ECLI:NL:RBOVE:2026:4158

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ZWO 26/1365 en ZWO 26/1366
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke exploitatiecoffeeshop

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om de tijdelijke exploitatievergunning en gedoogverklaring voor haar coffeeshop te beëindigen per 31 augustus 2026.

Eiseres had na het overlijden van haar vader de exploitatie van de coffeeshop voortgezet op basis van een tijdelijke toestemming. Na een lotingsprocedure werd een derde partij ingeloot en kreeg deze een vergunning. Eiseres was het niet eens met de beëindigingstermijn en vroeg om verlenging en voorlopige voorzieningen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester de einddatum terecht heeft vastgesteld, mede omdat deze in overleg met eiseres tot stand kwam en een ruime termijn van ruim een jaar werd gegeven. Het verzoek tot verlenging en voorlopige voorziening wordt afgewezen, mede omdat het belang van de derde partij en de burgemeester ook meewegen en er geen duidelijke kans is dat het primaire besluit onrechtmatig is.

De uitspraak betekent dat de coffeeshop van eiseres per 1 september 2026 gesloten moet zijn en dat de burgemeester daarna handhavend zal optreden. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt afgewezen en de tijdelijke exploitatievergunning eindigt op 31 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 26/1365 en ZWO 26/1366
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats] ,
hierna: [eiseres] ,
(gemachtigden: mr. S.T. Blom en mr. G.J.S. Pannenkoek),
en
de burgemeester van [gemeente],
hierna: de burgemeester,
(gemachtigden: mr. M. Ichoh en mr. K. van der Hoeven).
Als derde-partij neemt aan deze zaken deel:
[derde belanghebbende] B.V.gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: [derde belanghebbende] ,
(gemachtigden: mr. P.M.L. Schilder Spel en mr. R.G. Meester)

1.Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het verbinden van een einddatum aan de toestemming die de burgemeester op 7 december 2023 aan [eiseres] heeft verleend om [de coffeeshop] (hierna: de coffeeshop) tijdelijk zonder de daarvoor benodigde exploitatievergunning en gedoogverklaring te exploiteren. Met het besluit van 6 augustus 2025 is bepaald dat deze gedoogsituatie geldt tot en met 31 augustus 2026. Namens de burgemeester is in een latere e-mail het verzoek om deze termijn te verlengen afgewezen. [eiseres] is het er niet mee eens en heeft beroep ingesteld en bezwaar gemaakt. Omdat de einddatum nadert en [eiseres] wil voorkomen dat zij met de coffeeshop moet stoppen voordat zij een beslissing heeft ontvangen in de betreffende procedures, heeft zij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Dit heeft tot gevolg dat de tijdelijke toestemming op 31 augustus 2026 eindigt en de burgemeester daarna niet langer meer hoeft te gedogen dat [eiseres] haar coffeeshop zonder de benodigde exploitatievergunning en gedoogverklaring exploiteert. In de praktijk houdt dit in dat de coffeeshop per 1 september 2026 niet meer open mag.

