- per kind per maand dient te
voldoen in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], dan
wel het bedrag dat uw rechtbank in goede justitie meent te bepalen, vanaf de
datum van uw beschikking, dan wel vanaf de datum van indiening van het
verzoekschrift van de vrouw (derhalve vanaf 6 november 2025), dan wel vanaf
de datum die uw rechtbank in goede justitie meent te behoren.
Bij zelfstandig verzoek:
III. te verklaren voor recht dat de man een bedrag ad. € 100,- per kind per maand
dient te voldoen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen, nu
partijen dit reeds met elkaar zijn overeengekomen in de zomer van 2025;
IV. te bepalen dat de in het ouderschapsplan vastgestelde zorgregeling wordt
gewijzigd in die zin dat de man een vaste dag per week de zorg krijgt voor de
kinderen. Dit zou op termijn kunnen worden uitgebreid naar een dag en een
nacht per week. Daarbij kan de vakantieregeling zoals bij ouderschapsplan is
overeengekomen (in beginsel) in stand blijven.

5.Het verweer op het zelfstandig verzoek

5.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om de zelfstandige verzoeken van de man af te
wijzen.

6.De beoordeling

Zorgregeling
6.1
De rechtbank zal iedere beslissing over de zorgregeling aanhouden en legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
6.2
In de tussenbeschikking van 18 mei 2026 heeft de rechtbank de ouders via de gemeentelijke toegang verwezen naar de gemeente Dalfsen voor een hulpverleningstraject. Het traject Ouderschap Na Scheiden is gestart. De moeder heeft haar eerste gesprek gehad en de vader zal na de zomervakantie het eerste gesprek hebben. De rechtbank zal in afwachting van het verdere verloop van het hulpverleningstraject de beslissing over de zorgregeling aanhouden tot in november 2026, zoals ook al is aangegeven in de tussenbeschikking en hieronder voor de volledigheid wordt herhaald. De rechtbank zal de raad nog in de gelegenheid stellen om, als het traject niet positief is verlopen, te beoordelen of onderzoek nodig is.
6.3
De vader heeft aangegeven dat hij met ondersteuning van de hulpverleners het contact tussen hem en de kinderen wil herstellen. Juist omdat het contact al geruime tijd niet heeft plaatsgevonden, wil hij dat dit zo zorgvuldig mogelijk gebeurt. De rechtbank zal daarom geen tijdelijke zorgregeling vaststellen. De ouders zullen met behulp van de hulpverleners een plan maken voor het contactherstel en voor de andere doelen die in de tussenbeschikking staan genoemd.
Kinderalimentatie
6.4
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 337,- per kind per
maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 6 november 2026 en
€ 353,- vanaf 1 januari 2026. Het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat de man € 100,- per kind per maand moet betalen, zal worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De reden voor de wijziging
6.5
Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een wijziging van omstandigheden.
6.6
De vrouw stelt zich in eerste instantie op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat zowel het inkomen van de man als de vrouw sinds de kinderalimentatie die in het ouderschapsplan van 17 april 2024 is afgesproken, is gewijzigd. Daarnaast wordt de afgesproken zorgregeling niet nagekomen door de man. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat er sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De man betwist het standpunt van de vrouw. Hij stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Partijen hebben in de zomer van 2025 afgesproken dat de man € 100,- per kind per maand zou betalen. Sindsdien hebben er geen ingrijpende wijziging van omstandigheden voorgedaan.
6.7
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [1] De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een wijziging van omstandigheden. Partijen hebben in de zomer van 2025 afgesproken dat de man € 100,- per kind per maand aan de vrouw zou gaan betalen als kinderalimentatie in plaats van € 13,- per kind per maand. Het maakt niet uit dat deze afspraak niet aan de rechter is voorgelegd of niet op een andere wijze is vastgelegd. Een mondelinge overeenkomst is namelijk ook een overeenkomst en partijen hebben allebei bevestigd dat zij € 100,- per kind per maand hebben afgesproken als kinderalimentatie. Die afspraak geldt tussen partijen. De vraag die beantwoord moet worden is of er sindsdien een ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de kinderalimentatie van € 100,- per kind per maand is afgesproken onder de voorwaarde dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen weer zou worden hervat. Na een aantal contactmomenten tussen de man en de kinderen, is het contact weer gestrand. De man draagt sindsdien geen zorg voor de kinderen en maakt dus ook een zorgkosten. Dit maakt dat er sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal hierna de kinderalimentatie opnieuw berekenen. Dit betekent ook dat het verzoek van de man met betrekking tot zijn verklaring voor recht, zal worden afgewezen.
