ECLI:NL:RBOVE:2026:3998

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
11986739 \ CV EXPL 25-3775
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:265 BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding marketingovereenkomst en betaling websitefactuur na beëindiging samenwerking

Partijen sloten twee overeenkomsten: een voor marketingwerkzaamheden en een voor het bouwen van een website. Partij A beëindigde de samenwerking en vorderde betaling van openstaande facturen. Partij B stelde dat partij A tekortgeschoten was en ontbond de overeenkomsten, vorderde terugbetaling en schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat partij A de marketingovereenkomst onregelmatig had opgezegd zonder geldige reden, waardoor partij B deze overeenkomst mocht ontbinden. Hierdoor hoeft partij B de factuur voor marketingwerkzaamheden niet te betalen. De vorderingen van partij B tot terugbetaling en schadevergoeding met betrekking tot de marketingovereenkomst werden afgewezen.

Ten aanzien van de websiteovereenkomst stelde de kantonrechter vast dat de oplevertermijn was uitgesteld en dat partij A bereid was de website te leveren. Partij B mocht de websiteovereenkomst niet ontbinden en moet de factuur voor de laatste fase van de website betalen, inclusief contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Partij B mag de marketingovereenkomst ontbinden en hoeft de marketingfactuur niet te betalen, maar moet de factuur voor de website inclusief rente en incassokosten voldoen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11986739 \ CV EXPL 25-3775
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij A] B.V.,
uit [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. R. de Hoop,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij B] B.V.,
uit [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. B. Blom.

1.Waar gaat deze zaak over?

Partijen zijn overeengekomen dat [partij A] voor [partij B] marketingwerkzaamheden verricht en een website bouwt. [partij A] heeft de samenwerking beëindigd en vordert in conventie betaling van een tweetal facturen voor de afzonderlijke overeenkomsten. Volgens [partij B] is [partij A] door de beëindiging en het niet leveren van de website tekortgeschoten. Daarom doet [partij B] in deze procedure een beroep op ontbinding van de twee overeenkomsten. In reconventie vordert [partij B] onder meer terugbetaling van de bedragen die zij al voor de website heeft betaald. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [partij B] de marketingovereenkomst kan ontbinden, maar de websiteovereenkomst niet. Dit leidt ertoe dat [partij B] de door [partij A] gevorderde factuur voor de marketingwerkzaamheden niet hoeft te betalen, maar de factuur voor de website inclusief de contractuele rente wel. De reconventionele vorderingen worden grotendeels afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties van 18 november 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
  • de mondelinge behandeling van 16 juni 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de op de mondelinge behandeling overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen van mr. de Hoop en mr. Blom.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat de kantonrechter vandaag uitspraak zal doen.

3.De feiten

3.1.
Op 27 september 2024 heeft [partij A] voor het verrichten van maandelijkse marketingwerkzaamheden de volgende offerte uitgebracht:
3.2.
[partij B] is akkoord gegaan met de offerte.
3.3.
Op 25 oktober 2024 heeft [partij A] voor het bouwen van een nieuwe website de volgende offerte uitgebracht:
3.4.
[partij B] is op 21 november 2024 akkoord gegaan met de offerte.
3.5.
[partij B] heeft de door [partij A] in rekening gebrachte facturen voor fase 1, 2 en 3 van de website van in totaal € 7.345,35 (inclusief btw) betaald.
3.6.
Op 1 juli 2025 heeft [partij A] voor de marketingwerkzaamheden voor de maand juli een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.064,80 (inclusief btw). [partij B] heeft deze factuur niet betaald.
3.7.
Op 2 juli 2025 heeft [partij A] een e-mail aan [partij B] gestuurd waarin – voor zover van belang – staat:

Door onze gesprekken en het mailverkeer van afgelopen tijd heb ik het gevoel gekregen dat wij een andere visie hebben op de reclame-toepassingen voor jullie merken. Zo adviseren wij bijv. geen Google Ads, en andere partijen wel. En dat mag, dat hoort in onze branche. Verschillende visies en richtlijnen. Dat kan ook resulteren in een mismatch in bureau/merk en naar mijn inziens is dat nu (in de loop der tijd) ontstaan en zal dat ook niet meer veranderen in de toekomst.
Daarom hebben wij besloten om onze samenwerking af te ronden en over te dragen aan een ander bureau ( [naam 1] , [naam 2] , andere voorkeur van uit jullie). Dit zal per augustus zijn, zodat we de overdracht voor[…]
[partij B] goed kunnen overdragen.
[…]
Ik zal een offboarding in gang zetten en ervoor zorgen dat alle openstaande zaken zoals de website en de video’s met [naam 3] worden afgerond en/of ingepland.
Partijen hebben hierna veelvuldig e-mailcontact gehad.
3.8.
Op 14 augustus 2025 heeft [partij A] voor fase 4 van de website een factuur gestuurd ter hoogte van € 2.643,85 (inclusief btw). [partij B] heeft deze factuur niet betaald.
3.9.
De website is nog niet opgeleverd.

4.Het geschil

Wat vordert [partij A] ?
4.1.
[partij A] vordert – samengevat en onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring – veroordeling van [partij B] tot betaling van € 3.708,65, de contractueel overeengekomen wettelijke handelsrente vermeerderd met 2%, de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 495,87, de kosten van het opvragen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel van € 2,85 en tot slot de proceskosten.
Wat vindt [partij B] daarvan?
4.2.
[partij B] voert verweer en concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [partij B] in reconventie vordert dat de kantonrechter – samengevat en onder uitvoerbaar bij voorraad verklaring – voor recht verklaart dat [partij A] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomsten en dat [partij B] de overeenkomsten rechtsgeldig heeft ontbonden. [partij B] vordert ook veroordeling van [partij A] tot terugbetaling van € 7.345,35 (inclusief btw) en verder betaling van € 2.202,20 en € 850,00 als ook vermeerdering van deze bedragen met de wettelijke rente. Haar vordering tot betaling van € 242,00 heeft [partij B] ter zitting ingetrokken. Tot slot vordert [partij B] veroordeling van [partij A] in de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie.
4.3.
De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor de beslissing, verder in op de stellingen van beide partijen. Omdat de vorderingen van [partij A] en de tegenvorderingen van [partij B] nauw met elkaar samenhangen, zullen ze gezamenlijk worden behandeld.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