2.Inleiding: feiten en procesverloop

2.1.
Aan de heer [naam 1] is op 19 juli 2022 een persoonsgebonden exploitatievergunning en gedoogverklaring afgegeven voor de coffeeshop op het adres [adres] in [plaats] . De heer [naam 1] is op [datum] 2023 overleden, waarmee de exploitatievergunning en de gedoogverklaring van rechtswege zijn komen te vervallen.
2.2.
Daarmee is ruimte ontstaan voor andere partijen om de vierde coffeeshop in [plaats] te exploiteren. Met inachtneming van de Beleidsregel aanvraag- en selectieprocedure coffeeshops [plaats] (hierna: Beleidsregel) heeft de burgemeester besloten een loting- en aanvraagprocedure te starten om de daarvoor benodigde exploitatievergunning en gedoogverklaring te kunnen afgeven.
2.3.
[eiseres] (dochter van de heer [naam 1] ) was al enige tijd samen met haar vader betrokken bij de exploitatie van de coffeeshop en na zijn overlijden heeft zij deze voortgezet.
2.4.
Aan [eiseres] is met de brief van 7 december 2023 een tijdelijke toestemming verleend voor het voortzetten van de coffeeshop. In de brief wordt vermeld dat gedurende de selectieperiode voor het verlenen van een nieuwe exploitatievergunning en gedoogverklaring de burgemeester het onwenselijk vindt dat er maar drie in plaats van vier coffeeshops geëxploiteerd worden in [plaats] en dat mede om die reden aan [eiseres] tijdelijk toestemming wordt verleend om de coffeeshop te exploiteren. Ook telt mee dat [eiseres] enig erfgenaam is en als leidinggevende op de oorspronkelijke vergunning stond vermeld, de coffeeshop geruime tijd door de heer [naam 1] op correcte wijze is geëxploiteerd en de burgemeester [eiseres] daartoe ook in staat acht. Daarnaast is over de einddatum het volgende opgenomen:
Einddatum exploitatie
Aangezien op voorhand niet is aan te geven op welke datum een nieuwe exploitatievergunning en gedoogverklaring wordt verleend, kan ik nu nog niet aangeven tot welke datum u de coffeeshop mag blijven exploiteren. Ik laat de mogelijke einddatum aan u weten als bekend is vanaf welke datum de nieuwe coffeeshop voor publiek geopend mag zijn. In het geval de selectieprocedure langer dan een jaar in beslag neemt, te rekenen vanaf de datum waarop de termijn van indiening van de vergunningaanvraag is aangevangen, kan ik besluiten dat u de exploitatie van de coffeeshop op een nader te bepalen datum moet beëindigen.
U kunt de exploitatie alleen voortzetten als u besluit deel te nemen aan de lotingsprocedure en hierbij wordt ingeloot, waarna u een aanvraag indient en dan kan er aan u een vergunning worden verleend.
2.5.
Op 6 januari 2025 is gestart met de lotingsprocedure, waarvoor men zich kon inschrijven tot 6 februari 2025. [eiseres] is niet ingeloot. [naam 2] is wel ingeloot en heeft als eerste een aanvraag mogen indienen. Dit is gedaan door [derde belanghebbende] ( [derde belanghebbende] B.V.).
2.6.
Na de afronding van de loting hebben op verzoek van [eiseres] tussen haar en de burgemeester gesprekken plaatsgevonden waaruit afspraken zijn voortgekomen over onder meer de einddatum van de tijdelijke toestemming. Onder punt een en twee van de afspraken zoals deze volgen uit de e-mail van de burgemeester van 8 juli 2025 wordt – voor zover hier relevant – vermeld:
1. De burgemeester heeft eerder bij brief van 7 december 2023 tijdelijk toestemming verleend aan mevr. [eiseres] om de coffeeshop te exploiteren en daarin gemeld dat hij kan bepalen dat de exploitatie van de coffeeshop op een nader te bepalen datum moet eindigen. In plaats van dat de burgemeester eenzijdig een einddatum heeft bepaald, hebben wij in goed overleg gezamenlijk een einddatum van de exploitatie bepaald. In plaats van een
exploitatietermijn van 3 maanden zijn wij een ruimere exploitatietermijn van 1 jaar en 4
maanden overeengekomen.
2. De exploitatie van de coffeeshop zal nog voor de duur van één jaar en vier maanden worden gedoogd, te rekenen vanaf 1 mei 2025. Dat betekent dat de overeengekomen einddatum uitkomt op 31 augustus 2026. Na de einddatum van 31 augustus 2026 mag de coffeeshop niet geëxploiteerd worden.
2.7.
De burgemeester heeft de afspraken met het besluit van 6 augustus 2025 geformaliseerd. De burgemeester heeft besloten de exploitatie van de coffeeshop te gedogen tot en met 31 augustus 2026. Dit betekent volgens de burgemeester dat de verkoop van softdrugs na 31 augustus 2026 (vanuit de openbare inrichting van de coffeeshop) niet meer gedoogd zal worden en dat de coffeeshop op uiterlijk 1 september 2026 gesloten moet zijn en gesloten moet blijven voor publiek. Nadien zal de burgemeester daartegen handhavend optreden.
2.8.
[eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is door de burgemeester op 15 december 2025 ongegrond verklaard conform een advies van de Commissie Bezwaarschriften van 9 december 2025. [eiseres] heeft hiertegen op 19 januari 2026 beroep ingesteld.
2.9.
Op 23 maart 2026 heeft [eiseres] de burgemeester verzocht de termijn te verlengen, omdat – kort weergegeven – er volgens haar geen enkel concreet zicht bestaat op vergunningverlening aan [derde belanghebbende] , terwijl het besluit van 6 augustus 2025 (mede) was gebaseerd op het uitgangspunt dat de lotings- en selectieprocedure zou leiden tot een nieuwe exploitant aan wie tijdig een exploitatievergunning en gedoogverklaring zou worden verleend.
2.10.
In een e-mail van 29 april 2026 is namens de burgemeester kenbaar gemaakt niet in dit verzoek mee te gaan, omdat er over de einddatum al een gerechtelijke procedure loopt en de burgemeester geen aanleiding ziet om zijn besluitvorming te wijzigen of te herroepen. Daarbij stelt de burgemeester dat er wel concreet zicht is op vergunningverlening aan [derde belanghebbende] . Het ontwerpbesluit om de vergunning te verlenen is ter inzage gelegd en op 5 februari 2026 gepubliceerd in het Gemeenteblad. Weliswaar zijn daartegen zienswijzen ingediend, maar de verwachting is dat er op korte termijn positief op de aanvraag beslist kan worden. Dat zal ook ruim voor de gestelde einddatum van 31 augustus 2026 plaatsvinden.
2.11.
[eiseres] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.12.
Daarnaast heeft [eiseres] de voorzieningenrechter verzocht gedurende de beroeps- en bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij ook na 31 augustus 2026 de exploitatie voort kan zetten.
2.13.
Op 17 juni 2026 heeft de burgemeester aan [derde belanghebbende] een exploitatievergunning en gedoogverklaring verleend voor de duur van vijf jaar. Daartegen is door [eiseres] separaat beroep ingesteld.
2.14.
Op 29 juni 2026 heeft de burgemeester op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
2.15.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , de gemachtigden van [eiseres] , gemachtigde Ichoh namens de burgemeester, en namens [derde belanghebbende] [naam 2] en de gemachtigden van [derde belanghebbende] .

