ECLI:NL:RBOVE:2026:4075

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
84-131291-24 en 84-133397-26 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet op de AccijnsArt. 97 Wet op de AccijnsArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van grote hoeveelheden onveraccijnsde tabaksproducten

De rechtbank Overijssel heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 49-jarige man die zich op twee verschillende momenten schuldig maakte aan het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, tabak en waterpijptabak. De feiten betreffen grote hoeveelheden accijnsgoederen die in maart 2024 en februari 2026 in zijn woning en bijgebouwen werden aangetroffen.

De verdachte heeft bekend de feiten te hebben gepleegd, maar ontkende medeplegen met anderen. De rechtbank achtte het bewijs voldoende om hem als individuele pleger te veroordelen. De strafbaarheid van de feiten is gebaseerd op overtreding van artikel 5 van Pro de Wet op de Accijns.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de benadeling van de Nederlandse staat voor circa €512.000, en de negatieve impact op het anti-rookbeleid. Tegelijkertijd werd rekening gehouden met de kwetsbare gezondheidssituatie van de verdachte, die kanker in remissie heeft en beperkte belastbaarheid. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Daarnaast werd de personenauto van verdachte verbeurd verklaard en 672 in beslag genomen vapes onttrokken aan het verkeer. Geldbedragen werden aan verdachte teruggegeven. De uitspraak is gewezen door drie rechters en is openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens bezit van grote hoeveelheden onveraccijnsde tabaksproducten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummers: 84-131291-24 en 84-133397-26 (P)
Datum vonnis: 13 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsman mr. A.P.E.M. Pover, advocaat in Ees, namens verdachte naar voren is gebracht. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank het feit van de zaak met parketnummer 84-131291-24 als feit 1 en het feit van de zaak met parketnummer 84-133397-26 als feit 2.
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:op 1 maart 2024 in [plaats] samen met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid sigaretten, tabak en waterpijptabak voorhanden en/of in opslag heeft gehad, zonder dat daarover accijns werd betaald;
feit 2:op 25 februari 2026 in [plaats] samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid sigaretten, waterpijptabak en rooktabak voorhanden en/of in opslag heeft gehad, zonder dat daarover accijns werd betaald.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
feit 1
hij op of omstreeks 1 maart 2024 te [plaats] , althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk (een) (grote) hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten:(ongeveer) 1.257.600 sigaretten en/of(ongeveer) 154,83 kilogram tabak en/of(ongeveer) 411,75 kilogram waterpijptabak,althans een (grote) hoeveelheid (rook)tabak, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad,terwijl die/dat accijnsgoed(eren) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;
feit 2
hij op of omstreeks 25 februari 2026 te [plaats] , althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk (een) (grote) hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten:- 37.824 stuks sigaretten, althans een hoeveelheid sigaretten, en/of- 12.970 gram waterpijptabak, althans een hoeveelheid waterpijptabak, en/of- 2.382 gram rooktabak, althans een hoeveelheid rooktabak,voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad, terwijl die/dat accijnsgoed(eren)niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing warenbetrokken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
Verdachte heeft bij de Belastingdienst/FIOD bekend het onder feit 1 ten laste gelegde te hebben gepleegd en namens hem is ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [1] tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 september 2024 met documentcode V-001-02;
het proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2024 met documentcode AMB-005-01 met bijhorende bijlage met documentcode AMB-005-04;
het proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2024 met documentcode IBN-002-01;
het schriftelijke bescheid met documentcode DOC-047, waaruit blijkt dat verdachte niet over een accijnsgoederenplaats(AGP)-vergunning beschikte.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
Verdachte heeft ook bekend het onder feit 2 ten laste gelegde te hebben gepleegd en namens hem is ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen [2] tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
het proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 februari 2026 (pagina’s 103 tot en met 114);
het proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2026 (pagina’s 80 tot en met 82);
het proces-verbaal van bevindingen van 12 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet over een AGP-vergunning beschikte (pagina 10).
Ten aanzien van feit 1 en feit 2: individuele pleger
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde medeplegen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1
hij op 1 maart 2024 te [plaats] , opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten:- 1.257.600 sigaretten,
  • 154,83 kilogram tabak en
  • 411,75 kilogram waterpijptabak,
voorhanden en in opslag heeft gehad, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken;
feit 2
hij op 25 februari 2026 te [plaats] , opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten:- 37.824 stuks sigaretten,- 12.970 gram waterpijptabak, en- 2.382 gram rooktabak,voorhanden en in opslag heeft gehad, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 en feit 2
telkens het misdrijf:
het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns opgenomen verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, moet worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.
De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op twee verschillende momenten schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, tabak en waterpijptabak. In maart 2024 zijn grote hoeveelheden onveraccijnsde tabaksproducten aangetroffen in de woning en garage van verdachte. In februari 2026 werden opnieuw dergelijke goederen aangetroffen in de woning en schuur van verdachte. Dit zijn ernstige strafbare feiten. De illegale handel in sigaretten verstoort de reguliere markt voor tabakswaren en werkt ontwrichtend op de economische ordening en het fiscale systeem van het land. Illegale sigaretten worden doorgaans verkocht voor een prijs die ver beneden de reguliere prijs voor zulke producten ligt. Enerzijds wordt hiermee de accijnsverplichting voor aanzienlijke bedragen ontdoken, anderzijds brengt de illegale handel in accijnsgoederen oneerlijke concurrentie met zich ten opzichte van legale handelaren en bedrijven die wel voldoen aan hun verplichtingen in het kader van de accijnsheffingen. In deze strafzaak is de Nederlandse staat door het niet-betalen van de accijns op de sigaretten en de tabak voor een bedrag van ongeveer € 512.000,-- benadeeld. Het handelen van verdachte heeft ook een negatieve invloed op het anti-rookbeleid van de Nederlandse overheid. De overheid ontmoedigt, met het oog op de algemene volksgezondheid, actief het roken van tabak. Ten behoeve van dat beleid maakt de overheid gebruik van prijsverhogingen, op basis van heffingen en belastingen. Met de handel in illegale sigaretten wordt dit beleid ondermijnd. Bovendien geldt dat de productie- en handelsketen ten aanzien van illegale rookwaren niet traceerbaar is, wat ongunstig is voor het beleid in het kader van de volksgezondheid. Bij de aanwezigheid van extra gevaarlijke stoffen in de illegale rookwaar is het onmogelijk de producent van die rookwaar te achterhalen.
De persoon van de verdachte
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 mei 2026 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat verdachte bij de FIOD over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard en wat de raadsman ter zitting over de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft verteld. Verdachte is getrouwd en heeft vijf kinderen. Hij heeft geen werk en leeft van een uitkering en kinderbijslag. De eerder bij verdachte vastgestelde kanker is in remissie, maar hij ondergaat nog wel controleonderzoeken. De gezondheidssituatie van verdachte is nog altijd zeer kwetsbaar. Ter onderbouwing van de gezondheidssituatie van verdachte heeft de raadsman een medische rapportage van een arboarts van 22 april 2026 overlegd. De arboarts stelt vast dat bij verdachte sprake is van structurele functionele beperkingen en een zeer beperkte belastbaarheid, zonder reële re-integratiemogelijkheden. Er is een zeer intensief medisch traject ingezet vanwege ernstige medische aandoeningen met een gecompliceerd beloop. De rapportage geeft aan dat verdachte slechts beperkt in staat is tot het verrichten van de meest basale zelfzorg.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening gehouden met straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van fraude. Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 500.000,-- tot € 1.000.000,-- houden de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in van achttien tot vierentwintig maanden.
De rechtbank houdt voorts rekening met de reeds aan verdachte opgelegde naheffingsaanslag van € 509.713,-- en in strafmatigende zin de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder zijn zeer kwetsbare gezondheidssituatie. Ondanks deze strafmatigende factor is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, zoals door de raadsman is bepleit. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte kennelijk geen lering heeft getrokken uit de inbeslagname van de onveraccijnsde goederen in maart 2024 en de daarop volgende naheffingsaanslag, aangezien hij in februari 2026 opnieuw onveraccijnsde goederen voorhanden had. Bovendien heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor de door hem gepleegde feiten. Ook vanwege de zeer beperkte belastbaarheid van verdachte acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf niet passend.
De rechtbank acht het, alles afwegende, passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

7.De in beslag genomen voorwerpen

7.1
De standpunten van partijen
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geld wordt teruggeven aan verdachte, de in beslag genomen personenauto verbeurd wordt verklaard en de in beslag genomen vapes worden onttrokken aan het verkeer.
De raadsman heeft verzocht de in beslag genomen geldbedragen terug te geven aan verdachte. De raadsman heeft zich niet verzet tegen verbeurdverklaring van de personenauto en de onttrekking aan het verkeer van de vapes.
7.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan verdachte toebehorende op de beslaglijst vermelde geldbedragen van € 495,28 en € 20.650,-- aangezien deze geldbedragen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
De rechtbank is van oordeel dat de personenauto moet worden verbeurdverklaard, omdat hiermee het onder feit 1 bewezen verklaarde feit is begaan. De in beslag genomen vapes (672 stuks) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat zij voorzien zijn van een smaakje, daarmee in Nederland verboden zijn en het ongecontroleerde bezit daarvan dus in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
  • verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
  • verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 en feit 2
telkens het misdrijf:
het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns opgenomen verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
  • veroordeelt verdachte tot een
  • bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
  • dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de in beslag genomen voorwerpen
  • gelast de teruggave van de geldbedragen van € 20.650,-- en € 495,28 aan verdachte;
  • verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten de op de beslaglijst genoemde personenauto.
  • verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten de op de beslaglijst genoemde vapes;
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.

Voetnoten

1.Indien hierna wordt verwezen naar documenten zijn dit documenten uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Groningen, genaamd Sukth, met onderzoeksnummer 74128. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar documenten van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Indien hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of de pagina’s uit het dossier van de Douane, kantoor Groningen, genaamd TA2026 Egel, met nummer 2026650065846. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar documenten/bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.