De ingangsdatum
6.8
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden. [2] De rechtbank vindt dat de nieuwe kinderalimentatie vanaf 6 november 2025 (datum verzoekschrift) moet betalen, omdat deze datum de rechtbank het meest redelijk voorkomt.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
6.9
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is in het ouderschapsplan vastgesteld op € 1.084,- per maand in 2024. Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag geïndexeerd moet worden naar 2026, zodat de behoefte € 1.208,- per maand bedraagt. De rechtbank stelt vast dat dit
€ 604,- per kind per maand is.
De draagkracht van beide ouders
6.1
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
6.11
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 767,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.12
Tussen partijen is in geschil met welk inkomen gerekend moet worden voor de man. De man stelt zich namelijk op het standpunt dat gerekend moet worden met een fictief inkomen van € 3.114,- bruto per vier weken in plaats van zijn huidige inkomen van afgerond € 3.239,- bruto per vier weken en het inkomen uit overwerk. De vrouw stelt zich op het standpunt dat gerekend moet worden met het jaarinkomen van de man in 2025 van
€ 59.236,- en dus afgerond € 4.936,- per maand.
6.13
De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van het door de man gestelde fictieve salaris. De rechtbank begrijpt dat de man in verband met zijn gezondheidsklachten minder wil gaan (over)werken. De vrouw erkent ook dat de man gezondheidsklachten heeft. Dat de man ook daadwerkelijk minder moet gaan werken in verband met zijn gezondheidsklachten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Het advies van de huisarts is hiervoor niet voldoende. Daarin weegt de rechtbank ook mee dat de man zelf heeft aangegeven dat hij de overuren moet blijven maken om zijn huidige kosten te kunnen blijven betalen en dat hij ook vanwege het personeelstekort genoodzaakt is om structureel over te werken. De rechtbank is van oordeel dat het een te onzekere, toekomstige gebeurtenis is dat de man zijn werkweek feitelijk zal terugbrengen naar een 40-urige werkweek. Feit is dat de man nog steeds structureel overwerkt. De rechtbank is van oordeel dat hier daarom ook van uitgegaan moet worden. De rechtbank ziet daarnaast, anders dan de vrouw, geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke werkwijze waarin aan de hand van de drie meest recente salarisspecificaties het inkomen wordt vastgesteld.
6.14
Dit betekent dat voor het bepalen van de draagkracht van de man de rechtbank uitgaat van de door de man overgelegde salarisspecificaties 2026-1 tot en met 3 (productie 3 van de man). Hieruit volgt dat de man op basis van een 40-urige werkweek een brutosalaris heeft van afgerond € 3.239,- per 4 weken. De rechtbank heeft berekend dat het gemiddelde inkomen uit overwerk € 999,- per 4 weken bedraagt. Voor de nachturentoeslag en de ‘toeslag uitbetalen’ zal de rechtbank rekening houden met een gemiddelde van € 15,- en € 74,- per 4 weken. De rechtbank heeft berekend dat dit voor de man € 3.437,- netto per maand is.
6.15
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
6.16
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.437=) € 1.031,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.310,- per maand.
6.17
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (3437 -/- 1.031 -/- 1.310 =) € 1.096,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 767,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
6.18
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 263,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
6.19
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Voor dat inkomen gaat de rechtbank uit van de betaalspecificaties van januari en februari 2026, waarin een inkomen van afgerond € 2.095,- bruto per maand staat genoemd. De rechtbank heeft berekend dat dit € 2.409,- netto per maand is.
6.2
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
6.21
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 2.409 =) € 723,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.310,- per maand.
6.22
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (2.409 -/- 723 -/- 1.310 =) € 376,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 263,- per maand.