3.Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval voor [eiseres] een spoedeisend belang aanwezig is om een voorlopige voorziening te vragen. [eiseres] heeft naast de financiële consequenties gewezen op het feit dat zij op dit moment 15 personeelsleden in dienst heeft die zij na 31 augustus 2026 niet (allemaal) kan behouden. Ook heeft zij gewezen op de inkoop van de voorraad waarvoor zij, mede gelet op de achterdeurproblematiek, op korte termijn dient te weten of zij deze dient af te bouwen. Het klopt dat [eiseres] zelf om uitstel heeft gevraagd van de zitting van 16 juli 2026 in de bodemprocedure tegen het besluit van 15 december 2025 maar als die zitting wel was doorgegaan zou hoogstwaarschijnlijk pas eind augustus uitspraak zijn gedaan. Te kort om voor 31 augustus 2026 de noodzakelijke maatregelen te treffen. Daarbij heeft de burgemeester het verzoek tot het verlengen van de termijn afgewezen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij een beslissing op de verzoeken met het voorgaande gegeven.
3.3.
Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat sprake is van tegengestelde belangen. Voor [eiseres] geldt een groot financieel belang en de genoemde belangen in het kader van de (afbouw van) bedrijfsvoering. De burgemeester heeft er belang bij, mede gelet op hoe de besluitvorming tot stand is gekomen, aan het besluit en de beëindigingsdatum vast te houden. Het belang van [derde belanghebbende] bestaat eruit dat zij op korte termijn (op zitting is 1 oktober 2026 genoemd als datum) gebruik wil maken van de verleende exploitatievergunning voor haar coffeeshop in [plaats] en voortzetting van de exploitatie van de coffeeshop door [eiseres] dit mogelijk zou kunnen compliceren. De voorzieningenrechter overweegt dat aan geen van die belangen doorslaggevende betekenis toekomt in die zin dat op grond daarvan duidelijk is dat het verzoek moet worden toe- of afgewezen.
3.4.
Dat betekent dat de voorzieningenrechter zich voor het beantwoorden van die vraag een voorlopig oordeel dient te vormen over de kans van slagen in de bodemprocedure. Hij merkt daarbij met nadruk op dat de rechter(s) in die bodemzaak op geen enkele wijze gebonden zijn aan dit voorlopige oordeel.
3.5.
Het geschil spitst zich toe op de verleende tijdelijke toestemming en de daaraan (later) verbonden beëindigingsdatum. [eiseres] stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat uit het besluit van 7 december 2023 volgt dat de burgemeester de tijdelijke toestemming alleen kan intrekken als bekend is vanaf welke datum een nieuwe coffeeshop voor publiek geopend mag zijn. Aan deze enige intrekkingsgrond wordt volgens [eiseres] niet voldaan en de burgemeester kan daarmee de tijdelijke toestemming niet intrekken per 31 augustus 2026. Daarnaast voert zij aan dat de burgemeester het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden waar het gaat om het traject waarin tot de beëindigingsdatum is gekomen. Voor zover de tijdelijke toestemming wel kan worden ingetrokken, stelt zij zich subsidiair op het standpunt dat de gegeven termijn in strijd is het met het evenredigheidsbeginsel.
3.6.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de burgemeester in het besluit van 7 december 2023 het bepalen van de einddatum deels afhankelijk heeft gemaakt van het moment dat een nieuwe coffeeshop voor publiek geopend mag zijn. De voorzieningenrechter stelt echter ook vast dat de burgemeester in het besluit heeft opgenomen dat hij daartoe eveneens kan besluiten in geval de selectieprocedure langer dan een jaar duurt, te rekenen vanaf de datum waarop de termijn van indiening van de vergunningaanvraag is aangevangen. Het standpunt dat slechts sprake is van één grond op basis waarvan de burgemeester de beëindigingsdatum kan bepalen is daarmee naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onjuist.
3.7.
Hoewel de passage in de brief van 7 december 2023 over het bepalen van een einddatum voor de exploitatie als de selectieprocedure langer dan een jaar duurt niet eenduidig is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in lijn met de bedoeling van die passage de einddatum in het primaire besluit heeft kunnen bepalen op 31 augustus 2026. Daarbij acht hij verder van belang dat die datum is vastgesteld in overleg met [eiseres] en op haar initiatief om ruim op tijd duidelijkheid te geven over het moment dat zij de exploitatie van de coffeeshop moest staken. Dat was op dat moment (in het voorjaar van 2025) over ongeveer één jaar en vier maanden en ruim anderhalf jaar na de start van de selectieprocedure voor de nieuwe coffeeshop in februari 2025.
