ECLI:NL:RBOVE:2026:4275

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
12287491 \ CV EXPL 26-1194
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis in kort geding

De huurder heeft sinds september 2024 een woning gehuurd van de verhuurder. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden wegens tekortkomingen en de ontruiming van de woning bevolen, met een ontruimingsdatum gepland op 22 juli 2026. De huurder is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis en vordert in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis totdat het hoger beroep onherroepelijk is beslist.

De verhuurder verzet zich tegen deze schorsing en wil het vonnis uitvoeren. De voorzieningenrechter weegt de belangen van beide partijen af. De huurder stelt dat hij zonder de woning dakloos wordt en zijn minderjarige kind geen thuis kan bieden, wat het co-ouderschap belemmert. De verhuurder stelt dat hij onderhoudswerkzaamheden aan het dak niet kan uitvoeren vanwege het gedrag van de huurder.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van de huurder bij behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder bij onmiddellijke ontruiming. De huurder heeft bovendien aangeboden de woning tijdelijk te verlaten tijdens de dakreparaties, wat het belang van de verhuurder beperkt. De schorsing wordt daarom toegewezen, en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt geschorst totdat het hoger beroep onherroepelijk is beslist.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Voorzieningenrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 12287491 \ CV EXPL 26-1194
Vonnis in kort geding van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. P.A. Holsappel,
procederend onder toevoeging met nummer: [nummer],
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: nl.legal LLP.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juni 2026 met producties 1 en 2;
- de akte met aanvullende productie 3 van [eiser];
- het bericht met productie van [gedaagde];
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2026, waarbij beide partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. (De gemachtigde van) [gedaagde] heeft gebruikgemaakt van spreekaantekeningen.

2.De samenvatting

2.1.
Tussen partijen bestond een huurovereenkomst. De kantonrechter van deze rechtbank heeft de huurovereenkomst bij vonnis van 12 mei 2026 ontbonden vanwege tekortkomingen. De ontruiming van het gehuurde staat gepland voor 22 juli 2026.
2.2.
In dit kort geding komt [eiser] op tegen de geplande ontruiming. Hij vordert dat de ontruiming wordt geschorst totdat op het door hem in gestelde hoger beroep onherroepelijk is beslist. [gedaagde] is het daar niet mee eens en wil het ontruimingsvonnis ten uitvoer leggen.
2.3.
De voorzieningenrechter oordeelt onder de door partijen aangevoerde omstandigheden dat de belangen van [eiser] zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde], zodat de vordering tot schorsing van het ontruimingsvonnis zal worden toegewezen, totdat in hoger beroep is beslist. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De feiten

3.1.
[eiser] heeft vanaf 9 september 2024 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van [gedaagde] gehuurd.
3.2.
[eiser] heeft een minderjarig kind met zijn ex-partner. [eiser] heeft afspraken gemaakt met zijn ex-partner over (de invulling van) het gezamenlijke ouderschap. Die afspraken zijn vastgelegd in een ouderschapsplan, onder meer inhoudende dat het kind om de week bij één van de ouders verblijft.
3.3.
Bij vonnis van 12 mei 2026 heeft de kantonrechter (kortgezegd) de huurovereenkomst ontbonden vanwege tekortkomingen en [eiser] veroordeeld het gehuurde binnen twee maanden na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4.
Het vonnis is op 22 mei 2026 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft de woning niet ontruimd.
3.5.
[eiser] is bij dagvaarding van 30 juni 2026 in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van 12 mei 2026, tegen de roldatum van 1 september 2026.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 mei 2026, totdat onherroepelijk op het door [eiser] ingestelde hoger beroep zal zijn beslist, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de aard van het gevorderde vloeit het spoedeisend belang van [eiser] voort.
Het kader
5.2.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de (uitvoerbaar bij voorraad) ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen.
5.3.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag.
De beoordeling
5.4.
Het vonnis van 12 mei 2026 is weliswaar uitvoerbaar bij voorraad verklaard, maar dat onderdeel van de beslissing is in het vonnis niet gemotiveerd. Dat betekent dat het in deze zaak aankomt op een belangenafweging. De voorzieningenrechter zal moeten onderzoeken of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde ([eiser]) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen ([gedaagde]) bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. De kans van slagen van het door [eiser] ingestelde hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing, zodat de voorzieningenrechter de discussie van partijen over de door [gedaagde] aan de ontbinding ten grondslag gelegde tekortkomingen in dit kort geding niet inhoudelijk zal beoordelen.
De belangenafweging
5.5.
Met betrekking tot de belangenafweging hebben partijen het volgende aangevoerd.
5.6.
[eiser] heeft (samengevat) gesteld dat hij dakloos raakt als [gedaagde] gebruikmaakt van zijn bevoegdheid om het vonnis van 12 mei 2026 ten uitvoer te leggen en het gehuurde te (laten) ontruimen. [eiser] heeft geen zicht op een alternatieve woonruimte. Daardoor kan hij ook zijn minderjarige kind geen thuis meer bieden en kan hij zijn co-ouderschap niet goed meer invullen, met alle negatieve gevolgen van dien.
5.7.
[gedaagde] heeft (samengevat) gesteld dat hij al bijna een jaar lang geen onderhoud aan (het dak van) het gehuurde kan uitvoeren, omdat [eiser] de door [gedaagde] ingehuurde vaklieden bedreigt en wegjaagt. Daarom wil [gedaagde] dat [eiser] de woning ontruimt.
5.8.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van [eiser] (tot behoud van het gehuurde totdat onherroepelijk in hoger beroep is beslist) onder deze omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] (om op korte termijn te kunnen beschikken over het gehuurde). Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het belang van [gedaagde] kennelijk is ingegeven om (de lekkage van) het dak te kunnen repareren, zonder dat [eiser] zich daarmee kan bemoeien. Daarover heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is om het gehuurde te verlaten gedurende de tijd dat (het klusbedrijf namens) [gedaagde] bezig is om het dak te repareren. Dat voorstel komt de voorzieningenrechter gelet op de omstandigheden in dit kort geding niet onredelijk voor. Het belang van [gedaagde] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing tot ontruiming (en de daarmee gepaard gaande onomkeerbare gevolgen) is daarmee beperkt geworden, te meer als dat belang wordt afgezet tegen het belang van [eiser] bij behoud van de woning, in ieder geval totdat op het door hem ingestelde hoger beroep zal zijn beslist.
5.9.
Dat het minderjarige kind van [eiser] in geval van ontruiming bij de moeder terecht zal kunnen maakt voorgaande belangenafweging niet anders. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dat geen afbreuk doet aan het belang van [eiser] tot behoud van de woning, of dat het belang van [gedaagde] daardoor ineens zwaarder komt te wegen.
Conclusie
5.10.
De voorzieningenrechter komt op grond van voorgaande tot de conclusie dat het belang van [eiser] bij het afwachten van de uitkomst van het hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis voordat in het hoger beroep is beslist.
Proceskosten
5.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.102,00
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 12 mei 2026, totdat onherroepelijk op het door [eiser] ingestelde hoger beroep zal zijn beslist,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.