ECLI:NL:RBOVE:2026:4343

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
19 juli 2026
Zaaknummer
C/08/347130 / HA ZA 26-141
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 lid 2 RvArt. 93 onder c RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing van civiele zaak naar kantonrechter locatie Almelo wegens consumentenkoop

In deze civiele procedure tussen Bouwcenter Nobel B.V. als eiser en twee gedaagden woonachtig in verschillende plaatsen, heeft de rechtbank Overijssel bij tussenvonnis van 3 juni 2026 het voornemen uitgesproken zich onbevoegd te verklaren. De rechtbank oordeelde dat de vordering betrekking heeft op een consumentenkoop en dat de kantonrechter van locatie Almelo bevoegd is.

Partijen hebben zich schriftelijk uitgelaten over dit voornemen, waarbij eiseres instemde met de verwijzing naar de kantonrechter in Almelo en gedaagden zich op het oordeel van de rechtbank beroepen. De rechtbank bevestigt haar oordeel en verwijst de zaak ambtshalve op grond van artikel 71 lid 2 Rv Pro naar de kantonrechter locatie Almelo.

De rechtbank wijst partijen erop dat zij niet hoeven te verschijnen bij de rolzitting van 14 juli 2026, dat de kantonrechter zal beslissen over de voortzetting van de procedure, en dat zij in het vervolg van de procedure ook zonder advocaat kunnen verschijnen. Tevens wordt medegedeeld dat het griffierecht zal worden verlaagd en eventueel teveel betaald griffierecht zal worden teruggestort.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak ambtshalve naar de kantonrechter locatie Almelo.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/347130 / HA ZA 26-141
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
NOBEL BMG B.V., handelend onder de naam Bouwcenter Nobel B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Lochem,
eisende partij,
hierna te noemen: Nobel,
advocaat: mr. R.H.P. van de Venne,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. Y. Cenik.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juni 2026
- de akte uitlating van de zijde Nobel
- de akte uitlating van de zijde van [gedaagden]

2.De verdere beoordeling

2.1
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank het voornemen uitgesproken zich onbevoegd te verklaren en de zaak te zullen verwijzen naar de kantonrechter op de voet van artikel 93 onder Pro c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De rechtbank heeft overwogen dat de vordering naar haar voorlopig oordeel betrekking heeft op een consumentenkoop.
2.2
De rechtbank heeft tevens - gelet op de woonplaats van de gedaagde partijen [gedaagden] - het voornemen uitgesproken de zaak te zullen verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Almelo.
2.3
Partijen hebben zich bij akte schriftelijk uitgelaten over het voornemen van de rechtbank om de zaak te verwijzen. Namens eiseres is inhoudelijk toegelicht dat de procedure inderdaad zou moeten worden verwezen naar de kantonrechter in Almelo. Gedaagden hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.4
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. Omdat eiseres haar vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv Pro ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, op
dinsdag 14 juli 2026om 10:00 uur,
3.2
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.3
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.4
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.