De verdeling van de kosten
6.23
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
6.24
Zo’n vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Hun gezamenlijke draagkracht is € 1.030,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.208,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 178,- per maand tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken.
Zorgkorting
6.25
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
6.26
Tussen partijen is in geschil de hoogte van de zorgkorting. Volgens de vrouw moet uitgegaan worden van geen zorgkorting en volgens de man 15%.
6.27
De rechtbank zal de zorgkorting vaststellen op 15% en de kinderalimentatie op dit punt als een voorlopige bijdrage vaststellen. De ouders hebben afgesproken om samen een hulpverleningstraject aan te gaan via de gemeente om (onder andere) het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen. Het verzoek van de vader over de zorgregeling sluit aan bij een zorgkorting van 15%. Hoewel dat op dit moment feitelijk niet wordt uitgevoerd, is het wel de bedoeling dat hier naartoe wordt gewerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat aangesloten moet worden bij een zorgkorting van 15%. Aan de andere kant ziet de rechtbank ook dat de vader de zorgregeling in het verleden meerdere keren niet is nagekomen. Voor de kinderen is het belangrijk dat er een structureel en consistent contact. Dit betekent dat de vader het contact met de kinderen, nadat het is hersteld, niet meer mag verbreken. Om dat te stimuleren zal de rechtbank de kinderalimentatie als voorlopige bijdrage vaststellen. Voor nu gaat de rechtbank dus uit van 15%, maar de rechtbank kan dit dus nog wijzigen.
6.28
Omdat er hier een tekort aan draagkracht is, wordt de zorgkorting niet volledig toegepast. Als de man namelijk alle kosten die hij maakt voor de kinderen in mindering mag brengen op de alimentatie, dan komt het hele tekort aan draagkracht op de schouders van de vrouw te rusten. De rechtbank vindt het in zo’n geval redelijk dat ieder de helft van het tekort draagt, dus een bedrag van € 89,- per maand. Dit betekent dat de man van de zorgkorting maar een bedrag van (182 -/- 89 =) € 93,- per maand in mindering mag brengen op zijn draagkracht. Er blijft dan een bedrag van (767 -/- 93 =) € 674,- per maand over dat aan kinderalimentatie moet betalen per 6 november 2025. Dit is € 337,- per kind per maand.
Indexering
6.8.
Op grond van artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek wordt (kinder)alimentatie jaarlijks
van rechtswege per 1 januari geïndexeerd, maar omdat deze beschikking na 1 januari 2026 wordt uitgesproken zou deze indexering pas voor het eerst per 1 januari 2027 plaatsvinden. Daardoor blijft de kinderalimentatie niet in de pas met de ontwikkeling van het loon- en prijspeil. Daarom past de rechtbank de kinderalimentatie ambtshalve aan en bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2026 afgerond € 353,- per kind per maand bedraagt.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
6.29
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was
vastgelegd in het ouderschapsplan van 17 april 2024 en de beschikking van 25 april 2024 en bepaalt dat deze kinderalimentatie
voorlopig:
  • vanaf 6 november 2025
  • vanaf 1 januari 2026
7.2
beslist dat de man deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet
betalen;
7.3
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
wijst af het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat hij € 100,- per kind per maand moet betalen;
7.5
houdt iedere (verdere) beslissing over de zorgregeling en de kinderalimentatie aan;
7.6
verzoekt de gemeente uiterlijk
18 november 2026of zoveel eerder als mogelijk, de
eindrapportage over het verloop van het hulpverleningstraject aan de rechtbank en de raad
toe te sturen;
7.7
stelt de ouders in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van de
eindrapportage te reageren en te laten weten hoe zij willen dat het verder gaat in deze
procedure;
7.8
verzoekt de raad, als het traject niet positief is verlopen, te beoordelen of onderzoek nodig is en de rechtbank daarover
binnen twee wekenna ontvangst van de eindrapportage te informeren, en, indien dat het geval is, een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling en daarover bij de rechtbank een rapport in te dienen op een nader te bepalen datum.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.F. Smeele, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlagen:
  • draagkrachtberekening
  • berekening en verdeling kosten van de kinderen
[Afbeeldingen]

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek
2.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek