ECLI:NL:RBOVE:2026:4245

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
12103876 \ EJ VERZ 26-33
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019aa RvArt. 1019z RvArt. 1019bb RvArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van voorschotten en buitengerechtelijke kosten na verkeersongeval met letsel

Op 25 maart 2025 was verzoeker betrokken bij een verkeersongeval waarbij zij van achteren werd aangereden door een auto die WAM-verzekerd was bij de rechtsvoorganger van verweerder. Verzoeker liep letsel op en verweerder erkende aansprakelijkheid. Verzoeker vorderde aanvullende voorschotten voor buitengerechtelijke kosten (BGK) en smartengeld, alsmede medewerking aan benoeming van een gezamenlijke deskundige.

De kantonrechter oordeelde dat het verzoek tot aanvullende BGK-voorschotten toewijsbaar was, maar het verzoek tot aanvullend voorschot smartengeld werd afgewezen vanwege onvoldoende duidelijkheid over het causaal verband en de omvang van de schade. De kosten van het deelgeschil werden gematigd omdat de procedure deels onnodig was en er discussie was over het uurtarief en de omvang van de werkzaamheden.

De kantonrechter stelde vast dat het niet aangesloten zijn van de gemachtigde bij het BGK-convenant niet de reden was voor het trage verloop van bevoorschotting, maar het ontbreken van voldoende medische en financiële informatie door verzoeker. Het verzoek tot inschakeling van een gezamenlijke deskundige werd als prematuur afgewezen omdat de medische situatie nog niet was uitgekristalliseerd.

De redelijke buitengerechtelijke kosten werden begroot op € 786,50 inclusief btw en de kosten van het deelgeschil op € 3.723,- inclusief griffierecht. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van aanvullende buitengerechtelijke kosten en deelgeschilkosten, terwijl het verzoek tot aanvullend voorschot smartengeld en inschakeling deskundige wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12103876 \ EJ VERZ 26-33
Beschikking van 29 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. S. van de Griek,
tegen
[verweerder] SE,
te [vestigingsplaats]
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. E.C. de Jong.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met de producties 1 -9,
- de aanvullende producties 10-13,
- de aanvulling en wijziging op het verzoekschrift met de producties 14 – 24,
- het verweerschrift met de producties 1-7,
- de aanvullende producties 8 en 9,
- de intrekking van productie 17 en de daarop betrekking hebbende stellingen,
- de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van mr. S. van de Griek,
- de pleitnota van mr. E.C. de Jong.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Samenvatting

2.1
Op 25 maart 2025 heeft er een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als automobilist was betrokken. [verzoeker] is die dag van achteren aangereden door een andere auto, die ten tijde van het ongeval WAM-verzekerd was bij [bedrijf], de rechtsvoorganger van [verweerder] SE, hierna [verweerder]. [verzoeker] heeft bij het ongeval letsel opgelopen. [verweerder] heeft de aansprakelijkheid erkend. [verzoeker] verzoekt aanvullende voorschotten ten titel van buitengerechtelijke kosten (hierna: BGK) en smartengeld te begroten en [verweerder] te veroordelen tot betaling daarvan. Ook verzoekt [verzoeker] om [verweerder] te veroordelen tot medewerking aan benoeming van een gezamenlijke deskundige dan wel om haar te machtigen zelfstandig en op kosten van [verweerder] een deskundige in te schakelen. Tot slot verzoekt [verzoeker] de kosten van het deelgeschil te begroten. De kantonrechter wijst de vordering met betrekking tot de BGK toe en met betrekking tot het smartengeld af. De kosten van het deelgeschil worden gematigd. De kantonrechter licht zijn oordeel hierna toe.

3.De feiten

3.1
Op 25 maart 2025 heeft er een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als automobilist was betrokken. [verzoeker] is die dag van achteren aangereden door een andere auto, die ten tijde van het ongeval WAM-verzekerd was bij [bedrijf], de rechtsvoorganger van [verweerder] SE, hierna [verweerder].
3.2
Het ongeval heeft lichamelijke en financiële gevolgen voor [verzoeker].
Daarom heeft [verzoeker] [verweerder] op 22 april 2025 aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die zij ten gevolge van het ongeval lijdt.
3.3
Op 1 mei 2025 heeft [verweerder] de aansprakelijkheid voor het ongeval en de
hieruit voortvloeiende gevolgen erkend.
3.4
Op 27 mei 2025 heeft [verweerder] een voorschot van € 750,- betaald onder de noemer persoonlijke schade.
3.5
Na het ongeval is [verzoeker] behandeld door een fysiotherapeut voor nek-, rug-, en beenklachten. Ook is [verzoeker] gezien door een revalidatiearts. De behandeling door de revalidatiearts heeft vertraging opgelopen omdat [verzoeker] is gevallen en daarbij haar pols heeft geblesseerd. Er is een MRI gemaakt.
3.6
[verweerder] heeft [verzoeker] op 29 juli 2025 en 29 oktober 2025 verzocht om medische informatie op te vragen en die toe te sturen aan haar medisch adviseur.

4.Het verzoek en het verweer

4.1
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter - na wijziging van het verzochte - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
Primair:
[verweerder] te veroordelen tot betaling van € 1.055,73 inclusief btw aan openstaande: BGK;
de procedurekosten ex artikel 1019aa Rv te begroten op 23,2 uur tegen uurtarief € 275,- excl. btw, en griffierecht, en [verweerder] tot betaling daarvan te veroordelen;
[verweerder] te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot smartengeld van € 3.000,-;
[verweerder] te veroordelen tot medewerking aan benoeming van een gezamenlijke deskundige op basis van de IWMD-vraagstelling 2025;
Subsidiair:
5. [verzoeker] te machtigen zelfstandig een deskundige in te schakelen op basis van de IWMD-vraagstelling 2025, met veroordeling van [verweerder] in de kosten daarvan ex artikel 6:96 lid 2 BW Pro.
4.2
Aan het verzochte legt [verzoeker] ten grondslag dat zij door het ongeval nek- en rugklachten, met uitstraling naar het been heeft gekregen. [verzoeker] stelt dat zij sinds het ongeval behandeld is door een fysiotherapeut, maar dat deze behandeling in oktober 2025 is beëindigd vanwege onvoldoende resultaat en forse na-reacties na iedere sessie met toename van pijnklachten. Vanaf 3 december 2025 volgt [verzoeker] een multidisciplinair revalidatietraject. In dat kader is zij op 5 februari 2026 een behandeling gestart bij psychosomatisch fysiotherapeut De Glee MSc (hierna: De Glee). De Glee heeft in zijn brief van 3 maart 2026 gemeld dat hij op basis van dossieronderzoek en eigen onderzoek aanhoudende fysieke- en mentale klachten na het ongeval van 25 maart 2025 heeft vastgesteld. Deze klinische bevindingen zijn volgens [verzoeker] consistent met de diagnose chronisch pijnsyndroom, zoals vastgesteld door revalidatiearts K. Lesuis van ZGT Almelo in oktober 2025. Zij weerleggen volgens [verzoeker] het standpunt van [verweerder] dat het causale verband tussen de klachten en het ongeval beperkt zou zijn tot 2-4 maanden. Dermatoloog P.M. Ossekoppele noteert in haar anamnese op 31 maart 2026: ‘Veel stress letselschadeprocedure’. Deze objectieve observatie van een behandelend specialist is in de visie van [verzoeker] consistent met de bevindingen van De Glee met betrekking tot de mentale klachten van [verzoeker].
4.2.1
Bij het beoordelen van welke klachten nog zijn te relateren aan het ongeval ongeval hanteert de door [verweerder] ingeschakelde medisch adviseur Sedgwick Medas een causaliteitsperiode van 2-4 maanden. De medisch adviseur erkent dat dat een arbitraire periode is. [verweerder] kan haar weigering van verdere vergoeding niet baseren op een dergelijke arbitraire grens, aldus [verzoeker]. Daarnaast mist Sedgwick Medas de kern van de gestelde diagnose. Chronisch pijnsyndroom is een aandoening van het centrale zenuwstelsel waarbij het pijnverwerkingssysteem overgevoelig is geworden (centrale sensitisatie). Bij centrale sensitisatie is een blijvend fysiek substraat per definitie niet aanwezig - dat is juist het kenmerk van de aandoening. De conclusie van Sedgwick Medas dat er “geen neurologisch / orthopedisch posttraumatisch substraat” is, doet geen recht aan de diagnose.
De bevindingen van De Glee 12 maanden na het ongeval zijn consistent met en ondersteunend voor de diagnose chronisch pijnsyndroom. De richtlijn op grond waarvan Sedgwick Medas tot 0% functieverlies concludeert is volgens [verzoeker] niet van toepassing op de causaliteitsvraag. Omdat verschil van mening bestaat over de causaliteitsvraag is het inschakelen van een gezamenlijke deskundige de aangewezen weg, aldus [verzoeker].
4.2.2
Wat betreft de verzochte betaling van voorschotten stelt [verzoeker] dat het door haar aanvullend onder algemene titel dan wel als smartengeld gevraagde voorschot van € 5.000,-
gering is in verhouding tot de te verwachten schade. Voorafgaand aan deze procedure is slechts € 750,00 bevoorschot, terwijl [verzoeker] ernstige schade lijdt. Bijna een jaar na het ongeval heeft zij nog altijd aanzienlijke klachten die haar dagelijks leven sterk beperken, heeft zij geen inkomen en heeft zij schulden van € 6.050,- opgebouwd. Een aanvullend voorschot van in totaal € 5.000,- is gezien de omvang van de schade ruim binnen de bandbreedte van de toepasselijke categorie in de Rotterdamse schaal. Omdat [verweerder] hangende deze procedure nog € 2.000,- heeft uitgekeerd, verzoekt [verzoeker] nu nog de resterende € 3.000,-.
4.2.3
[verzoeker] verzoekt betaling van de buitengerechtelijke kosten conform de declaratie van 27 maart 2026 ten bedrage van € 2.961,48 incl. BTW (8,9 uur à € 275,- exclusief btw). [verweerder] weigerde in strijd met de wet een voorschot op de buitengerechtelijke kosten uitsluitend omdat mr. Van de Griek niet is aangesloten bij het Convenant BGK. Door geen voorschot te verstrekken is [verzoeker] gedwongen om haar buitengerechtelijke kosten voor te financieren, kan de equality of arms in het gedrang komen en de schadeafwikkeling worden belemmerd. Inmiddels heeft [verweerder] € 1.905,75 voldaan, zodat nog € 1.055,73 inclusief btw ter uitkering resteert.
4.2.4
[verzoeker] verzoekt ook om begroting van de kosten van het deelgeschil op grond van artikel 1019aa Rv. In dat kader zijn bij conceptdeclaratie van 27 maart 2026 16 uur à € 275,- exclusief btw gedeclareerd. Over de periode vanaf 28 maart 2026 zijn tegen hetzelfde tarief nog 7,2 uren gedeclareerd, waarvan 2,8 waren begroot met toen nog in de toekomst liggende, maar thans uitgevoerde zittingsgerelateerde werkzaamheden. Daarnaast maakt Beuk nog aanspraak op vergoeding van het door haar betaalde griffierecht van € 93,-. De gemaakte kosten zijn zowel in redelijkheid gemaakt als in bedrag redelijk. Het uurtarief van € 275,- exclusief btw is volgens [verzoeker] marktconform.
4.3
[verweerder] voert gemotiveerd verweer en stelt zich daarbij op het standpunt dat dit verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil.
4.4
Op de standpunten van partijen wordt hierna, indien en voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het verzoek leent zich (deels) niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure
5.1
Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn schade die hij lijdt door dood of letsel, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil over, of in verband met, een deel van wat ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de kantonrechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18). De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv).
5.2
Volgens [verweerder] lenen geschillen over de toekenning van voorschotten zich in het algemeen voor behandeling in deelgeschil. In dit specifieke geval strookte het starten van het deelgeschil dat in eerste instantie tot doel had om bevoorschotting af te dwingen zich niet met de strekking van de deelgeschilprocedure: het bevorderen van het totstandkomen van een minnelijke regeling. Dat aanvullende bevoorschotting uitbleef (zowel op de BGK als onder algemene titel/smartengeld), was niet te wijten aan onwelwillendheid aan de zijde van [verweerder], maar aan de gebrekkige informatieaanlevering aan de zijde van [verzoeker]. Ten tijde van het aanhangig maken van deze deelgeschilprocedure kón [verweerder] nog helemaal geen beslissing nemen over het al dan niet betalen van de gevraagde voorschotten, omdat zij helemaal geen onderliggende informatie in haar dossier had waarop zij deze beslissingen zou kunnen baseren. Ondanks herhaaldelijke verzoeken was er geen (onderbouwde) informatie verstrekt over de medische, persoonlijke en financiële situatie van [verzoeker], noch waren er declaraties en/of specificaties ten aanzien van de reeds gemaakte BGK verstrekt. [verweerder] heeft steeds weer verzocht om aanlevering van ontbrekende informatie, zodat zij zou kunnen beoordelen in hoeverre zij grond zag om aanvullende voorschotten te betalen en/of de reeds gemaakte BGK te vergoeden. [verweerder] heeft zich dan ook in het gehele traject voorafgaand en tijdens aan dit deelgeschil constructief en meewerkend heeft opgesteld.
