ECLI:NL:RBOVE:2026:4035

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
12203259 \ CV EXPL 26-1451
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13/EEGArtikel 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArtikel 3 Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

Havast Beheer B.V. verhuurt een woning aan twee huurders die een huurachterstand hebben opgebouwd van acht maanden, oplopend tot €10.264,49. Na aanmaningen en het wijzen op schuldhulpverlening, vordert Havast ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de achterstand met rente en gebruiksvergoeding.

De huurders erkennen de achterstand en geven aan deze te willen inlopen, maar blijven in gebreke. De kantonrechter oordeelt dat de achterstand ernstig genoeg is voor ontbinding en ontruiming, mede gelet op de duur van de achterstand en het ontbreken van voldoende compensatie. De belangen van eventuele kinderen zijn meegewogen, maar rechtvaardigen geen uitstel.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat het beding in de algemene voorwaarden niet voldoet aan de wettelijke eisen en daarmee oneerlijk is. De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur met rente, een gebruiksvergoeding tot ontruiming, en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurders worden veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur met rente en gebruiksvergoeding, terwijl incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12203259 \ CV EXPL 26-1451
Vonnis van 30 juni 2026
in de zaak van
HAVAST BEHEER B.V.,
te Baarn,
eisende partij,
hierna te noemen: Havast,
gemachtigde: mr. M.C. Blok,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Havast verhuurt een woning aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die een huurachterstand hebben laten ontstaan. De kantonrechter oordeelt dat zij tekort zijn geschoten in hun betalingsverplichtingen en ontbindt de huurovereenkomst. Zij moeten de woning ontruimen, de achterstand met rente betalen en een gebruiksvergoeding voldoen tot aan de ontruiming. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 16 juni 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1
Havast verhuurt met ingang van 1 juli 2024 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.327,28 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben (een deel van) de huur niet betaald. Havast heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangemaand op 28 januari 2025 om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen.
2.3
Havast heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben daarop niet afwijzend gereageerd. Havast heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1
Havast vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 10.264,49 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2
Havast legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in hun verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan hun betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Havast de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en geven hierbij aan dat de huurachterstand is ontstaan door een opeenstapeling van persoonlijke omstandigheden. Zij geven aan dat het inlopen van de huurachterstand momenteel hun hoogste prioriteit heeft. [gedaagde 1] verwacht de lopende huurtermijn te kunnen voldoen met zijn salaris over de maand mei en de bestaande achterstand af te lossen met zijn overige inkomsten. Daarnaast benadrukt hij dat ze graag in de woning willen blijven wonen.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Havast heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.2
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet weersproken dat er een huurachterstand is die tot en met juni 2026 berekend is op een bedrag van € 10.264,49. De kantonrechter zal de gevorderde betaling hiervan dan ook toewijzen.
4.3
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.4
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand 6 maanden. Daarna is de huurachterstand opgelopen en bedraagt de huurachterstand inmiddels 8 maanden.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben nog omstandigheden aangevoerd. De betaling van de huurachterstand heeft hun prioriteit, maar zij begrijpen ook de positie van de verhuurder.
4.5
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht. [3] Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. [4] Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
4.6
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.7
Havast wil ook dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 1.327,28, te rekenen vanaf de maand juli 2026 tot het moment dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde ontruimen. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog in het gehuurde verblijven. Deze vordering zal worden toegewezen.
4.8
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.9
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.1
De voor de vordering relevante bedingen in artikel 25.2 van de algemene voorwaarden zijn getoetst en niet eerlijk bevonden.
4.11
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 462,83 zijn niet toewijsbaar, omdat sprake is van een oneerlijk beding. Havast heeft in de algemene huurvoorwaarden in artikel 25.2 het volgende oneerlijke beding opgenomen over incassokosten:
“In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit Incassokosten niet van toepassing is.”
4.12
Op grond van de wet is een consument pas incassokosten verschuldigd als hij een veertiendagenbrief heeft ontvangen die aan alle in artikel 6:96 lid 6 BW Pro genoemde eisen voldoet. Deze eisen zijn echter niet opgenomen in artikel 25.2 van de algemene huurvoorwaarden. Havast stelt dat zij betaling op grond van de wet heeft gevorderd, maar dat maakt niet uit, omdat zij zich wel op de betalingsvoorwaarden zou kunnen beroepen. Dit kan ertoe leiden dat de Havast te veel en/of te hoge kosten in rekening brengt bij de consument en dat maakt het beding oneerlijk. Nu sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk. [5]
Proceskosten
4.13
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Havast worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,59
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.578,59
4.14
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],
5.2
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Havast zijn, en de sleutels af te geven aan Havast,
5.3
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om te betalen aan Havast:
- € 10.264,49 aan achterstallige huur tot en met juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
- € 1.327,28 per maand vanaf juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.578,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken door mr. A.H. Margadant op 30 juni 2026. (jb)

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
3.HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.
4.Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
5.HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68.