ECLI:NL:RBOVE:2026:4280

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ak_25_1976
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 4:5 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4:8 AwbArt. 4:23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom permanente bewoning recreatiewoning

Eiseres woont permanent in een recreatiewoning waarvoor het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg een last onder dwangsom heeft opgelegd om de permanente bewoning te beëindigen. Eiseres betoogt dat zij onder het overgangsrecht valt en dat handhaving onevenredig is vanwege persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van een integraal plan van aanpak.

De rechtbank stelt vast dat eiseres tussen november 2016 en april 2018 elders woonde, waardoor het overgangsrecht is uitgewerkt. Het college heeft terecht handhavend opgetreden omdat permanente bewoning in strijd is met het omgevingsplan. Er is geen concreet zicht op legalisering en het college heeft voldoende gemotiveerd waarom handhaving niet is opgeschort.

Verder oordeelt de rechtbank dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat eiseres onvoldoende vergelijkbare gevallen heeft aangevoerd. Ook de persoonlijke omstandigheden van eiseres rechtvaardigen geen afzien van handhaving. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens permanente bewoning van de recreatiewoning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1976

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser],
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

hierna: het college,
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. P.H.J. de Jonge).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college opgelegde last onder dwangsom ter beëindiging en het beëindigd houden van de permanente bewoning van de recreatiewoning aan [adres] door [eiser]. [eiser] is het niet eens met de last onder dwangsom, omdat zij meent dat de bewoning niet onrechtmatig is vanwege een beroep op het overgangsrecht, en dat handhaving onevenredig is.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college aan [eiser] de last onder dwangsom kon opleggen. Het permanent bewonen van de recreatiewoning is in strijd met het omgevingsplan en [eiser] kan geen bescherming van het overgangsrecht krijgen omdat zij langer dan een jaar niet in de recreatiewoning heeft gewoond en het overgangsrecht daarom is uitgewerkt. De rechtbank komt verder tot het oordeel dat handhaving in dit geval niet onevenredig is. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten en het procesverloop
2. Op 25 augustus 1990 schreven [naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2] (hierna: de vader) zich in de Basisregistratie Personen (BRP) in op het adres [adres], het adres van de recreatiewoning. Zij zijn de ouders van [eiser].
2.1.
Met de brief van 25 maart 1991 informeerde het college van burgemeester en wethouders van de voormalig gemeente Avereest, [naam 1] over een persoonsgebonden overgangsrecht, zoals opgenomen in de destijds geldende “Voorschriften bestemmingsplan De Haar, gemeente Avereest”. Aan [naam 1] werd medegedeeld dat op [adres] het persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing is.
2.2.
Op 29 mei 1991 verkregen [naam 1] en de vader gezamenlijk de eigendom van de recreatiewoning.
2.3.
Op [geboortedatum] 1991 werd [eiser] geboren. Zij woonde tot 11 november 2016 onafgebroken in de recreatiewoning. Van 11 november 2016 tot 5 april 2018 heeft zij ergens anders met haar (toenmalige) partner gewoond. Na deze periode heeft [eiser] onafgebroken in de recreatiewoning gewoond.
2.4.
Met de brief van 4 mei 1999 informeerde de gemeente Avereest de vader dat aan hem een persoonsgebonden overgangsrecht is verleend op grond van het bestemmingsplan ‘De Haar’. De vader mocht als hoofdbewoner onder voorwaarden de recreatiewoning permanent blijven bewonen.
2.5.
Op 3 oktober 2023 constateerde het college dat de vader niet meer stond ingeschreven op het adres van de recreatiewoning. Uit de BRP bleek dat de vader zich op
4 september 2023 had uitgeschreven.
2.6.
Op 5 oktober 2023 voerde het college een controle uit en constateerde dat de recreatiewoning permanent werd bewoond door (alleen) [eiser].
2.7.
Met de brief van 12 oktober 2023 stuurde het college aan de vader en [naam 1] als gezamenlijke eigenaren van de recreatiewoning ieder apart een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom om de permanente bewoning van het perceel te beëindigen.
2.8.