5.3
In de visie van [verzoeker] was een rechterlijke beslissing over een redelijk voorschot bij aanvang van de deelgeschilprocedure op 16 februari 2026 noodzakelijk. Hoewel de aansprakelijkheid voor de door [verzoeker] door het ongeval geleden schade al op 1 mei 2025 door [verweerder] is erkend, heeft [verweerder] sindsdien slechts € 750,- aan [verzoeker] uitgekeerd. Ook is [verweerder] ruim twee maanden passief geweest door niet in te gaan op het verzoek om een schaderegelaar in te schakelen voor een gezamenlijk huisbezoek. Volgens [verzoeker] stond niet de informatieaanlevering aan de afwikkeling in de weg, maar het beleidsstandpunt van [verweerder] over de hoedanigheid van de gemachtigde van [verzoeker]. De BGK-weigering op grond van het feit dat mr. Van de Griek niet is aangesloten bij het Convenant BGK, is volgens [verzoeker] een zelfstandige proceduregrond: artikel 6:96 BW Pro kent geen vereiste van aansluiting bij BGK-Convenant. De noodzaak van het starten van een deelgeschil blijkt ook uit:
  • de tussen partijen ontstane impasse in de bij iedere declaratie terugkerende discussie over het van de zijde van [verzoeker] gehanteerde uurtarief;
  • het miskennen van de diagnose chronisch pijnsyndroom;
  • de door de medisch adviseur van [verweerder] gehanteerde arbitraire causaliteitsgrens;
  • de omstandigheid dat de schade-expert het beantwoorden van de causaliteitsvraag niet aan de medisch adviseur wil overlaten en druk uitoefent om het verzoekschrift in te trekken;
  • de afwijzing van de schikkingsvoorstellen van [verzoeker] en de relatief lage tegenvoorstellen op voorwaarde van intrekking van de procedure.
5.4
De kantonrechter stelt vast dat dit deelgeschil is gestart om (verdere) bevoorschotting af te dwingen, zowel om [verzoeker] tegemoet te komen in haar problemen om in haar levensonderhoud te voorzien als om haar in staat te stellen zich te mengen in het schadeafwikkelingsproces. Zoals van de zijde van [verzoeker] ook is erkend, is dit doel inmiddels gedeeltelijk bereikt omdat [verweerder] op 21 april 2026 voorschotten van € 1.905,75 aan BGK, € 1.000,- onder algemene titel en € 1.000,- ten titel van smartengeld heeft uitgekeerd. Daaruit leidt de kantonrechter af dat het niet aangesloten zijn van mr. Van de Griek bij het Convenant BGK niet de belemmerende en doorslaggevende factor is geweest bij het niet verstrekken van aanvullende voorschotten. Van een principiële weigering om tot bevoorschotting over te gaan is dan ook geen sprake geweest.
5.5
Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [verzoeker] bevestigd dat de medische informatie waarom [verweerder] voorafgaand aan het aanhangig maken van het deelgeschil reeds meerdere keren had verzocht, pas aan [verweerder] is toegezonden toen deze stukken ook in het kader van dit deelgeschil aan de kantonrechter werden gestuurd. Nadat [verweerder] deze medische informatie, informatie over de inkomenspositie van [verzoeker] en (concept)-declaraties inzake BGK en procedurekosten van [verzoeker] had ontvangen en op grond daarvan een medisch advies door adviseur Sedgwich Medas had laten opstellen, is [verweerder] overgegaan tot het uitkeren van de voornoemde aanvullende voorschotten, bovenop de al uitgekeerde € 750,-. Dit onderschrijft naar het oordeel van de kantonrechter de stelling van [verweerder] dat met name het niet verstrekken van voldoende informatie door [verzoeker] de reden is voor het trage verloop van de beoordeling van de klachten van [verzoeker] en het niet eerder verstrekken van aanvullende voorschotten.
