Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
[bedrijf],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil en de beoordeling
- € 1,08, ter zake kosten dagvaarding;
- € 93,–, ter zake griffierecht;
- € 577,–, ter zake gemachtigde salaris;
- € 144,–, ter zake nakosten.
4.de beslissing in kort geding
- € 9.670,– bruto, ter zake achterstallig salaris over de maanden december 2025, januari 2026, februari 2026, april 2026 en mei 2026;
- € 1.747,20 bruto, ter zake vakantiegeld over de periode 15 juli 2025 tot en met 31 mei 2026;
- € 5.708,60 bruto, ter zake wettelijke verhoging;
- € 2.080,– bruto per maand, ter zake salaris vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente over het loon vermeerderd met de wettelijke verhoging, tekens vanaf de dag van verzuim van iedere loontermijn en berekend tot de dag van de voldoening;