[naam 1] diende zienswijzen in tegen dit voornemen. Ook [eiser] diende een zienswijze in tegen het voornemen gestuurd aan [naam 1].
2.9.
Tussen [eiser] en medewerkers van de gemeente Hardenberg hebben meerdere gesprekken en contactmomenten plaatsgevonden om te kijken naar de mogelijkheden voor [eiser] om ergens anders een woning te vinden.
2.10.
Met de brief van 29 juli 2024 informeerde het college [eiser] dat handhaving onder voorwaarden met een jaar werd uitgesteld vanwege haar persoonlijke omstandigheden. Een van de voorwaarden was dat [eiser] zich moest inschrijven op ‘dewoningzoeker.nl’ en elke maand aan het college een overzicht moest verschaffen van de woningen waarop zij reageerde en wat de uitkomst van haar zoektocht naar vervangende woonruimte was.
2.11.
Met de brief van 27 september 2024 heeft het college aan [eiser] een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd, omdat zij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden uit de brief van 29 juli 2024. In het voornemen is aan [eiser] de mogelijkheid geboden om een zienswijze in te dienen. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.
2.12.
Met het besluit van 28 november 2024 (verzonden op 2 december 2024) heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd om de permanente bewoning van de recreatiewoning te beëindigen binnen vier maanden na verzending van het besluit.
Aan de last is een dwangsom opgelegd van € 2.500,- per maand met een maximum
van € 10.000,-.
2.13.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. Met het besluit van 14 januari 2025 verlengde het college de begunstigingstermijn tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
2.14.
Met de beslissing op bezwaar van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Het college handhaafde de opgelegde last onder dwangsom.
2.15.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft [eiser] de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.16.
Op 20 augustus 2025 bepaalde de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn van het besluit van 28 november 2024 werd verlengd tot drie maanden na datum van verzending van die uitspraak. Voor het overige wees de voorzieningenrechter het verzoek van [eiser] af.
2.17.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [eiser], haar gemachtigde en de gemachtigden van het college deelgenomen. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep dat [naam 1] (de moeder van [eiser]) heeft ingesteld tegen de last onder dwangsom die aan haar is opgelegd voor het beëindigen van de permanente bewoning van de recreatiewoning. Dat beroep is bekend onder zaaknummer ZWO 25/2221. In die zaak doet de rechtbank apart uitspraak.
Juridisch kader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar overzichtsuitspraak van 3 juli 2024 [1] , overwogen dat als een bestuursorgaan ter voorbereiding van een bestuurlijk sanctiebesluit vóór 1 januari 2024 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het bestuurlijk sanctiebesluit oud recht van toepassing is, ook als het sanctiebesluit na 1 januari 2024 is genomen. Dat volgt uit artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.1.
[eiser] is in de brief van het college van 27 september 2024 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot handhavend optreden. Dat betekent dat op de last onder dwangsom en het bestreden besluit de Omgevingswet van toepassing is.
3.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Kan [naam 1] als partij deelnemen aan de procedure?
4. In het vooronderzoek heeft de rechtbank [naam 1] aanvankelijk als derde-belanghebbende aangemerkt bij het bestreden besluit. Omdat [naam 1] als partij aan deze procedure heeft kunnen deelnemen heeft zij de gedingstukken ontvangen en is zij door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om op de stukken te reageren.
4.1.
In de uitspraak dient de rechtbank te overwegen of [naam 1] inderdaad als belanghebbende aangemerkt kan worden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij licht dit als volgt toe.
4.2.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet onder een belanghebbende worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Aan het criterium van rechtstreeks belang wordt niet voldaan wanneer er uitsluitend sprake is van een afgeleid belang. Alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij een bestreden besluit is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang wordt niet voldaan aan de eis dat een belang rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit. In dat geval ligt het op de weg van de geadresseerde van het besluit om voor die belangen op te komen.