5.6
Met betrekking tot de verzoeken van [verzoeker] onder 4 en 5 die betrekking hebben op de benoeming van een (gezamenlijke) deskundige, heeft [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat dit verzoek prematuur is. [verweerder] heeft in dat kader toegelicht dat er nog te veel onduidelijkheid bestaat over zowel de medische situatie van [verzoeker], als over haar persoonlijke- en inkomenssituatie. Voordat een beslissing kan worden genomen over het al dan niet inschakelen van een gezamenlijke deskundige is het nodig dat het medisch dossier volledig en up to date is en bij voorkeur dat er sprake is van een medische eindsituatie. Als deze medische informatie voorhanden is wordt het dossier voorgelegd aan twee medisch adviseurs, één aan de zijde van [verzoeker] en één aan de zijde van [verweerder]. Deze medisch adviseurs vormen dan een oordeel over de causaliteit. De vraag of het noodzakelijk is om een deskundige in te schakelen komt pas daarna aan de orde. Om meer informatie te krijgen over de persoonlijke- en inkomenssituatie van [verzoeker] dient een schaderegelaar ingeschakeld te worden. Op basis van de op die manier verzamelde informatie zal dan worden bezien of partijen het onderling eens kunnen worden over het vaststellen van een bedrag dat de door [verzoeker] geleden schade vertegenwoordigt.
5.7
Van de zijde van [verzoeker] is tijdens de mondelinge behandeling erkend dat van een medische eindsituatie nog geen sprake, dat de medische informatie nog niet is uitgekristalliseerd en dat het inschakelen van een deskundige daarom wellicht prematuur is. Maar omdat [verzoeker] geen geld heeft zou het inschakelen van een deskundige toch kunnen helpen om de causaliteit vast te stellen, aldus [verzoeker].
5.8
Nu beide partijen het erover eens zijn dat het inschakelen van een deskundige prematuur is, zullen de daarop betrekking hebbende vorderingen worden afgewezen.
5.9
Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [verzoeker] gezegd dat de kantonrechter wel iets zou kunnen zeggen over de causaliteit en de bandbreedte. Dit verzoek maakt echter geen onderdeel uit van het petitum van het verzoekschrift, terwijl de kantonrechter is gehouden op basis daarvan te oordelen. Evenmin is op dit punt wijziging van het verzochte gevraagd. Bovendien miskent [verzoeker] dat de kantonrechter zich daarover nog niet kan uitlaten, juist omdat er nog onvoldoende duidelijkheid bestaat over welke klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen aan het ongeval kunnen worden toegeschreven.
Voorschot op het smartengeld
5.1
De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] (nader) moet bevoorschotten voorop dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door [verweerder] betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure in beginsel geen plaats, terwijl het in voorkomend geval ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken. Omdat het causaal verband niet kan worden vastgesteld (zie rechtsoverwegingen 5.9 en 5.10.) bestaat ook te weinig duidelijkheid over de omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade. Dit betekent dat de kantonrechter nu niet kan vaststellen dat [verzoeker] een vorderingsrecht heeft dat het reeds verstrekte voorschot overstijgt. Van een beslissing die kan bijdragen aan het totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst kan dan ook geen sprake zijn. Het verzoek tot een aanvullend voorschot op het smartengeld wordt daarom afgewezen.
Beslissing over de redelijkheid van het inroepen van rechtsbijstand en de kosten daarvan
5.11
Naar het oordeel van de kantonrechter kan een beslissing over een redelijk aantal uren en een redelijk uurtarief bijdragen aan het totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst. Als op die punten duidelijkheid bestaat, kan dat niet meer in de weg staan aan het komen tot een vaststellingsovereenkomst op het moment dat die duidelijkheid er te zijner tijd ook op medisch vlak zal zijn.
De voor vergoeding in aanmerking komende kosten
5.12
Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b en c BW komen alleen de kosten die de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan voor vergoeding in aanmerking. Daarbij gaat het erom of het in verband met het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van het ongeval redelijk was om buitengerechtelijke rechtsbijstand in te roepen en of de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.
5.13
[verweerder] is van mening dat de kosten waarop [verzoeker] aanspraak maakt, niet voor volledige vergoeding in aanmerking komen. Zij is van mening dat zowel het door de belangenbehartiger van [verzoeker] gehanteerde uurtarief, als het aantal door haar ik rekening gebrachte uren te hoog zijn.
Uurtarief belangenbehartiger
5.14
De facturen waarvan betaling wordt gevorderd zijn gebaseerd op een uurtarief van
€ 275,- voor de belangenbehartiger. [verzoeker] stelt dat dit tarief marktconform is. Zij wijst erop dat zij 24 jaar advocaat is en dat haar 10 jaar specialistische ervaring in het sociale zekerheidsrecht, verzekeringsrecht en medisch juridische zaken in dat kader relevant is.
