ECLI:NL:RBOVE:2026:4417

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
11522008 \ CV EXPL 25-174
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArtikel 16.3 Algemene BepalingenArtikel 17 Algemene Bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst en hoofdelijke aansprakelijkheid vennoten na betalingsachterstand

LPFS B.V. heeft de vennoten van Uniek Express, een vennootschap onder firma, gedagvaard wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen uit een leaseovereenkomst voor een bedrijfswagen. Uniek Express was failliet verklaard, maar de vennoten bleven hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel.

De leaseovereenkomst werd op 30 juli 2024 ontbonden vanwege een achterstallige betaling. LPFS schakelde een incassobureau in voor het innen van de vordering en de inname van de bedrijfswagen. De rechtbank oordeelde dat de kosten voor inname niet redelijk waren gemaakt en wees deze af. De achterstallige leasetermijnen en buitengerechtelijke incassokosten werden volledig toegewezen, evenals 25% van de resterende leasetermijnen, exclusief btw.

De gevorderde contractuele rente werd slechts gedeeltelijk toegewezen, namelijk over de achterstallige termijnen tot de dag van volledige betaling. De juridische kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De vennoten werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de toegewezen bedragen, inclusief proceskosten en wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitkomst: De vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van achterstallige leasetermijnen, gedeeltelijke resterende termijnen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, terwijl juridische kosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11522008 \ CV EXPL 25-174
Vonnis van 2 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap LPFS B.V.,
gevestigd in Stadskanaal,
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.L.S. Verhoog,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende in [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken gelezen:
  • de dagvaarding (met producties 1 t/m 10);
  • de conclusie van antwoord;
  • de op 18 maart 2025 door LPFS toegezonden stukken (producties 11 en 12);
  • de op 25 maart 2025 door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegezonden stukken (diverse producties).
1.2
LPFS heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 27 januari 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben tijdens de rolzitting op 11 februari 2025 mondeling op de dagvaarding gereageerd. Partijen hebben hierna allebei nog producties ingediend.
1.3
De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald en die heeft op
22 april 2026 plaatsgevonden. Voor LPFS was aanwezig de heer [naam], bijgestaan door mr. A.L.S. Verhoog. Daarnaast was [gedaagde 2] aanwezig, voor zichzelf en voor
[gedaagde 1]. [gedaagde 1] is niet verschenen. De aanwezige partijen hebben antwoord gegeven
op vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is
besproken. De kantonrechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en bepaald dat hij
vonnis zal wijzen.
De zaak in het kort
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren de vennoten van de vennootschap onder firma Uniek Express. Uniek Express heeft van LPFS een bedrijfswagen geleased. Zij hebben de afspraken daarover vastgelegd in een mantelovereenkomst met bijbehorende Algemene Bepalingen (AB) en in een leaseovereenkomst. De afspraak was dat Uniek Express maandelijks een bedrag zou betalen van € 855,66 exclusief btw. LPFS zegt dat Uniek Express deze betalingsafspraak niet is nagekomen en dat zij daarom op 30 juli 2024 de leaseovereenkomst heeft ontbonden en zij eist – na vermindering van eis – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.051,83, te vermeerderen met contractuele rente. Dit bedrag bestaat volgens LPFS uit achterstallige leasetermijnen
(€ 2.717,83), 25% van de resterende termijnen (€ 3.919,94), juridische kosten (€ 995,93) en buitengerechtelijke kosten (€ 605,00). De kantonrechter beslist dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk de gevorderde achterstallige leasetermijnen en de buitengerechtelijke kosten volledig en de resterende termijnen gedeeltelijk moeten betalen. De contractuele rente wordt gedeeltelijk toegewezen. De juridische kosten worden afgewezen.