4.3.
[naam 1] heeft verschillende belangen. Zij is, samen met haar ex-partner, eigenaar van de recreatiewoning en moeder van [eiser], en aan haar is ook een last onder dwangsom opgelegd om de permanente bewoning van de recreatiewoning te beëindigen. Dat maakt dat zij enerzijds belang heeft bij een beoordeling van de vraag of sprake is van een overtreding waar de beide lasten onder dwangsom op zijn gebaseerd, maar ook bij het woongenot van haar dochter. Deze belangen zijn evenwel allemaal parallel aan of afgeleid van het belang van [eiser] en vormen geen zelfstandig eigen belang van [naam 1] bij de last onder dwangsom die aan [eiser] is opgelegd. [naam 1] kan daarom niet als belanghebbende worden aangemerkt bij het besluit dat hier voorligt.
4.4.
De rechtbank zal de gronden die [naam 1] tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd daarom niet bij haar beoordeling betrekken.
Overtreding
Standpunt [eiser]
5. [eiser] stelt dat er geen sprake is van een overtreding omdat zij een beroep kan doen op het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in het oude bestemmingsplan ‘De Haar’. Volgens [eiser] volgt uit artikel 14, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan De Haar dat voor het perceel [adres] een overgangsregeling geldt voor permanente bewoning. [eiser] wijst erop dat zij ten tijde van de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan al in de recreatiewoning woonde met haar ouders. Volgens haar is de overgangsregeling gekoppeld aan het perceel en niet uitsluitend aan haar ouders als destijds ingeschreven hoofdbewoners. Zij meent daarom dat ook zij onder die regeling valt.
5.1.
Dat zij van november 2016 tot april 2018 ergens anders met haar toenmalige partner woonde, betekent volgens [eiser] niet dat het overgangsrecht is vervallen. Haar vader woonde gedurende die periode in de recreatiewoning. Volgens [eiser] is de permanente bewoning van de recreatiewoning daarom niet beëindigd en is het perceel ook niet aan een ander in gebruik gegeven met het oogmerk die ander permanente bewoning te verschaffen.
Standpunt college
6. Het college stelt zich op het standpunt dat [eiser] geen beroep kan doen op overgangsrecht. Volgens het college is alleen aan haar ouders als hoofdbewoners van de recreatiewoning een persoonsgebonden overgangsrecht toegekend. [eiser] valt volgens het college daarom niet zelfstandig onder de overgangsregeling en een eventueel gebruiksrecht is afgeleid van het persoonsgebonden overgangsrecht dat aan haar ouders is toegekend.
6.1.
Het college wijst er verder op dat ten tijde van de terugkeer van [eiser] naar de recreatiewoning, op 5 april 2018, het bestemmingsplan De Haar niet meer gold. Op dat moment was het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid’ in werking getreden (thans onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Hardenberg). Artikel 21.4.2 van dat bestemmingsplan kent volgens het college een persoonsgebonden overgangsregeling. Deze regeling geldt uitsluitend voor de hoofdbewoner die op de relevante peildatum in het bevolkingsregister stond ingeschreven en voor diens partner. [eiser] behoort volgens het college niet tot deze groep. Volgens het college handelt [eiser] in strijd met artikel 21.4.1 onder c van het omgevingsplan Hardenberg omdat zij de recreatiewoning permanent bewoont.
6.2.
Het college stelt verder dat als aangenomen wordt dat [eiser] een beroep kan doen op de regeling van het overgangsrecht uit het bestemmingsplan ‘De Haar’, dit overgangsrecht voor haar is uitgewerkt omdat zij haar hoofdverblijf gedurende meer dan een jaar ergens anders heeft gehad en daarna opnieuw in de recreatiewoning is gaan woning. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat sprake is van strijdig gebruik en dat het bevoegd was daartegen handhavend op te treden.
Oordeel rechtbank overtreding
7. De rechtbank moet beoordelen of het college bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen, en daarom is eerst aan de orde of de permanente bewoning van de recreatiewoning door [eiser] leidt tot een overtreding. Het gaat daarbij om strijd met de bepalingen van het ter plaatse geldende omgevingsplan. Omdat vaststaat dat permanente bewoning op zichzelf bezien niet door het omgevingsplan wordt toegestaan, is bepalend of [eiser] een beroep kan doen op het overgangsrecht.
7.1.