Inleiding
5.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [partij A] met haar e-mail van 2 juli 2025 de samenwerking eenzijdig heeft beëindigd. Daarna hebben partijen geprobeerd om tot een afronding en financiële afwikkeling van de samenwerking te komen. Zij zijn daar niet uitgekomen en vragen de kantonrechter nu een juridisch oordeel te geven.
5.2.
Partijen zijn het erover eens dat de samenwerking bestond uit twee overeenkomsten van opdracht. Een overeenkomst zag op het verrichten van maandelijkse marketingwerkzaamheden door [partij A] voor [partij B] waarvoor [partij B] maandelijks betaalde (hierna: de marketingovereenkomst). De andere overeenkomst was een eenmalige opdracht tot het bouwen van een nieuwe website op grond waarvan [partij A] verplicht was een website te leveren tegenover betaling door [partij B] in vier termijnen (hierna: de websiteovereenkomst).
5.3.
De vordering van [partij A] tot betaling van € 3.708,65 (inclusief btw) bestaat uit de openstaande factuur voor de marketingwerkzaamheden voor de maand juli ter hoogte van € 1.064,80 (inclusief btw) en de openstaande factuur voor fase 4 van de nieuwe website ter hoogte van € 2.643,85 (inclusief btw). Aan haar vordering tot betaling van die facturen heeft [partij A] ten grondslag gelegd dat [partij B] die facturen op grond van de overeenkomsten moet betalen. [partij B] heeft echter een beroep op ontbinding van de twee overeenkomsten gedaan. [partij B] heeft daartoe gesteld dat [partij A] , door de samenwerking op te zeggen en de website niet te leveren, tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. [partij A] stelt juist dat zij de levering van de website mocht opschorten, omdat [partij B] de facturen niet betaalde. Beoordeeld moet dan ook worden wie als eerste tekortgeschoten is in haar contractuele verplichtingen en of [partij B] recht had de overeenkomst te ontbinden. De kantonrechter moet daarvoor eerst de vraag beantwoorden of [partij A] de overeenkomsten onregelmatig heeft opgezegd. In dat geval zou het beroep op ontbinding door [partij B] kunnen slagen. De kantonrechter zal dit hierna per overeenkomst beoordelen.
De marketingovereenkomst
5.4.
Op grond van de marketingovereenkomst was [partij A] verplicht maandelijks de sociale media kanalen van [partij B] te onderhouden en aanvullende, andere werkzaamheden te verrichten, zoals DTP/vormgeving, copywriting en kleine aanpassingen aan de bestaande website door te voeren. [partij A] heeft in haar dagvaarding toegelicht dat de marketingovereenkomst in ieder geval tot 31 oktober 2025 liep. Dit heeft [partij B] niet tegengesproken, zodat de kantonrechter ook van die duur zal uitgaan. In haar e-mail van 2 juli 2025 heeft [partij A] vervolgens meegedeeld dat zij de samenwerking afrondt en overdraagt ‘
per augustus’. Dat betekent dat zij de overeenkomst vroegtijdig heeft beëindigd. Aan de orde is de vraag of dit ook onregelmatig was.
5.5.
Ter onderbouwing van het standpunt dat de opzegging van de marketingovereenkomst onregelmatig was, heeft [partij B] allereerst een beroep gedaan op artikel 7:408 lid 2 BW Pro. In dat artikel is – kort gezegd – bepaald dat een opdrachtnemer in dit geval een overeenkomst enkel kan opzeggen als sprake is van gewichtige redenen. [partij B] heeft aangevoerd dat geen gewichtige redenen aanwezig zijn en [partij A] de overeenkomsten dus niet heeft mogen opzeggen. Aan dit verweer gaat de kantonrechter voorbij. Artikel 7:408 lid 2 BW Pro is, zoals [partij A] terecht heeft betoogd, van regelend recht en partijen zijn daarvan afgeweken middels artikel 10 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden van [partij A] . In artikel 10 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden is – samengevat – bepaald dat als [partij B] haar verplichtingen tegenover [partij A] niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt, zij vanaf dat moment in verzuim is zonder ingebrekestelling en [partij A] onder meer het recht heeft de overeenkomst(en) te beëindigen. [partij A] stelt dat dit het geval is en heeft daartoe gedurende de procedure verschillende redenen aangevoerd. De kantonrechter komt tot het oordeel dat geen van de redenen slaagt.
[partij B] is niet tekortgeschoten ten aanzien van de marketingovereenkomst
5.6.
Allereerst heeft [partij A] aangevoerd dat de samenwerking steeds moeizamer verliep en dat dit ook uiteindelijk heeft geleid tot de opzegging. In haar e-mail van 2 juli 2025 schrijft [partij A] dat ‘
een mismatch in bureau/
merk’is ontstaan, waardoor zij heeft ‘
besloten om onze samenwerking af te ronden’. Los van het gegeven dat [partij B] heeft betwist dat de samenwerking niet goed verliep, biedt dit en de uiteindelijke ‘mismatch’ naar het oordeel van de kantonrechter geen juridische grond om te kunnen spreken van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen door [partij B] .
5.7.
Verder heeft [partij A] gesteld dat [partij B] tekortgeschoten is in haar betalingsverplichtingen. Dat gaat ook niet op. Weliswaar heeft [partij A] de factuur voor de marketingwerkzaamheden voor de maand juli op 1 juli 2025 verstuurd, maar de factuur had als vervaldatum 15 juli 2025 en was daarmee ten tijde van de opzegging nog niet verschuldigd. Bovendien was de factuur voor de laatste fase van de website op dat moment nog helemaal niet verstuurd. Van een betalingsachterstand ten tijde van het beëindigen van de samenwerking op 2 juli 2025 was dus geen sprake zodat [partij B] ook op dit punt niet tekortgeschoten is.
5.8.
Tot slot heeft [partij A] op de zitting het standpunt ingenomen dat [partij B] tekortgeschoten is omdat zij artikel 3 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden heeft geschonden. Artikel 3 lid 2 bepaalt Pro dat [partij B] zonder voorafgaande toestemming van [partij A] niet gerechtigd is om de overeengekomen werkzaamheden (tevens) door een derde te laten verzorgen. [partij B] heeft betwist dat er derden zijn ingeschakeld zonder toestemming van [partij A] . [partij A] heeft haar stelling vervolgens niet onderbouwd. Sterker nog, [partij A] heeft toegelicht dat [partij B] een derde partij heeft ingeschakeld om juist de marketingwerkzaamheden te verrichten die [partij A] zelf niet zou uitvoeren. Ook op dit punt is er dus onvoldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van een tekortkoming door [partij B] .
5.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat het niet is komen vast te staan dat [partij B] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de marketingovereenkomst. Dat betekent dat [partij A] , door de marketingovereenkomst toch zonder contractuele grond op te zeggen, is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De vervolgvraag is of [partij B] de marketingovereenkomst heeft mogen ontbinden. Het antwoord daarop is bevestigend.
[partij B] mocht de marketingovereenkomst ontbinden
5.10.
In artikel 6:265 BW Pro is bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verplichtingen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst te ontbinden. De bevoegdheid om te mogen ontbinden, ontstaat in beginsel wanneer de wederpartij in verzuim is.
5.11.
Zoals hiervoor is vastgesteld, is [partij A] door het opzeggen van de werkzaamheden zonder rechtsgeldige reden, tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen van de marketingovereenkomst. In haar e-mail van 2 juli 2025 schrijft [partij A] dat zij de samenwerking per augustus zal overdragen aan een ander bureau. Uit deze mededeling heeft [partij B] naar het oordeel van de kantonrechter mogen afleiden dat [partij A] geen marketingwerkzaamheden meer zou verrichten hoewel de overeenkomst nog tot oktober 2025 voortduurde. Met die mededeling is [partij A] zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt (artikel 6:83 sub c BW Pro). De conclusie is dat [partij B] de marketingovereenkomst heeft mogen ontbinden. Dat betekent dat de door [partij B] in reconventie gevorderde verklaring voor recht in zoverre voor toewijzing gereed ligt, dat voor recht kan worden verklaard dat [partij A] ten aanzien van de marketingovereenkomst tekortgeschoten is in de nakoming daarvan en [partij B] die overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden.