2.De beoordeling

De vordering richt zich tegen de vennoten van Uniek Express
2.1
De kantonrechter overweegt dat de vordering (het petitum) van LPFS onderaan haar dagvaarding zich alleen richt tegen de vof Uniek Express. Uniek Express was samen met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door LPFS gedagvaard. Uniek Express is op 12 maart 2025, dat is na het moment van dagvaarden, in staat van faillissement geraakt. De curator van Uniek Express en LPFS hebben gezamenlijk de zaak tegen Uniek Express ingetrokken. LPFS heeft wel gezegd dat de zaak tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] doorgaat. Vanwege deze situatie, op grond van de inhoud van de dagvaarding en dat wat op de zitting is besproken, ligt het voor de hand en zal de kantonrechter de vordering zo lezen dat waar staat
Uniek Expressdit moet worden vervangen door
[gedaagde 1] en [gedaagde 2].In dit vonnis zal de kantonrechter daar waar nodig onderscheid maken tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en Uniek Express.
Hoofdelijkheid
2.2
De kantonrechter stelt voorop dat vennoten van een vof op grond van artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen (overeenkomsten) die door de vof zijn aangegaan. Hoofdelijk betekent dat elke vennoot door de schuldeiser voor het geheel van de verplichtingen kan worden aangesproken, waarbij als de één (een deel) betaalt, de ander dat (deel van het) bedrag niet meer hoeft te betalen.
Deze hoofdelijke aansprakelijkheid eindigt niet vanzelf wanneer een vof in staat van faillissement raakt. De vennoten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] blijven ook dan tegenover LPFS hoofdelijk aansprakelijk voor de betalingsverplichtingen van Uniek Express. Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld tot het betalen van een bedrag, zullen zij dan ook hoofdelijk daartoe worden veroordeeld.
Ontbinding van de huurovereenkomst
2.3
Tussen partijen staat niet ter discussie dat LPFS de leaseovereenkomst tussen haar en Uniek Express op 30 juli 2024 mocht ontbinden omdat de termijn van juli 2024 niet werd betaald.
Afgifte van de bedrijfswagen (juridische kosten waaronder kosten inname)
2.4
LPFS heeft (vrijwel) direct na het ontbinden van de leaseovereenkomst het incassobureau Fidron ingeschakeld om de geldvordering van LPFS te incasseren en te zorgen voor de inname van de bedrijfswagen. De inname heeft op 6 september 2024 plaatsgevonden.
2.5
LPFS vordert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de ‘juridische kosten’ ter hoogte van € 995,93 inclusief btw moeten betalen. De kantonrechter overweegt dat uit de dagvaarding niet blijkt waar de juridische kosten uit bestaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft LPFS alsnog toegelicht dat de juridische kosten zijn gemaakt door Fidron en bestaan uit incassokosten voor het incasseren van de geldvordering (
Kosten Fidron)en innamekosten vanwege het innemen van de bedrijfswagen (
Toeslag L3/H3 of meubelbak en Transport bedrijfswagen). LPFS heeft daarbij verwezen naar een door haar ingebrachte factuur van Fidron. Op die factuur staat het volgende (de rechtbank heeft een kenteken zwartgelakt):
2.6
De post op de factuur
Kosten Fidronis niet toewijsbaar. LPFS heeft benoemd dat deze post bestaat uit incassokosten. Die uitleg wordt niet gevolgd. LPFS heeft namelijk haar uitleg niet onderbouwd, zodat niet duidelijk is of inderdaad deze post gaat over incassokosten. Daarnaast wordt overwogen dat als de post al zou gaan over incassokosten, die post niet apart toewijsbaar is naast de door LPFS gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Anders zou dat mogelijk kunnen betekenen dat dan twee keer buitengerechtelijke incassokosten kosten worden vergoed. Voor zover buitengerechtelijke kosten worden gemaakt, moeten die kosten als een geheel worden beoordeeld. De buitengerechtelijke incassokosten die wel toewijsbaar zijn, worden verderop in het vonnis besproken. [1]
2.7
Verder is de kantonrechter van oordeel dat de kosten die door Fidron zijn gemaakt vanwege inname van de bedrijfswagen (
Toeslag L3/H3 of meubelbak en Transport bedrijfswagen), niet in redelijkheid zijn gemaakt.
Het gevolg van de ontbinding van de leaseovereenkomst is dat LPFS aanspraak kan maken op afgifte van bedrijfswagen. Het uitgangspunt daarbij is dat Uniek Express op eigen kosten de bedrijfswagen bij LPFS terstond na ontbinding moet inleveren. [2] Dit brengt met zich mee dat pas als Uniek Express die verplichting niet nakomt, mogelijk kosten van inname van de bedrijfswagen voor rekening van Uniek Express konden komen.
2.8
Fidron heeft, volgens een e-mail van haar aan Uniek Express van 5 september 2024, de opdracht van LPFS gekregen om de bedrijfswagen in te nemen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gesteld en zo blijkt uit e-mailcorrespondentie met Fidron, dat tussen Fidron en Uniek Express eerst is geprobeerd om tot een regeling te komen en direct daarna is overgegaan tot inname van de bedrijfswagen. Niet is gebleken dat Fidron tijdens de gesprekken over een regeling heeft gevraagd om de bedrijfswagen alvast in te leveren, dan wel dat Uniek Express niet bereid was terstond de bedrijfswagen in te leveren. Fidron had dan ook Uniek Express de kans moeten geven om de bedrijfswagen op eigen kosten in te leveren, maar dat heeft Fidron niet gedaan. Daarom kunnen de innamekosten niet in redelijkheid bij Uniek Express in rekening worden gebracht en zijn haar vennoten dus evenmin gehouden tot betaling van die kosten. De gevorderde kosten worden dan ook afgewezen.