[eiser] doet een beroep op artikel 14, vierde lid van de voorschriften van het bestemmingsplan De Haar, dat bewoning van onder meer de recreatiewoning aan [adres] onder het algemeen overgangsrecht bracht. In het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid, dat thans onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Hardenberg, is evenwel bepaald dat gebruik dat onder het overgangsrecht is gebracht na het tijdstip van inwerkingtreding van dat plan niet kan worden hervat als dit gebruik voor een periode langer dan een jaar is onderbroken.
7.2.
Hoewel [eiser] op zitting heeft betwist dat zij is verhuisd, omdat zij spullen in de recreatiewoning had achtergelaten, staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast dat [eiser] in deze periode haar hoofdverblijf had bij haar toenmalige partner. Dat betekent dat [eiser] in die periode, en dus langer dan een jaar, niet in de recreatiewoning woonde. Zij kan daarom geen bescherming krijgen van het overgangsrecht uit het bestemmingsplan ‘De Haar’.
7.3.
Artikel 21.4.2 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Hardenberg kent, anders dan artikel 14 van Pro het bestemmingsplan De Haar, een persoonsgebonden overgangsregeling. Die regeling is verbonden aan de hoofdbewoner die op de daarin genoemde peildatum in het bevolkingsregister stond ingeschreven en aan diens partner. [eiser] behoort niet tot deze in artikel 21.4.2 bedoelde personen. Zij kan daarom aan deze bepaling geen recht ontlenen om de recreatiewoning permanent te bewonen. Dat haar vader mogelijk wel een eigen overgangsrechtelijke positie had, maakt dit niet anders.
7.4.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [eiser] aanvankelijk onder het perceelsgebonden overgangsrecht van artikel 14, vierde lid, van het bestemmingsplan De Haar viel, maar dat zij na haar verhuizing en terugkeer niet langer een beroep kan doen op het overgangsrecht. Haar permanente bewoning van de recreatiewoning is daarom in strijd met artikel 21.4.1 onder c van de planregels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Hardenberg en dit leidt tot een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet.
7.5.
Het college was dan ook bevoegd handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er redenen om van handhaving af te zien?
8. [eiser] voert verder aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om van handhavend optreden af te zien. Zij wijst daarbij op het ontwerpbesluit van de instructieregel die de voorgaande minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Volgens [eiser] had het college handhaving moeten aanhouden omdat er concreet zicht bestaat dat de instructieregel werd aangenomen en daarna het college wel moet afzien van handhavend optreden tegen permanente bewoning. [eiser] voert verder aan dat een integraal plan van aanpak voor recreatiepark De Haar ontbreekt en dat het college al een lange tijd bekend is met de permanente bewoning op het park en haar persoonlijke omstandigheden. Ook voert zij aan dat het college haar onvoldoende heeft geholpen bij het vinden van passende vervangende woonruimte. Volgens [eiser] wordt zij door de handhaving onevenredig in haar belangen geschaad.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan in beginsel gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden omdat het uitgangspunt is dat het algemeen belang is gediend met handhaving en het optreden tegen een overtreding. Dit wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. [2] De rechtbank gaat hierna nader in op de aspecten die [eiser] in dat kader aanvoert.
Concreet zicht op legalisering vanwege de instructieregel permanente bewoning?
9. De rechtbank is van oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het omgevingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering aanwezig is. [3] Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het niet bereid is mee te werken aan het (verder) gedogen van permanente bewoning. Ook is het college niet bereid medewerking te verlenen aan het wijzigen van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning te verlenen om een activiteit in afwijking van het omgevingsplan te verrichten. [eiser] heeft hiertoe ook geen aanvraag ingediend. Van een concreet zicht op legalisatie is dan ook geen sprake.
9.1.
De door [eiser] genoemde instructieregel betrof ten tijde van het bestreden besluit slechts een voornemen. Omdat op het moment dat het college het bestreden besluit nam het niet duidelijk was of, wanneer en in welke vorm deze regeling in werking zal treden hoefde het college de besluitvorming daarom niet in afwachting van deze mogelijke regeling op te schorten. De rechtbank overweegt dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het niet in afwachting van het vaststellen van de instructieregel handhaving wil opschorten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreken integraal plan van aanpak