5.15
MISG stelt daar tegenover dat € 275,- exclusief btw een tarief is voor een gespecialiseerde letselschadeadvocaat. Mr. Van de Griek heeft ruime ervaring, maar niet op het gebied van letselschade. [verweerder] acht een uurtarief van € 225,- exclusief btw redelijk.
5.16
De kantonrechter is van oordeel dat mr. Van de Griek weliswaar relevante ervaring heeft, maar geen gespecialiseerd letselschadeadvocaat is. [verweerder] heeft er terecht op gewezen dat zij niet is aangesloten bij een specialisatievereniging, zoals de Vereniging voor Letselschade Advocaten (LSA) of een branche- of keurmerkregistratie heeft.
Mr. Van de Griek is dus niet gebonden aan de door dergelijke specialisatieverenigingen, branches of keurmerken, gehanteerde kwaliteits-, ervarings- en opleidingseisen en beroeps- en gedragsregels. Nu deze eisen en regels wel doorwerken in een door gespecialiseerde letselschadeadvocaten gehanteerde uurtarief, acht de kantonrechter het niet redelijk dat mr. Van de Griek een zelfde uurtarief hanteert. Nu beide partijen hebben nagelaten te onderbouwen dat € 275,- een redelijk tarief is voor gespecialiseerde letselschadeadvocaten, acht de kantonrechter € 250,- een redelijk uurtarief voor de door mr. Van de Griek verrichte werkzaamheden.
Buitengerechtelijke kosten
5.17
De kantonrechter onderschrijft niet de visie van MISG dat van de in totaal 8,9 gedeclareerde uren, 1,9 uren te veel zijn gedeclareerd in verband met het inlezen van het dossier en overleg met [verzoeker]. Zoals reeds geoordeeld is het gehanteerde uurtarief wel te hoog, zodat zal worden uitgegaan van 8,9 x € 250,- exclusief btw = € 2.692,25 inclusief btw. Daarvan heeft [verweerder] al € 1.907,75 inclusief btw vergoed, zodat [verzoeker] nog recht heeft op vergoeding van € 786,50 inclusief btw aan BGK.
Kosten deelgeschil
5.18
De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen.
5.19
De kantonrechter volgt [verweerder] niet in haar stelling dat de procedurekosten voor rekening van [verzoeker] dienen te blijven, nu het deelgeschil volstrekt onnodig is ingesteld. Wel onderschrijft de kantonrechter de visie van [verweerder] dat de opgevoerde kosten te hoog zijn.
5.2
Dat is met name terug te voeren op het feit dat relatief veel tijd is besteed aan het bediscussiëren van het recht op en de wijze van bevoorschotting en de hoogte van het in dat kader te hanteren uurtarief van mr. Van de Griek. [verweerder] merkt terecht op dat als van de zijde van [verzoeker] eerder was ingegaan op het verzoek van [verweerder] om haar declaraties toe te zenden, minder uren gedeclareerd hadden hoeven worden. Niet alleen uren in verband met de communicatie met [verweerder], maar daaruit voortvloeiend ook uren om de gang van zaken met [verzoeker] te bespreken. Zoals de kantonrechter onder 5.4 al heeft overwogen was van het principieel weigeren van bevoorschotting door [verweerder] geen sprake, zodat daarin geen reden voor te veel gedeclareerde uren kan zijn gelegen.
5.21
Ook in verband met het handhaven van het verzoek om een aanvullend voorschot ten titel van smartengeld, terwijl duidelijk is dat partijen vooralsnog niet op één lijn zitten als het gaat om het causaal verband na 2-4 maanden tussen de klachten en het ongeval, is onnodig veel tijd gedeclareerd. Op basis van de huidige stand van de rechtspraak in deelgeschillen is immers duidelijk dat een dergelijk verzoek wordt afgewezen indien daaraan geen onafhankelijk medisch rapport ten grondslag ligt.
5.22
Gelet hierop ziet de kantonrechter aanleiding om de met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro te begroten op 12 uren x € 250,- exclusief btw = € 3.630 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,-, in totaal derhalve een bedrag van € 3.723,-. [verweerder] zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.
5.23
Omdat tegen de beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank de verzochte uitvoerbaarbijvoorraadverklaring afwijzen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
begroot de nog te betalen BGK op € 786,50 inclusief btw en veroordeelt [verweerder] dit bedrag aan [verzoeker] te betalen, binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking,
6.2
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.630,- inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,- en veroordeelt [verweerder] tot betaling van deze bedragen aan [verzoeker], te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking,
6.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026.