Achterstallige termijnen
2.9
Omdat Uniek Express de termijn van juli 2024 niet heeft betaald, is op 30 juli 2024 de leaseovereenkomst ontbonden. Na ontbinding had Uniek Express de bedrijfswagen nog in haar bezit. Op 6 september 2024 is de bedrijfswagen opgehaald. De termijnen over de periode van juli 2024 t/m 6 september 2024 is Uniek Express en in het verlengde daarvan de vennoten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan ook aan LPFS verschuldigd. Deze vordering wordt door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkend. Het gaat om een bedrag van € 2.717,83 inclusief btw. Dit bedrag wordt toegewezen.
25% van de resterende leasetermijnen
2.1
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn een vergoeding ter hoogte van 25% over de resterende leasetermijnen verschuldigd.
Zij zijn dit verschuldigd omdat de leaseovereenkomst is ontbonden nadat Uniek Express haar betalingsverplichting richting LPFS niet was nagekomen. [3]
LPFS is in haar oorspronkelijke vordering uitgegaan van 18 resterende termijnen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat daarmee een overlap bestaat met de openstaande termijnen die Uniek Express moet betalen. LPFS heeft daarom haar eis zodanig verminderd dat geen overlap meer bestaat. De vordering betreft – na vermindering van eis – een bedrag van € 3.919,95 inclusief btw en is als volgt berekend: 15 maanden x € 863,90 per maand x 25% x 1,21 (de btw).
2.11
De kantonrechter constateert dat LPFS btw over het bedrag van € 3.919,95 vordert. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de btw over het bedrag zijn verschuldigd, heeft LPFS niet onderbouwd. Daarom zal de kantonrechter de gevorderde btw afwijzen. Het is niet gebleken dat tegenover de verplichting tot betaling van het bedrag (in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968) een belastbare levering of dienst staat. Een bedrag van € 3.239,62 is toewijsbaar.
Contractuele rente
2.12
LPFS vordert over de door haar gevorderde hoofdsom (€ 8.051,83) de contractuele rente van 1,5% per maand. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
2.13
Uniek Express en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de achterstallige termijnen van juli t/m 6 september 2024 ter hoogte van € 2.717,83 niet op tijd betaald. De gevorderde contractuele rente van 1,5% per maand is daarom toewijsbaar over het bedrag van € 2.717,83. [4] De gevorderde ingangsdatum, 3 oktober 2024, is niet betwist en toen was al sprake van verzuim. De contractuele rente is daarom vanaf de gevorderde ingangsdatum toewijsbaar.
2.14
De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde contractuele rente over de resterende termijnen niet toewijsbaar is.
De contractuele rente is opgenomen in artikel 16 lid 3 AB Pro. Artikel 16 aanhef Pro en lid 3 AB luidt als volgt:
16. BETALINGSVERPLICHTINGEN
16.3.
Niet tijdige betaling van enig door Cliënt verschuldigd bedrag levert verzuim van Cliënt op. Deze is dan over het niet op tijd betaalde bedrag een rente verschuldigd van 1.5% per maand, waarbij een ingegane maar niet geheel verstreken maand voor een volle maand wordt gerekend.
2.15
Dat uit artikel 16 aanhef Pro en lid 3 AB zou moeten volgen dat óók over een eventueel pas na ontbinding van de leaseovereenkomst opeisbare betaling de contractuele rente zou moeten worden gerekend, is niet duidelijk. Daarover wordt namelijk zowel in artikel 16 AB Pro als in artikel 17 AB Pro niets gezegd.
2.16
Kortom, niet is gebleken dat de contractuele rente op meer betrekking heeft dan de maandelijks verschuldigde leasetermijnen en bijkomende kosten vanwege de leaseovereenkomst, zodat de contractuele rente over de resterende termijnen na ontbinding niet kan worden toegewezen. Ook is toewijzing van het mindere, de wettelijke handelsrente, niet mogelijk. De gevorderde vergoeding na ontbinding is namelijk een schadevergoeding. Wel zal de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen, met als ingangsdatum 3 oktober 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.17
LPFS vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). LPFS heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. LPFS heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 605,00 is niet hoger dan op grond van het Besluit zou kunnen worden toegewezen. Daarom zal het gevorderde bedrag worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
Proceskosten
2.18
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LPFS worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,11
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.532,11
2.19
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan LPFS te betalen:
een bedrag van € 2.717,83 aan achterstallige leasetermijnen, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand, met ingang van 3 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling, en
een bedrag van € 3.239,62 aan resterende leasetermijnen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 3 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan LPFS te betalen een bedrag van € 605,00 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.532,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op
2 juni 2026.

Voetnoten

1.Zie r.o. 2.17 (
2.artikel 18.1 AB;
3.Artikel 17 AB Pro;
4.Artikel 16.3 AB.