10. Ook het feit dat nog wordt gewerkt aan een integraal plan van aanpak voor recreatiepark De Haar maakt handhavend optreden naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. Het college heeft toegelicht dat het plan van aanpak nog op ambtelijk niveau moet worden afgerond en dat handhaving binnen dat plan het uitgangspunt blijft, en dat het plan vooral ziet op de wijze waarop de problematiek op het park integraal wordt aangepakt. Niet is gebleken dat het college voornemens is de permanente bewoning van de recreatiewoning door [eiser] planologisch toe te staan of aan haar een persoonsgebonden gedoogbeschikking te verlenen. Het betoog slaagt niet.
Tijdsverloop
11. Dat het college in het verleden gedurende langere tijd niet of beperkt heeft gehandhaafd, leidt evenmin tot het oordeel dat handhaving nu onevenredig is. Het tijdsverloop tot aan het besluit tot handhaving levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaving moet afzien. Dat is ook niet het geval als het college van de overtreding op de hoogte was of dat kon zijn. Dat is vaste rechtspraak van de Afdeling. [4]
11.1.
In dit geval is de overtreding aangevangen op het moment dat de vader de recreatiewoning niet meer permanent bewoonde en zich in de BRP op dit adres had uitgeschreven. Daarmee is de overtreding aangevangen na 4 september 2023. Vanaf dat moment heeft het college veelvuldig contact gehad met [eiser] over de bewoning, waarna het college [eiser] op 27 september 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een dermate lang tijdsverloop waaruit [eiser] mocht afleiden dat het college niet (meer) handhavend tegen haar zou optreden. [eiser] heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat het college een toezegging heeft gedaan waaruit zij mocht afleiden dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen haar bewoning. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
12. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat een gelijk geval als dat van [eiser] gunstiger is behandeld door het college dan het geval van [eiser]. Er moet dus sprake zijn van een gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging is.
12.1.
[eiser] heeft in beroep in het algemeen aangevoerd dat nieuwe personen permanent op het recreatiepark De Haar zijn komen wonen en dat zij veel overlast veroorzaken. Volgens [eiser] wordt tegen deze bewoners niet door het college handhavend opgetreden.
12.2.
De rechtbank overweegt dat [eiser] haar beroep op het gelijkheidsbeginsel aldus onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Niet gesteld is dat sprake is van voldoende vergelijkbare overtredingen. [eiser] heeft onvoldoende concrete gevallen genoemd die wat betreft de relevante omstandigheden gelijk zijn aan haar situatie en waarin het college niet handhavend optreedt. Het college heeft bovendien toegelicht dat tegen meerdere permanente bewoners van het park die geen beroep op het persoonsgebonden overgangsrecht kunnen doen handhavingsprocedures lopen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Persoonlijke omstandigheden
13. De rechtbank ziet ook in de persoonlijke omstandigheden van [eiser], op zichzelf en tezamen met al het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat handhaving onevenredig is. Het college hoefde niet zelf in vervangende woonruimte te voorzien. Wel mocht van het college worden verwacht dat het de belangen van [eiser] in de besluitvorming betrok. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daaraan voldaan. Zoals onder punt 2.10 is benoemd, heeft het college het handhavend optreden tegen [eiser] aanvankelijk met een jaar uitgesteld en [eiser] zodoende de gelegenheid geboden om naar andere woonruimte te zoeken. Dat [eiser] woonruimte zoekt waar ook haar dieren kunnen verblijven, is begrijpelijk, maar maakt niet dat het college gehouden was een woning te regelen die aan haar wensen voldoet. Ook is niet gebleken dat het voor [eiser] onmogelijk was om aan de last te voldoen.
13.1.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. Het college heeft in redelijkheid handhavend kunnen optreden. De last onder dwangsom is niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] ongelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Omgevingswet

