ECLI:NL:RBOVE:2026:4043

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
C/08/339653 / HA ZA 25-360
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:81 BWArt. 6:265 BWArt. 6:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en afwikkeling aannemingsovereenkomst dakvervanging met discussie over verzuim en schadevergoeding

Eisers gaven gedaagde opdracht tot vervanging van het dak van hun woning. Na aanvang ontstond onenigheid over de kwaliteit van het werk en meerwerkposten, waarna eisers gedaagde de toegang tot het werk ontzegden. Diverse deskundigen brachten rapporten uit over de staat en waarde van het werk. Eisers stelden dat gedaagde in verzuim was en ontbonden de overeenkomst, terwijl gedaagde stelde dat eisers zelf in verzuim waren en hij de overeenkomst (gedeeltelijk) had ontbonden.

De rechtbank oordeelde dat eisers de overeenkomst terecht ontbonden hebben omdat gedaagde in verzuim was vanaf 4 november 2024. Eisers zijn niet in verzuim geraakt met betaling van de factuur van september 2023, omdat het werk toen nog niet was opgeleverd en zij de betaling mochten opschorten vanwege gebreken. De rechtbank kende eisers een aanvullende schadevergoeding toe van €816,75 voor door gedaagde veroorzaakte schade aan het plafond.

Gedaagde heeft recht op een waardevergoeding van €17.625,00 voor de reeds verrichte werkzaamheden en materialen, waarvan eisers €10.000,00 hadden betaald. Het resterende bedrag van €7.625,00 moet eisers aan gedaagde betalen. De overige vorderingen van partijen, waaronder vervangende schadevergoeding en incassokosten, werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De overeenkomst is ontbonden; eisers moeten gedaagde €7.625 betalen en gedaagde moet eisers €816,75 plus incassokosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339653 / HA ZA 25-360
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.M. Pol.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 oktober 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, van 3 december 2025 met producties,
- de brief van 3 december 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 14 januari 2026,
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waar partijen zijn verschenen bijgestaan door de advocaten. Mr. Pol heeft pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar de zaak over gaat

[gedaagde] zou werkzaamheden aan het dak verrichten voor [eisers] [gedaagde] is daarmee gestart, maar heeft de werkzaamheden niet afgemaakt omdat er discussie is ontstaan over de uitgevoerde bouwkundige werkzaamheden en over meerwerkposten.
Ondanks de deskundigenrapporten die zijn uitgebracht en gesprekken die (op locatie) zijn gevoerd, zijn partijen er niet uitgekomen. Volgens [eisers] is [gedaagde] is verzuim komen te verkeren, is de overeenkomst ontbonden en moet [gedaagde] de door hem veroorzaakte vervangende en aanvullende schade aan [eisers] betalen. [gedaagde] daarentegen stelt dat hij niet in verzuim is geraakt: hij wilde de werkzaamheden wel afmaken maar heeft daarvoor niet de gelegenheid gehad. [eisers] is zelf in verzuim geraakt. Volgens [gedaagde] is de overeenkomst (partieel) ontbonden en dat betekent dat de waarde van de reeds verrichte prestaties nog aan [gedaagde] betaald moet worden.
De rechtbank is van oordeel dat [eisers] de overeenkomst heeft ontbonden en dat [eisers] nog een bedrag van € 6.725,00 aan [gedaagde] moet betalen. [gedaagde] moet [eisers] een bedrag van € 816,75 aan aanvullende schadevergoeding betalen. De motivering van de beslissing volgt hierna.

3.De feiten

3.1
[eisers] heeft [gedaagde] een opdracht gegeven tot het vervangen van het dak van zijn woning.
3.2
[eisers] heeft (als productie 1) een offerte d.d. 21 augustus 2023 voor een bedrag van € 68.002,00 en een factuur d.d. 9 september 2023 voor een bedrag van € 41.434,64 overgelegd. [eisers] heeft een bedrag van € 10.000,00 betaald.
3.3
Vrij snel na de start van de werkzaamheden heeft [eisers] [gedaagde] niet meer toegelaten tot het werk.
3.4
Bij e-mail van 19 oktober 2023 heeft [gedaagde] [eisers] gevraagd of het mogelijk is bij elkaar te komen om te bespreken hoe het verder moet en om de onwenselijke situatie op te lossen.
3.5
Bij e-mail van 20 oktober 2023 is [gedaagde] door (de voormalig gemachtigde van) [eisers] op de hoogte gebracht van het inschakelen van een deskundige: Expertise Bureau Noord (hierna: EBN). Namens [gedaagde] is EMN ingeschakeld. Op 6 november 2023 heeft er een bouwkundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij zowel partijen als de inspecteurs van beide adviesbureaus aanwezig waren.
3.6
Op 20 november 2023 heeft EBN een concept bouwtechnisch rapport uitgebracht en op 16 januari 2024 een definitief rapport. In dit rapport staat onder meer:
(…)1. Hoe beoordeelt u de staat waarin het werk zich nu bevindt?Hoewel de werkzaamheden bij lange na niet zijn afgerond, beoordeelt EBN de staat waarin het werk zich nu bevindt als matig.(…)3. Wat is de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden?EBN schat de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden en aangevoerde materialen in op een bedrag van € 12.300,00 inclusief btw.(…)..
3.7
Op 3 april 2024 is er een eindrapport uitgebracht door EMN, als reactie op het rapport van EBN. Voor zover van belang staat in dit rapport onder andere:
‘(…)
1.
Gezien de aangeboden werkzaamheden in de offerte en de correcte dikte van de panlatten zijn wij het niet eens met de stelling dat de uitgevoerde werkzaamhedenmatigzijn. De punten waar nog aan gewerkt dient te worden zullen aangepast moeten worden maar dit zijn op hoofdlijnen geen grote ingrepen. De beoordeling betreft ook een stil gelegd werk en geen opgeleverd werk. De door verzekerde uitgevoerde werkzaamheden beoordelen wij alsgemiddeld met nog uit te voeren opleverpunten.(…)
3.
Dit betreft een raming en hierin zijn de kosten van de uitgevoerde asbestsanering van het dak niet meegenomen. Wij hebben van verzekerde alle facturen ontvangen van de geleverde materialen op het project. Deze zijn opgeteld circa € 9.300,00 conform onderstaand bericht. De kosten voor de asbestsanering bedragen € 6.443,25.(…)
De waarde van de tot op heden uitgevoerde werken zou hiermee hoger uitvallen dan de raming van EBN(…)
en valt hiermee circa € 13.000,00 inclusief btw hoger uit dan de berekening van EBN.(…)’.
3.8
Op 8 augustus 2024 heeft ing. W.G.J. Kemna van Brons Constructeurs een rapport uitgebracht van de statistische (her)berekening van de kapconstructie.
3.9
Bij brief van 24 september 2024 heeft (de advocaat van) [eisers] [gedaagde]
– samengevat – laten weten dat door de uitgevoerde werkzaamheden grote problemen zijn ontstaan in het werk. Ook de dakconstructie is onvoldoende en de constructieve veiligheid wordt niet gewaarborgd. [eisers] schrijft dat het werk opnieuw moet worden uitgevoerd en dat de constructie goed moet zijn. [eisers] heeft geen vertrouwen in [gedaagde], maar er moet wel op korte termijn een oplossing komen. Voor het begin van de winter moet de woning water-, wind- en glasdicht zijn, zodat [eisers] de woning kan gebruiken. De herstelwerkzaamheden moeten voor 16 december 2024 gereed zijn. [eisers] schort de verplichting op tot het moment dat [gedaagde] heeft voldaan aan de verplichtingen. De brief moet verder worden aangemerkt als een ingebrekestelling.
3.1
Op 30 oktober 2024 heeft tussen partijen een gesprek c.q. bezichtiging plaats gevonden bij [eisers] De heer [naam 1] was als vertegenwoordiger van [gedaagde] ook aanwezig. [gedaagde] is tijdens dit gesprek c.q. bezichtiging weggelopen.
3.11
Bij e-mail van 4 november 2024 laat [naam 1] aan de advocaat van [eisers] weten dat gezien de verstoorde verhoudingen en de gedane uitspraken door beide partijen er niet meer optimaal kan worden samengewerkt. [gedaagde] zal de werkzaamheden niet afmaken en vraagt betaling van € 19.000,00 van [eisers] De advocaat van [eisers] reageert daarop bij e-mail van 6 november 2024 dat [gedaagde] niet zomaar kan beslissen dat het werk niet wordt afgemaakt en dat de ontbinding van de overeenkomst een feit is nu [gedaagde] in verzuim is.
3.12
Bij brief van 30 juli 2025 heeft (de voormalig gemachtigde van) [gedaagde] aan (de advocaat van) [eisers] – samengevat – laten weten dat hij de kwestie wil afwikkelen, met het verzoek om binnen 14 dagen na heden te berichten of hij de gelegenheid krijgt om de werkzaamheden af te ronden conform de rapporten van EMN en Brons.
Verder staat in deze brief dat als er binnen de gestelde termijn geen bevestiging komt waarbij [gedaagde] tot herstel wordt toegelaten, [eisers] in gebreke is, waarbij [gedaagde] de overeenkomst partieel ontbindt. In dat geval zou [eisers] nog een bedrag van € 19.294,37 aan [gedaagde] moeten betalen.
3.13
Bij brief van 12 augustus 2025 heeft (de advocaat van) [eisers] (de voormalig advocaat van) [gedaagde] – samengevat – laten weten dat hij geen enkele reële oplossing nastreeft. [gedaagde] zou op 30 oktober 2024 hebben beaamd dat er fouten zijn gemaakt bij de constructie. Ook schrijft [eisers] dat [gedaagde] expliciet heeft verklaard dat hij de werkzaamheden niet wenst af te maken en dat [eisers] de tot op dat moment uitgevoerde werkzaamheden dient te betalen. [gedaagde] is al geruime tijd in verzuim omdat hij tijdens de bijeenkomst heeft aangegeven de woning niet af te zullen bouwen en het dak niet zal herstellen. [eisers] ontbindt in deze brief de overeenkomst en zij acht zich niet meer gebonden aan de overeenkomst. De schade verhaalt [eisers] op [gedaagde], wat neer komt op een bedrag van € 49.045,54 aan directe schade. De indirecte schade moet nog worden vastgesteld.

4.Het geschil

de vorderingen
in conventie4.1 [eisers] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen hem en [gedaagde] omtrent de verbouwing van het dak van de woning aan de [adres], voor zover de overeenkomst nog bestaat, wordt ontbonden wegens een aan [gedaagde] toe te rekenen tekortkoming;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 83.994,45 inclusief btw + p.m., te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het moment van de ingebrekestelling op 24 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de contractuele- dan wel buitengerechtelijke incassokosten van € 1.450,50;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2
Het standpunt van [eisers] komt erop neer dat hij de overeenkomst mocht ontbinden en dat [gedaagde] hem daarom de gevorderde bedragen moet betalen.
in reconventie4.3 [gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
I. een bedrag van € 34.372,40 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2024 tot en met de dag van volledige betaling;
II. een bedrag van € 2.825,00 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
3 december 2025 tot en met de dag van volledige betaling;
III. een bedrag van € 2.017,25 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot en met de dag van volledige betaling;
IV. een bedrag van € 967,94 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
3 december 2025 tot en met de dag van volledige betaling;
V. de proceskosten.
4.4
Volgens [gedaagde] is sprake van verzuim van [eisers] , omdat hij het hem in rekening gebrachte bedrag niet tijdig heeft betaald. Hij mocht de overeenkomst dan ook gedeeltelijk ontbinden (voor zover het gaat om het nog niet uitgevoerde deel). Voor zover het gaat om het al wel uitgevoerde deel heeft hij recht op betaling van het hiervoor onder I. vermelde bedrag. Het onder II. vermelde bedrag betreft de gemiste marge over het nog niet verrichte werk. De vorderingen onder III. en IV. zien respectievelijk op de kosten van de ingeschakelde deskundige en de buitengerechtelijke kosten.
het verweer
4.5
Beide partijen ([gedaagde] in conventie, [eisers] in reconventie) menen dat zij niet tot betaling gehouden zijn. Op hetgeen zij in dat verband hebben aangevoerd, zal, voor zover nodig, in het navolgende worden ingegaan.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Inhoud overeenkomst
5.2
De offerte maakt melding van (onder meer
) “sporen ophogen met 120x60 mm balken/regels, spinvliesdoek, nieuwe pannen (het afhalen en weer opleggen is niet gerekend), gevelpannen, overstekken, steiger, alle bevestigingsmiddelen voor dak en pannen”voor een bedrag van € 26.700,00, te vermeerderen met btw.
Op de factuur zijn, naast bovenstaande werkzaamheden, ook andere werkzaamheden met de daarvoor in rekening gebrachte bedragen (alle te vermeerderen met btw) vermeld:
“inventarisatierapport en sloopmelding LAVS (€ 675,00), asbestsanering (€ 5.000,00), pannen eraf halen (€ 350,00), kipper dakpannen (€ 125,00), container schoorsteen en schoorsteen slopen (€ 250,00), extra uren voor isoleren onder de zijkanten waar je later niet meer bij kunt (2x 4 uur) (€ 380,00) , m2 isolatie dak rd 7.4 (€ 522,00), m2 isolatie rd 4.1 (dubbel verwerkt) (€ 241,50)”.
5.3
Tussen partijen is niet in geschil dat er een asbestsanering (door [naam 2]) heeft plaatsgevonden, maar zij zijn het er niet over eens of dit in opdracht van [eisers] was of in opdracht van [gedaagde] (in onderaanneming). Volgens [eisers] wilde hij de asbestsanering laten uitvoeren door [naam 2]. Die partij gaf aanvankelijk te kennen geen tijd te hebben, maar was, nadat [gedaagde] contact had opgenomen, wel bereid de werkzaamheden te verrichten. [gedaagde] kan geen aanspraak maken op betaling voor deze werkzaamheden, aldus [eisers]
5.4
Naar het oordeel van de rechtbank is bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing niet komen vast te staan dat de asbestsanering onderdeel uitmaakt van de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde]. Dat laat onverlet dat deze werkzaamheden door [naam 2] zijn verricht en door die partij bij [gedaagde] in rekening zijn gebracht (volgens het rapport van EMN een bedrag van € 6.443,25 inclusief btw).
Hierin wordt aanleiding gezien voor het oordeel dat [eisers] uit hoofde van artikel 6:212 BW Pro gehouden is tot betaling van een bedrag van € 5.325,00 (voormeld bedrag van € 6.443,25 minus de btw, omdat aangenomen wordt dat [gedaagde] de btw kan verrekenen). [eisers] is immers zonder redelijke grond verrijkt ten koste van [gedaagde] tot dit bedrag.
Wie heeft de overeenkomst ontbonden?
5.5
Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst voortijdig (voor oplevering) is beëindigd en dat er op dat moment sprake was van gebreken (vele volgens [eisers] , enkele volgens [gedaagde]), maar zij verschillen van mening over de wijze waarop de overeenkomst is geëindigd; volgens [eisers] door ontbinding zijnerzijds, volgens [gedaagde] omdat hij de overeenkomst heeft ontbonden.
5.6
Artikel 6:265 BW Pro vermeldt drie voorwaarden aan de bevoegdheid een overeenkomst te ontbinden. In de eerste plaats moet er sprake zijn van een tekortkoming van de wederpartij in de nakoming van een van haar verbintenissen (lid 1). Die tekortkoming moet deze ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigen. Indien dat het geval is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, pas wanneer de schuldenaar in verzuim is (art. 6:265 lid 2 BW Pro).
5.7
De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van artikel 6:82 BW Pro (ingebrekestelling) en artikel 6:83 BW Pro (verzuim zonder ingebrekestelling) is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is (artikel
6:81 BW).
5.8
Het standpunt van [gedaagde] komt erop neer dat [eisers] in verzuim is komen te verkeren, omdat hij het met de factuur van 9 september 2023 in rekening gebrachte bedrag, ondanks aanmaningen op 19 oktober 2023 en 7 januari 2024, niet heeft voldaan (punt 7 pleitnota). Voor zover [eisers] voormeld bedrag niet heeft voldaan in verband met (beweerde) gebreken in het werk, geldt dat deze geen tekortkomingen opleveren, omdat het werk nog niet was opgeleverd (punt 26 conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie), aldus [gedaagde].
5.9
Voormeld standpunt gaat niet op. Niet is komen vast te staan dat er afspraken zijn gemaakt omtrent het moment van betaling van de overeengekomen prijs. De enkele stelling van [gedaagde] in zijn pleitnota dat [eisers] heeft gesteld dat de factuur van 9 september 2023 ook “de afspraken” tussen partijen (en daarmee ook een fatale datum voor betaling) bevat, is daarvoor onvoldoende. Bij gebreke van afspraken ontstaat het recht van de aannemer op betaling van de verschuldigde prijs op het moment dat hij zich naar behoren van zijn prestatieplicht heeft gekweten. Dat is het moment dat hij het werk naar de bepalingen van de overeenkomst tot stand heeft gebracht en opgeleverd. Dat was ten tijde van de factuur van
9 september 2023 niet het geval.
5.1
Daarbij komt nog dat, zelfs als partijen zouden hebben afgesproken dat [eisers] voormeld bedrag binnen de op de factuur vermelde datum zou betalen, hij zijn betalingsverplichting mocht opschorten, gelet op de gebreken in het tot dan toe tot stand gebrachte werk. Anders dan [gedaagde] meent, kan een aannemer wel degelijk (ook) al vóór de oplevering gehouden zijn gebreken in reeds verrichte werkzaamheden te herstellen.
