ECLI:NL:RBOVE:2026:4111

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
08-083949-22
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken zwaar lichamelijk letsel en onjuiste pleegdatum mishandeling

De rechtbank Overijssel heeft op 14 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer in februari 2022. De tenlastelegging betrof onder meer het toebrengen van gebroken ribben en een afgebroken voortand.

De officier van justitie stelde dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kon worden, terwijl de verdediging pleitte voor integrale vrijspraak vanwege onbetrouwbaarheid van de aangifte, gebrek aan ondersteunend bewijs, en onjuiste pleegdatum.

De rechtbank oordeelde dat het letsel niet kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel omdat medisch ingrijpen niet noodzakelijk was, behalve een herstelbehandeling van de voortand. Daarnaast was de pleegdatum in de tenlastelegging onjuist, waardoor de subsidiaire tenlastelegging niet bewezen kon worden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van zwaar lichamelijk letsel en onjuiste pleegdatum in de tenlastelegging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-083949-22 (P)
Datum vonnis: 14 juli 2026
Vonnis op tegenspraak (279 Sv) in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC)
[locatie]
.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsvrouw van verdachte mr. L. Schouten, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte
(primair)in de periode van 16 februari 2022 tot en met 25 februari 2022 [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld, dan wel dat hij op 25 februari 2022 (
subsidiair)heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar te mishandelen, dan wel (
meer subsidiair)haar heeft mishandeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2022 tot en met 25 februari 2022 te Enschede aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere gebroken ribben en/of een (af)gebroken tand, heeft toegebracht door:
- die [slachtoffer] vast te pakken en op de grond te gooien,
- Meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een houten borstel tegen de linkerkant van haar hoofd te slaan,
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, in/tegen de ribben van die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen en/of
- die [slachtoffer] met een wurggreep vast te pakken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 februari 2022 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] vast heeft gepakt en op de grond heeft gegooid,
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer] met een houten borstel tegen de linkerkant van haar hoofd heeft geslagen,
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, in/tegen de ribben van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt en/of
- die [slachtoffer] met een wurggreep heeft vastgepakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 februari 2022 te Enschede [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer] vast te pakken en op de grond te gooien,
- Meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een houten borstel tegen de linkerkant van haar hoofd te slaan,
- meerdere malen, in elk geval eenmaal, in/tegen de ribben van die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen en/of
- die [slachtoffer] met een wurggreep vast te pakken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe tal van verweren gevoerd die kort opgesomd op het volgende neerkomen: de onbetrouwbaarheid van de aangifte, het ontbreken van steun in andere bewijsmiddelen, het ontbreken van de overtuiging, het letsel dat niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen daarvan en het opnemen van een verkeerde pleegdatum, zijnde een fout in de tenlastelegging.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat zij de aangifte van [slachtoffer] betrouwbaar acht en dat deze aangifte steun vindt in het geconstateerde letsel. De rechtbank gaat daarom uit van de aangifte, inhoudende dat verdachte het letsel bij [slachtoffer] – bestaande uit een afgebroken voortand en twee ribbreuken – heeft toegebracht.
Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te komen moet sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] niet als zodanig kan worden aangemerkt. Medisch ingrijpen was vanwege de aard van het letsel niet noodzakelijk, met uitzondering van een herstelbehandeling van de voortand van [slachtoffer]. Nu het dossier geen informatie bevat over de hersteltermijn, kan de rechtbank niet anders dan ervan uitgaan dat [slachtoffer] binnen afzienbare tijd volledig is hersteld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
De pleegdatum
Subsidiair en meer subsidiair is – anders dan onder het primair ten laste gelegde – als pleegdatum ‘op of omstreeks 25 februari 2022’ ten laste gelegd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de mishandeling vlak na Valentijnsdag, volgens haar op 16 februari 2022 heeft plaatsgevonden. Op die dag is [slachtoffer] naar de tandarts geweest vanwege de afgebroken voortand en op 21 en 24 februari 2022 is zij bij de huisarts geweest vanwege pijn aan haar ribben. Bij de huisarts heeft zij, blijkens de geneeskundige verklaring, gezegd dat het letsel aan haar ribben is veroorzaakt door een trap op 14 februari 2022. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de mishandeling uiterlijk op 16 februari 2022 moet hebben plaatsgevonden. De pleegdatum ‘op of omstreeks 25 februari 2022’ kan niet zo ruim worden opgevat dat de periode van 14 tot 16 februari 2022 hieronder begrepen kan worden. Een pleegdatum is een cruciaal onderdeel van een tenlastelegging en kan daarom niet verbeterd worden gelezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

4.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
Buiten staat
mr. Ten Cate is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.