Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- de (mondelinge) conclusie van antwoord van 7 april 2026;
- de conclusie van repliek van Riverty van 12 mei 2026.
Rechtbank Overijssel
Riverty GmbH vordert betaling van €331,95 van [gedaagde] voor een bestelling gedaan op 16 januari 2023 via een webwinkel met achteraf betalen via Riverty. [gedaagde] stelt dat de bestelling in overleg met zijn toenmalige bewindvoerder is gedaan en dat deze voor de betaling zou zorgen. Hij was niet op de hoogte van het uitblijven van betaling en ontving geen communicatie tot de dagvaarding.
Riverty betwist het bestaan van bewind ten tijde van de overeenkomst, maar erkent dat indien bewind bestond, de overeenkomst via de bewindvoerder is gesloten. Riverty heeft betalingsherinneringen gestuurd, waarvan de laatste op 30 mei 2023, maar daarna geen verdere aanmaningen.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering verjaard is op grond van artikel 7:28 BW Pro, omdat de dagvaarding pas op 6 februari 2026 is uitgebracht, meer dan twee jaar na de laatste aanmaning. De verjaring is niet gestuit. Daarom wordt de vordering afgewezen en worden de proceskosten aan Riverty opgelegd, met een vergoeding van €50 aan [gedaagde] wegens verletkosten.
Uitkomst: De vordering van Riverty wordt afgewezen wegens verjaring van het betalingsvorderingsrecht.