Op een aannemer rust namelijk een doorlopende verplichting om goed en deugdelijk werk te leveren en, daaraan gekoppeld, een doorlopende verplichting om niet deugdelijk uitgevoerd werk alsnog deugdelijk uit te voeren. Dat [eisers] , gelet op de (omvang van de) gebreken niet tot opschorting van de volledige betalingsverplichting mocht overgaan, is niet, althans onvoldoende gesteld of gebleken.
5.11
De conclusie met betrekking tot het voorgaande is dat [eisers] (nog) niet gehouden was tot betaling van het door [gedaagde] in rekening gebrachte bedrag en dat hij niet in verzuim is komen te verkeren.
5.12
[gedaagde] daarentegen is wel in verzuim komen te verkeren per 4 november 2024. Uit de onder 3.11 vermelde mail mocht [eisers] namelijk afleiden dat [gedaagde] in de nakoming zou tekortschieten. [eisers] was dan ook bevoegd de overeenkomst te ontbinden en heeft dat met zijn mail van 6 november 2024 ook gedaan.
Gevolgen ontbinding
5.13
Ingevolge artikel 6:271 BW Pro bevrijdt een ontbinding van een overeenkomst de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.
Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272 lid 1 BW Pro). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (artikel 6:272 lid 2 BW Pro). De schuldeiser van een waardevergoedingsvordering draagt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van die vordering.
5.14
Het door [eisers] overgelegde rapport van de door hem ingeschakelde deskundige EBN maakt melding van een aan de werkzaamheden tot de ontbinding toe te kennen waarde van € 12.300,00. [gedaagde] heeft deze vordering, onder verwijzing naar het rapport van EMN, betwist. EMN komt uit op de volgende bedragen: € 1.686,14 voor extra werkzaamheden inclusief materiaal, € 6.952,77 voor geleverde materialen en € 10.083,33 voor 200 manuren (alle bedragen inclusief btw); een bedrag van € 18.722,24 in totaal. Over deze manuren schrijft EMN:
“Conform opgave van verzekerde zijn circa 200 uren besteed door verzekerde en zijn leerling-timmerman.”In haar tabel vermeldt zij als verdeling
“2/3 [gedaagde] en 1/3 leerling”. Dit zou inhouden dat [gedaagde] zo’n 133 uren aan de werkzaamheden heeft besteed. In het feit dat de werkzaamheden volgens het rapport van EBN zouden zijn gestart op 30 augustus 2023 – waarbij is begonnen met de (geen onderdeel van deze overeenkomst uitmakende) asbestsanering – en [gedaagde] ter zitting te kennen gaf na 8 september 2023 geen werkzaamheden te hebben verricht ziet de rechtbank echter aanleiding EMN op dit punt niet te volgen. EMN zal evenmin worden gevolgd met betrekking tot het voor de geleverde materialen opgenomen bedrag, nu niet duidelijk is geworden dat al deze materialen al daadwerkelijk waren gebruikt/verwerkt.
De rechtbank gaat dan ook uit van de door EBN aan de prestatie toegekende waarde.
5.15
Uit het voorgaande volgt dat [eisers] [gedaagde] (€ 5.325,00 + € 12.300,00 =)
€ 17.625,00 verschuldigd is, waarvan hij € 10.000,00 heeft betaald.
De wettelijke rente over het nog verschuldigde bedrag van € 7.625,00 wordt toegewezen met ingang van 3 december 2025 (de dag van de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie), nu gesteld noch gebleken is dat [eisers] eerder in verzuim is geraakt met betrekking tot de voldoening van de waardevergoedingsvordering.
Vervangende schadevergoeding
5.16
Volgens [eisers] moet hij voor het (af)maken van het dak nog een bedrag van
€ 49.045,54 betalen en hij vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling daarvan. Deze vordering is niet toewijsbaar. Omdat de overeenkomst is ontbonden, is [eisers] de aanneemsom niet verschuldigd, maar hij kan dan geen aanspraak maken op vervangende schadevergoeding.