Artikel 5.1.

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
Voorschriften bestemmingsplan De Haar, gemeente Avereest

Artikel 14 Overgangsrecht Pro

2. Indien het gebruik van de in het bestemmingsplan begrepen gronden en bouwwerken op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan in strijd is met het gebruik, zoals dat in dit plan is geregeld, mag dit gebruik worden voortgezet.
(…)
4. Het strijdige gebruik als permanente bewoning, dat plaatsvindt op de volgende kadastrale percelen (met bijbehorend adres) is uitgezonderd van hetgeen in de voorgaande leden is bepaald (zie ook plankaart).
Sektie G 3092; de Haar 4/4; Sektie G 3075; de Haar 4/28;
Sektie G 3086; de Haar 4/7; Sektie G 3073; de Haar 4/30;
Sektie G 3094; de Haar 4/8; Sektie G 3062; de Haar 4/43;
Sektie G 3095; de Haar 4/9; Sektie G 3058; de Haar 4/51;
Sektie G 3085; de Haar 4/11; Sektie G 3131; de Haar 4/54.
Sektie G 3045; de Haar 4/17;
Bouwaanvragen, betrekking, hebbend op deze percelen, dienen aan de bestemming "rekreatieve doeleinden (zomerhuisjesterrein)" en de daarbij behorende voorschriften te worden getoetst, ware het een overeenkomstig gebruik.
Ten aanzien van het strijdige gebruik van deze zomerhuisjes is het verboden de permanente bewoning voort te zetten nadat het zomerhuisje is vervreemd, door erfopvolging is verkregen, dan wel is verhuurd en/of op een andere wijze in gebruik is gegeven, met het oogmerk aan een ander de permanente bewoning te verschaffen.
Tijdelijk deel van het omgevingsplan van Hardenberg, bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Reestdal en Bergentheim-Zuid

Artikel 21.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:
(…)
c. permanente bewoning van bouwwerken voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 21.4.2 Uitzondering strijdig gebruik permanente bewoning

a. Het strijdige gebruik van recreatiewoningen, (sta-)caravans en chalets voor permanente bewoning, dat plaatsvindt in de van deze regels deel uitmakende
Bijlage 1 'Lijst persoonsgebonden overgangsrecht De Haar' aangegeven (kadastrale) percelen met bijbehorend adres is uitgezonderd van hetgeen in sublid 21.4.1 is bepaald;
(…)
c. Ten aanzien van het strijdige gebruik van deze recreatiewoningen, (sta-)caravans en chalets is het, met uitzondering van de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied Avereest' in het gemeentelijk bevolkingsregister ingeschreven hoofdbewoner en zijn of haar partner, verboden de permanente bewoning voort te zetten nadat de recreatiewoning respectievelijk de (sta-)caravan respectievelijk de chalet is vervreemd, door erfopvolging is verkregen, dan wel is verhuurd en/of op een andere wijze in gebruik is gegeven, met het oogmerk aan een ander de permanente bewoning te verschaffen.

Artikel 42.2 Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
(…)
3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Voetnoten

1.De Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, r.o. 20.
2.Zie de Afdeling van 1 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5796 en de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
3.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4518 en de Afdeling van
4.Zie de Afdeling van 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3282, r.o. 9.2. en de Afdeling van