[partij B] hoeft de factuur voor de marketingwerkzaamheden niet te betalen
5.12.
Het gevolg van de ontbinding is dat partijen bevrijd zijn van hun verplichtingen en tegelijkertijd over en weer de verplichting ontstaat om de reeds ontvangen prestaties ongedaan te maken (artikel 6:271 BW Pro). Als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272 BW Pro). [partij B] heeft met betrekking tot de marketingwerkzaamheden toegelicht dat zij de door haar reeds aan [partij A] betaalde facturen niet terugvordert omdat daar werkzaamheden tegenover hebben gestaan. Uit het standpunt van [partij B] leidt de kantonrechter af dat zij meent dat de waarde van de door [partij A] verrichte werkzaamheden door betaling van de facturen is vergoed en dat ten aanzien van de marketingovereenkomst voor de periode tot juli 2025 aan eventuele ongedaanmakingsverplichtingen is voldaan. Op haar beurt heeft [partij A] geen vordering ingesteld tot teruggave van de door haar in het kader van de marketingovereenkomst aan [partij B] geleverde prestaties, dan wel tot vergoeding van de waarde daarvan. Nu ten aanzien van de periode tot juli 2025 geen vorderingen zijn ingesteld, zal de kantonrechter hierover geen beslissing nemen.
5.13.
De door [partij A] gevorderde betaling van haar factuur voor de marketingwerkzaamheden in juli 2025 ter hoogte van € 1.064,80 (inclusief btw) zal worden afgewezen nu [partij B] door de ontbinding is bevrijd van haar verplichting te betalen. Bovendien heeft [partij B] weersproken dat [partij A] in juli nog marketingwerkzaamheden heeft verricht. In het licht daarvan heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij in juli nog wel werk heeft uitgevoerd waarvoor [partij B] nog een waardevergoeding verschuldigd zou zijn.
[partij A] hoeft € 850,00 voor de online brochure niet te betalen
5.14.
Volgens [partij B] heeft [partij A] toegezegd een online brochure te zullen vormgeven en dat die brochure was inbegrepen in de maandelijkse betaling voor de marketingwerkzaamheden. [partij B] heeft aangevoerd dat [partij A] geen brochure heeft geleverd, waardoor zij genoodzaakt is de brochure extern te laten maken. De daaraan verbonden kosten van € 850,00 heeft [partij B] in reconventie als schade gevorderd (artikel 6:277 BW Pro). [partij A] heeft betwist dat de online brochure onderdeel was van de marketingovereenkomst en aangevoerd dat ook los daarvan, partijen geen afzonderlijke opdracht voor een online brochure zijn overeengekomen. [partij B] heeft haar stelling vervolgens niet verder onderbouwd. Dat leidt ertoe dat niet is komen vast te staan dat de brochure onderdeel was van de marketingovereenkomst. De gevorderde schade zal de kantonrechter afwijzen.
Tussenconclusie marketingovereenkomst
5.15.
Samengevat leidt het voorgaande ertoe dat de vordering van [partij A] tot betaling van € 1.064,80 (inclusief btw) zal worden afgewezen. Voor recht zal worden verklaard dat [partij A] ten aanzien van de marketingovereenkomst tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen en dat het beroep op ontbinding van die marketingovereenkomst door [partij B] slaagt. Verder zal de vordering tot betaling van € 850,00 van [partij B] worden afgewezen.
De websiteovereenkomst
5.16.