Aanvullende schadevergoeding
5.17
[eisers] heeft verder gesteld dat hij voor een bedrag van € 24.948,91 + p.m. aan “bijkomende schade” heeft geleden. Volgens [gedaagde] moet deze vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
5.18
In het rapport van EBN staat dat het plafond in de slaapkamer achter de woonkamer is beschadigd en dat [gedaagde] heeft erkend dat deze schade door zijn mensen is veroorzaakt. In de kostenraming is een bedrag van € 675,00 exclusief btw opgenomen voor “plafond herstellen slaapkamer”. De gevorderde schadevergoeding is dan ook tot een bedrag van
€ 816,75 (voormeld bedrag van € 675,00 vermeerderd met btw) toewijsbaar. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen als gevorderd, dus met ingang van 24 september 2024. Daarbij wordt, ten overvloede, opgemerkt dat een vordering tot betaling van schadevergoeding ingevolge artikel 6:83 aanhef Pro en onder b BW zonder ingebrekestelling opeisbaar is op het moment waarop de schade wordt geleden, of in verband met de wijze van schadebegroting geacht moet worden te zijn geleden.
5.19
Voor toewijzing van een bedrag van € 7.666,95 + p.m. aan “juridische kosten tot datum dagvaarding, daarna p.m.” bestaat geen aanleiding. Nog daargelaten de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld in de proceskosten – deze vraag wordt hierna nog beantwoord – geldt dat een uitzondering op het in de artikelen 237-240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering weergegeven regime alleen mogelijk is onder buitengewone omstandigheden, zoals wanneer sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
5.2
Voor de overige posten (“extra kosten van energie”, “huur units 12 maanden en transport”, “advies schade experts/berekening en facturen”, “extra verwarming/apparatuur”, “dekzeil voor afdekken dak”, “kosten expertise Blenke” en “schade aan de bestrating om de woning (riool herstellen)”) geldt dat een deugdelijke onderbouwing ontbreekt. De door
[eisers] in dit verband overgelegde producties (een afbeelding van een bij Action verkrijgbare convectorverwarming, een afbeelding van een bij Bauhaus verkrijgbaar afdekzeil en een pagina van een (kennelijk) door A2 Experts opgesteld overzichtje met daarin een bedrag van € 500,00 voor “aanpassen straatwerk”) zijn daarvoor onvoldoende.
Ontbindingsschade5.21 De rechtbank stelt voorop dat de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd (hier: [gedaagde]), op grond van artikel 6:277 lid 1 BW Pro verplicht is haar wederpartij (hier: [eisers] ) de schade te vergoeden die de wederpartij lijdt, doordat in plaats van wederzijdse nakoming ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.
De omvang van deze schadevergoeding dient te worden vastgesteld door met elkaar in vergelijking te brengen, enerzijds, de hypothetische situatie waarin [eisers] zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming en, anderzijds, de feitelijke situatie waarin hij na ontbinding van de overeenkomst verkeert.
5.22
Volgens [eisers] – die voor de met [gedaagde] overeengekomen werkzaamheden een bedrag van € 12.300,00 verschuldigd is – moet hij voor het voltooien van het werk een bedrag van € 49.045,54 betalen. Hij heeft dus geen schade geleden ten gevolge van de ontbinding. Bij correcte nakoming door [gedaagde] van de overeenkomst had [eisers] immers méér moeten betalen dan (€ 12.300,00 + € 49.045,54).
Misgelopen marge
5.23
Van toewijzing van deze vordering van [gedaagde] kan geen sprake zijn, aangezien
[eisers] bevoegd was de overeenkomst te ontbinden.
Conclusie in conventie
5.24
Uit het voorgaande volgt dat [eisers] jegens [gedaagde] recht heeft op een bedrag van
€ 816,75 aan aanvullende schadevergoeding. Met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn, zal aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten een bedrag van
€ 148,24 worden toegewezen.
Conclusie in reconventie
5.25
[eisers] is [gedaagde] een bedrag van € 7.625,00 verschuldigd.
Nu [gedaagde] [eisers] geen aanmaning heeft gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro komen de door [gedaagde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking. De vordering met betrekking tot de kosten van de door hem ingeschakelde deskundigen komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. Deze kosten kunnen slechts worden gevorderd indien zij zijn gemaakt als gevolg van gedragingen waarvoor de wederpartij aansprakelijkheid draagt. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
5.26
In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten zowel in conventie als in reconventie te compenseren.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie6.1 verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eisers] en [gedaagde] omtrent de verbouwing van het dak van de woning aan de [adres] is ontbonden,
6.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 816,75, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.3 veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 148,24 aan buitengerechtelijke incassokosten,
in reconventie
6.4
veroordeelt [eisers] hoofdelijk om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van
€ 7.625,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
6.5
verklaart de onderdelen 6.2, 6.3 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad,
6.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.