3.8.
Dat [eiseres] later is teruggekomen op de afspraak maakt dit niet anders. [eiseres] kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de burgemeester bij de vaststelling van de beëindigingsdatum het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Kennelijk was er tijdens het overleg de inschatting dat de selectieprocedure zeer kort zou duren en binnen drie maanden afgerond kon worden. Los van de vraag hoe reëel die verwachting in dit geval was, stelt de voorzieningenrechter vast dat [eiseres] desondanks een aanzienlijk ruimere termijn is gegeven waarbinnen de exploitatie van de coffeeshop moest worden gestaakt. Dat er bij het vaststellen van de beëindigingsdatum sprake is geweest van dwaling aan de kant van [eiseres] volgt de voorzieningenrechter evenmin. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat [eiseres] gedurende dit gehele proces is bijgestaan door professionele gemachtigden.
3.9.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat het besluit van 6 augustus 2025 om de beëindigingsdatum te bepalen op 31 augustus 2026 niet onevenredig is, zoals namens [eiseres] aangevoerd. Uiteraard heeft het moeten stoppen met de coffeeshop grote financiële gevolgen voor [eiseres] maar dat komt vooral doordat zij niet is ingeloot voor de exploitatievergunning voor een nieuwe coffeeshop. Gelet op het persoonsgebonden karakter van die vergunning wist ze dat dit kon gebeuren en uiteindelijk heeft ze na het overlijden van haar vader de coffeeshop nog bijna drie jaar kunnen exploiteren. Daarnaast is er aan [eiseres] in het primaire besluit een termijn van meer dan een jaar gegeven om te stoppen.
3.10.
Voor zover [eiseres] gronden heeft aangevoerd tegen de – inmiddels verleende – exploitatievergunning en gedoogverklaring aan [derde belanghebbende] overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In de eerste plaats dient dit te worden beoordeeld in de beroepsprocedures die onlangs zijn gestart en waar de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening niet op zien. Verder is het de vraag of, gelet op hetgeen onder 3.5 is overwogen, het in deze procedure over de einddatum van de exploitatievergunning van [eiseres] relevant is of de exploitatievergunning en gedoogverklaring aan [derde belanghebbende] rechtmatig zijn verleend. Waar daar van zij, vooralsnog is onvoldoende gebleken dat die exploitatievergunning en gedoogverklaring geen stand zullen houden. Dit ziet met name op de gestelde onregelmatigheden bij het lotings- en aanvraagproces. Ook hierin ziet de voorzieningenrechter daarom geen grond om tot de gevraagde schorsing over te gaan.
3.11.
[eiseres] heeft daarnaast bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de burgemeester om de beëindigingstermijn te verlengen. De voorzieningenrechter betwijfelt of de wijze waarop de burgemeester daarin heeft gehandeld juist is door het verzoek tot verlenging aan te merken als een verzoek tot herroeping van een besluit waartegen al beroep is ingesteld, maar gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in verband hiermee een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester kan zijn standpunt in bezwaar nog heroverwegen en er bestaat onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat dit zal leiden tot een andere beëindigingsdatum, mede gelet op het feit dat aan [derde belanghebbende] inmiddels een exploitatievergunning en gedoogverklaring is verleend en naar verwachting op korte termijn met de exploitatie van de nieuwe coffeeshop wordt gestart.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dit betekent dat de tijdelijke toestemming op 31 augustus 2026 eindigt en de burgemeester daarna niet langer meer hoeft te gedogen dat [eiseres] haar coffeeshop zonder de benodigde exploitatievergunning en gedoogverklaring exploiteert.
4.2.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.