Vast staat dat [partij A] verplicht was een website te leveren. Over de termijn noemt de onderliggende offerte een ‘doorlooptijd’ van 8-10 weken na het akkoord op de offerte. [partij B] heeft de offerte op 21 november 2024 geaccordeerd. In beginsel betekent dit dat de website eind januari/begin februari 2025 geleverd had moeten worden. Dat is het standpunt dat [partij B] heeft ingenomen. [partij A] heeft uitgelegd dat de termijn in de offerte een richttermijn was. Zij heeft in dit kader toegelicht dat het maken van een website een dynamisch proces is, omdat de wensen van de opdrachtgever wijzigen en daarom aanpassingen nodig zijn, met als gevolg dat in de praktijk vaak van de doorlooptijd wordt afgeweken. Volgens [partij B] had de website ondanks overleg over de website alsnog binnen de doorlooptijd geleverd moeten worden, omdat aanpassingen ook gaandeweg zouden kunnen worden doorgevoerd.
5.17.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] voldoende gemotiveerd gesteld dat partijen gaandeweg een latere oplevertermijn zijn overeengekomen. [partij B] heeft dit vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uit de e-mailwisseling tussen partijen blijkt dat de levering (migratie) van de website na contact over de inhoud van de website gepland stond op 10 juli 2025. Op 12 juni 2025, 14:24 uur mailt [partij A] aan [partij B] : “
De website kunnen we in de 2e week van juli lanceren”. In daaropvolgende e-mails heeft [partij A] het meer specifiek over migratie van de website op 10 juli 2025. Het standpunt van [partij B] dat dit uitstel niet in overleg is gegaan en dat zij eerder (meermaals) heeft gevraagd naar de status van de website, heeft [partij B] onvoldoende onderbouwd. De e-mail van 2 juli 2025, 18:45 uur waarin [partij B] schrijft: “
Wat betreft de website deze had volgens [naam 4] in januari al in de lucht moeten zijn. Dit is veroverschreden en heb er geen vertrouwen meer in dat jullie iets goed doen” is daarvoor ontoereikend. Deze e-mail is gestuurd naar aanleiding van de mail waarin [partij A] de samenwerking heeft beëindigd. Dat [partij B] eerder klachten over (het uitstel van) de opleverdatum van de website heeft geuit, is niet voldoende concreet gesteld en ziet de kantonrechter ook niet terug in de stukken. In dat licht heeft [partij B] onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat [partij A] is tekortgeschoten door de website niet al eind januari/begin februari 2025 te leveren. De kantonrechter gaat dan ook uit van 10 juli 2025 als nieuw overeengekomen opleverdatum.
[partij B] heeft de websiteovereenkomst niet mogen ontbinden
5.18.
[partij A] heeft toegelicht dat zij weliswaar de samenwerking heeft opgezegd, maar dat alle werkzaamheden voor de website zijn verricht en dat zij in staat en bereid is om de website op te leveren. Zij heeft gewezen op de e-mailwisseling tussen partijen. In de e-mail van 2 juli 2025, 14:45 uur schrijft [partij A] ervoor te zullen zorgen dat “
alle openstaande zaken zoals de website[…]
worden afgerond en/of ingepland.” In een vervolg e-mail van een paar uur later (16:59 uur) schrijft [partij A] : “
Wij blijven bij ons standpunt en zullen onze werkzaamheden opleveren zoals contractueel is overeengekomen Dat betekent ook dat jullie de website in beheer krijgen. Je gaf in ons gesprek aan dat jullie de website niet meer wensen te ontvangen. Desondanks stellen wij voor om de site toch te migreren, zodat jullie hiermee zelfstandig verder kunnen.
5.19.
[partij B] schrijft diezelfde avond om 18:45 uur (hierboven reeds gedeeltelijk geciteerd): “
Wat betreft de website deze had volgens [naam 4] in januari al in de lucht moeten zijn. Dit is veroverschreden en heb er geen vertrouwen meer in dat jullie iets goed doen. En zie dan ook op geen enkele manier waarom we deze zullen afnemen terwijl jullie onze samenwerking opzeggen niet ik.” Toch blijft [partij A] aanbieden de website te migreren. Zo schrijft zij:

Bij deze ontvangen jullie van mij de offboarding[…].
Hieronder vinden jullie puntsgewijs de resterende werkzaamheden en relevante informatie.[…]
De migratie stond gepland voor aanstaande donderdag 10 juli, maar op basis van jullie laatste berichten begrijpen we dat dit niet doorgaat.Next steps:tot en met 31 augustus houden wij de website beschikbaar in een staging-omgeving. Daarna wordt deze gearchiveerd. De werkzaamheden zijn echter volledig uitgevoerd, klaargezet en ingepland, met uitzondering van de migratie. We adviseren dan ook om de website alsnog live te zetten en in te zetten voor jullie marketingactiviteiten.”
Het aanbod herhaalt zij in een e-mail van 9 juli 2025:

Begin deze week hebben jullie van ons de offboarding ontvangen, waarmee wij de samenwerking hebben afgerond. Graag vernemen we of en wanneer de website gemigreerd kan worden. We raden nadrukkelijk aan om dit op korte termijn te doen, zodat jullie verdere stappen kunnen zetten in de positionering van het merk.
Op 14 augustus 2025 wordt door de advocaat van [partij A] nogmaals op het aanbod gewezen:

Cliënte zal de in gang gezette offboarding voortzetten onder voorbehoud dat de betaling van de openstaande factuur[van € 1.064,80]
uiterlijk dinsdag 19 augustus aanstaande plaatsvindt. Daarnaast zal cliënte u vandaag een factuur toesturen voor de laatste fase van de website (copywriting 7uren en de migratie van de website).[…]
Tot slot heeft nog te gelden dat cliënte nog steeds in afwachting is van uw bericht met betrekking tot de migratie van de site. Graag verneem ik binnen zeven dagen na heden van u of u nog wenst dat migratie van de website door cliënte zal plaatsvinden.
5.20.
De kantonrechter overweegt dat uit deze e-mails volgt dat [partij A] op 2 juli 2025 weliswaar de marketingovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd zoals hiervoor is geoordeeld, maar dat niet kan worden aangenomen dat zij hiermee ook de websiteovereenkomst op onregelmatige wijze heeft beëindigd. [partij A] heeft bij het beëindigen van de samenwerking en daarna steeds kenbaar gemaakt dat zij haar verplichting uit de websiteovereenkomst nog wilde nakomen. [partij A] heeft dit ook tijdens de mondelinge behandeling gesteld en daarbij aangegeven dat zij de website alsnog zou kunnen leveren. Tegen deze achtergrond heeft [partij B] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van onregelmatige opzegging van de websiteovereenkomst. Dat is dan ook geen grond om de websiteovereenkomst te ontbinden. Niet aangenomen kan worden dat [partij A] met de mail van 2 juli 2025 van rechtswege in verzuim is geraakt ten aanzien van de websiteovereenkomst zoals [partij B] heeft gesteld. [partij B] heeft ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [partij A] anderszins is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de websiteovereenkomst. Gelet op voorgaande e-mailwisseling kan niet worden aangenomen dat [partij A] nakoming van de websiteovereenkomst heeft geweigerd. Dat [partij A] de website en bronbestanden niet heeft geleverd naar aanleiding van de latere e-mail van [partij B] van 22 september 2025 is niet genoeg voor een ander oordeel omdat [partij B] daarvoor al te kennen had gegeven de levering van de website niet meer te wensen en dat zij de factuur voor termijn 4 niet wilde betalen. Bovendien gaf [partij B] in diezelfde brief aan dat verdere kosten voor rekening van [partij A] zouden moeten komen. Gelet op de stellingen van [partij B] en de betwisting door [partij A] kan niet worden aangenomen dat [partij A] is tekortgeschoten in haar verplichting met betrekking tot de levering van de website. Dat betekent dat er geen grond bestaat voor ontbinding van de websiteovereenkomst door [partij B] en er voor de websiteovereenkomst geen ongedaanmakingsverplichting is ontstaan. De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat [partij A] toerekenbaar tekortgeschoten is en de websiteovereenkomst is ontbonden, zal de kantonrechter afwijzen. Dat geldt ook voor de reconventionele vorderingen tot terugbetaling van € 7.345,35 en betaling van € 2.202,20 aan schade voor het opnieuw moeten laten bouwen van een website.
[partij B] moet de website factuur van [partij A] betalen
5.21.
De kantonrechter stelt vast dat [partij A] de website uiteindelijk niet heeft opgeleverd en [partij B] de laatste factuur van € 2.643,85 (inclusief btw) niet heeft betaald. Het gaat om de factuur voor de laatste fase van de websiteovereenkomst die [partij A] [partij B] op 14 augustus 2025 heeft gestuurd. De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] die factuur alsnog moet betalen. Daartoe is het volgende redengevend.
5.22.
In de door [partij B] geaccordeerde offerte is opgenomen: “
25% van de offerte voor de website wordt vooraf gefactureerd na akkoord, daarna volgt er per fase vooraf 25% van de offerte.” Hieruit leidt de kantonrechter af dat [partij B] in beginsel vooraf voor de werkzaamheden diende te betalen. Dat [partij A] later bij de tweede factuur heeft medegedeeld dat de factuur voor fase 4 en de stelpost na migratie van de site zou worden verstuurd, is niet genoeg voor een ander oordeel. [partij A] heeft gemotiveerd gesteld dat de website gereed is en dat levering van de website door [partij A] medio juli 2025 mogelijk was, maar dat [partij B] die levering in die periode niet heeft geaccepteerd. Eerst daarna heeft [partij A] die factuur gestuurd zodat [partij B] in beginsel gelet op de overeenkomst voor de door [partij A] verrichte werkzaamheden moet betalen.
5.23.
[partij B] heeft nog een beroep op opschorting gedaan ten aanzien van deze factuur. De kantonrechter overweegt dat [partij B] daartoe niet bevoegd was, aangezien opschorting in de algemene voorwaarden van [partij A] is uitgesloten. Dit opschortingsverbod is volgens [partij B] in strijd met de redelijkheid en billijkheid, maar deze stelling heeft zij niet voldoende toegelicht. [partij B] heeft tot slot nog aangevoerd dat het opschortingsverbod onredelijk bezwarend en op grond daarvan vernietigbaar is in de zin van artikel 6:233 sub a BW Pro. Ook deze algemene stelling heeft [partij B] verder niet toegelicht zodat de kantonrechter die passeert.
Tussenconclusie
5.24.
Het voorgaande leidt ertoe dat [partij B] zal worden veroordeeld tot betaling van € 2.643,85 (inclusief btw). In dat kader heeft [partij B] verzocht om substantiële matiging van het bedrag vanwege de mate van eigen schuld van [partij A] en de disproportionaliteit van de gevorderde kosten. Aan deze algemene argumenten gaat de kantonrechter voorbij aangezien hiervoor is overwogen dat de vordering en het verweer van [partij B] ten aanzien van de websiteovereenkomst op juridische gronden niet slagen. Bovendien heeft [partij B] onvoldoende toegelicht op welke wijze [partij A] anderszins schuld heeft en/of de kosten voor [partij B] disproportioneel zijn.
5.25.
[partij B] heeft geen vordering ingesteld met betrekking tot levering van de website en heeft te kennen gegeven dat zij ook geen vertrouwen meer heeft in levering van de website door [partij A] . Omdat [partij B] geen vordering heeft ingesteld ten aanzien van de levering van de website, zal de kantonrechter daarover en de in dat kader gewisselde standpunten geen oordeel geven. Het staat partijen vanzelfsprekend vrij hierover in overleg te treden.
[partij B] moet de contractuele rente betalen
5.26.
De factuur voor fase 4 van de website heeft als vervaltermijn 28 augustus 2025. Het staat vast dat [partij B] de factuur niet binnen deze termijn heeft betaald. Dat betekent dat [partij B] per 28 augustus 2025 in verzuim is geraakt. [partij A] heeft met een beroep op artikel 6 lid 6 van Pro haar algemene voorwaarden de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% gevorderd. [partij B] heeft hiertegen geen zelfstandig verweer gevoerd. Daarom zal de kantonrechter de gevorderde rente als contractueel overeengekomen rente toewijzen vanaf 28 augustus 2025.
[partij B] moet een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten betalen
5.27.
[partij A] vordert € 495,87 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit zijn de kosten die zij heeft gemaakt om, in een poging een gang naar de kantonrechter te voorkomen, betaling van [partij B] te ontvangen.
5.28.
Deze vordering moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast [partij A] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
5.29.
Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding, gaat de wetgever uit van een vaste vergoeding waarbij geabstraheerd wordt van de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat [partij B] zal worden veroordeeld tot betaling van € 2.643,85 aan hoofdsom. Bij deze hoofdsom hoort volgens de staffel en het tarief zoals bepaald in het Besluit € 389,39 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal de kantonrechter het gevorderde bedrag afwijzen en in lijn met het besluit een bedrag van € 389,39 toewijzen.
[partij B] moet de kosten van het Kamer van Koophandel uittreksel betalen
5.30.
De vordering van € 2,85 (exclusief btw) van het uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel zal de kantonrechter toewijzen. Het bedrag is in lijn met de aanbeveling ‘Kosten voor raadplegen registers of opvragen uittreksels uit registers’ en het door de Koninklijke Beroepsvereniging van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) voor 2025 vastgestelde bedrag.
De proceskosten in conventie en in reconventie
5.31.
[partij A] en [partij B] krijgen over en weer gedeeltelijk (on)gelijk ten aanzien van de twee afzonderlijke overeenkomsten. Daarom zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.32.
De toegewezen vorderingen zullen zoals gevorderd en waartegen partijen over en weer geen verweer hebben gevoerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat dit vonnis meteen kan worden uitgevoerd als niet aan de veroordelingen wordt voldaan, ook als door een van de partijen hoger beroep zou worden ingesteld (artikel 233 Rv Pro).

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 2.643,85 (inclusief btw);
6.2.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van de in de algemene voorwaarden van [partij A] gehanteerde wettelijke handelsrente plus 2% over € 2.643,85 (inclusief btw), te rekenen vanaf 28 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 389,39;
6.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van de gemaakte kosten van het opvragen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel van € 2,85 (exclusief btw);
in reconventie
6.5.
verklaart voor recht dat [partij A] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de marketingovereenkomst en [partij B] de marketingovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden;
in conventie en in reconventie
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
6.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.8.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.